woensdag 23 mei 2012

Indiestad - Amsterdam : Paradiso : maandag 14 mei 2012

Tien dagen lang, van14 t/m 23 mei, organiseert Paradiso onder de naam Indiestad op meerdere locaties in de hoofdstad optredens van indie bands / artiesten en indie initiatieven. “Bijzonder, grensverleggend, hip en hartverwarmend”, zoals men zelf beweert. Of dat inderdaad zo is, kan ik op de eerste dag van het meerdaagse festival aan den lijve ervaren. Wat locaties betreft, kom ik niet verder dan Paradiso zelf, maar daar spelen dan ook deze avond de bands die ik wil zien. Met elkaar telkens in de grote en kleine zaal opeenvolgende optredens, ervaar ik het als een soort voorbereiding op het tweedaagse, binnen het Indiestad geheel opgenomen London Calling festival, dat al sinds jaar en dag hetzelfde concept hanteert. Vanavond is het gelukkig minder uitputtend, want ‘slechts’ acht bands maken de totale line-up uit. Van die acht zie ik er bovendien maar zes want er moet eerst nog gewerkt en daarna een stuk gereisd worden. Bij mijn eerste band van de avond val ik zo’n beetje halverwege binnen. Op het podium staat een band met de naam Francois And The Atlas Mountains, een gemengd gezelschap van Fransen en Britten. Een verenigd Europa staat in huidige tijden onder druk maar deze samenwerking biedt perspectief. En dat schijnbaar al vijf albums lang, terwijl ik slechts één nummer ken (“Piscine” van een NME Radar compilatie). Geen idee hoe de stemming was in de helft die ik heb gemist, maar wanneer ik de zaal binnenkom, maakt FATAM op het podium een energieke, uitgelaten indruk met muziek waarin ritmische, Afrikaans aandoende percussie een belangrijke rol speelt, en flarden Animal Collective en Vampire Weekend voorbij zweven. Het publiek hebben ze mee en ik zie na afloop dan ook diverse mensen met hun laatste cd “E volo love” in de hand.

Als Milk Music dertig jaar eerder was ‘geboren’, dan hadden ze goede kans gemaakt te zijn ingelijfd door SST Records, het in Amerikaanse indie gitaarrock gespecialiseerde label dat gedurende zijn hoogtijdagen bands als Hüsker Dü, Sonic Youth, Black Flag, Dinosaur Jr. en Bad Brains onderdak bood. Dat maakt meteen duidelijk waar het uit Olympia (Washington) afkomstige viertal de inspiratie vandaan haalt, maar wat vanavond ook aan het licht komt is dat Milk Music nog een lange weg heeft te gaan om ook maar enigszins in de buurt te komen van hun voorbeelden. Aan het enthousiasme van het langharige gitaartandem ligt het niet, wel aan de songs die geen enkele keer aangekondigd worden alsof ze ongetwijfeld niet letterlijk maar wel figuurlijk geen naam mogen hebben. Wat zanger / gitarist Alex Coxen wel doet is na bijna ieder nummer op zijn horloge kijken want de toegestane speeltijd is beperkt. In het geval van Milk Music vind ik dat niet zo’n punt want de songs zijn allemaal nauwelijks van elkaar te onderscheiden en beklijven doen ze ook niet. De positieve berichtgeving die ik tot nu toe over Milk Music heb gelezen, kan ik dan ook moeilijk plaatsen. Of het moet zijn dat hun lijden voor hun ‘kunst’- de band heeft lucratieve deals afgeslagen om zo onafhankelijk en puur / punk mogelijk te blijven, waardoor ze geen cent te verteren hebben – mee wordt genomen in de beoordeling van hun muziek. Hoe dan ook, Milk Music heeft voorlopig weinig in de melk te brokkelen.  

Rich Aucoin is voor mij een grote onbekende en ’s mans optreden doet me beseffen dat ik eerlijk gezegd ook niet op zijn vriendschap zit te wachten. En dat terwijl Rich, op het podium geassisteerd door een staande drummer, zo graag een band met het publiek wil opbouwen. De show gaat van start met een visuele presentatie waarin iedereen in het zonnetje wordt gezet: de andere bands die vanavond optreden, de mensen die meewerken aan Indiestad en natuurlijk het publiek. De lovende teksten worden afgewisseld met een authentiek schokkerig filmpje, vastgelegd tijdens een of ander openluchtfestival zo lijkt het, waarin een eenling een maf, bijna bezeten dansje doet. Even later krijgt hij gezelschap van een tweede, een derde enzovoorts, totdat een sneeuwbaleffect ontstaat en iedereen staat mee te bewegen. Dit is wat Rich wil bewerkstelligen, nog maar eens onderstreept door teksten als “Let’s get loud”. Helaas heeft zijn electropop niet hetzelfde effect. Misschien wel omdat wat in het filmpje gebeurt een spontane actie lijkt, terwijl Rich veronderstelt dat je euforie kunt regisseren. Afijn, met het juiste songmateriaal zou het best kunnen, maar laat Rich die nou niet hebben. Het lijkt me verder wel een sympathieke gozer, en hij probeert het tenminste maar het publiek gaat niet uit zijn dak. Leuk dat er telkens een serie gekleurde lampjes oplicht, elke keer wanneer de drummer de snare of een bekken mept, maar eh… echt veel leuker dan dat wil het niet worden. 

Mijn verwachtingen voor Pond zijn op zijn zachts gezegd hooggespannen. Hun album “Beard, wives, denim” is een geheide kandidaat voor mijn cd eindejaarlijst en vooruitgesnelde berichten over hun goede live performance hebben me nog meer op scherp gezet. Niet alleen mij, want in de zich snel vullende bovenzaal hangt een bijna tastbare, gezonde spanning. Niemand wordt teleurgesteld, want Pond lost de verwachtingen moeiteloos in. Opener “Leisure pony” vliegt erin als een stormram, en ja, je voelt het gewoon aan je water dat zich hier een piek in de avond aandient. Zanger / toetsenist / gitarist / dwarsfluitist Nick Allbrook en gitarist Jay Watson zijn tevens collega’s in Tame Impala als respectievelijk bassist en drummer. Pond is beslist geen nevenhobby of een uitstapje maar een volwaardige, zelfstandige band en het zou me niet verbazen als Nick en Jay, gedwongen tot een keuze en niet eens met het mes op de keel, eerder voor Pond dan voor Tame Impala zouden kiezen. Dit lijkt me meer hun eigen ‘ding’, een vriendenclub die met zichtbaar plezier in psychedelische kleuren geverfde rock maakt. Ook zonder kennis van de connectie met Tame Impala valt iets van die band in Pond terug te horen, maar live is dat marginaal. Dan hoor ik toch eerder Pink Floyd – zowel post-Syd als de speelse versie met Syd voordat drugs de overhand kregen – vermengd met MC5. In “You broke my cool” haalt Nick de dwarsfluit tevoorschijn, gevolgd door – als ik me niet vergis! – “Frond” van het vorige album. Blikvanger is Nick, de kleinste en ielste van het stel, met het uiterlijk en lichaam van een dertienjarige inclusief de tegendraadse gezichten die zo’n puber soms kan trekken. Zijn haar knipt hij waarschijnlijk zelf en ik schat dat hij per jaar slechts zo’n 50 euro kwijt is aan kleren. Waarmee ik maar wil zeggen: dit is niet iemand die geeft om uiterlijk vertoon, en des te meer om muziek. De toegestane speeltijd bepaalt helaas dat na “Eye pattern blindness” een einde komt aan een veel te kort maar o zo overtuigend optreden – veertig minuten is niks voor een band als Pond – wat alleen maar doet hopen dat ze alsnog opduiken op het affiche van een der zomerfestivals die ik nog ga bezoeken. 

 Yacht is het geesteskind van Jona Bechtold die zichzelf en zijn drie bandleden met behulp van een groot projectiescherm aan het publiek voorstelt. Woonplaats en sterrenbeeld zijn daarbij inbegrepen. Een speciale vermelding krijgt Steve, de man die in de foyer T-shirts, cd’s en ander Yacht spul verkoopt. Steve heeft het niet druk gekregen, vermoed ik zo. De band stond al eerder in Paradiso, samen met LCD Soundsystem, waar Jona de aanwezigen even aan herinnert. Daarmee kan een bruggetje worden gemaakt naar het van LCDS bekende DFA label waar Yacht deel van uitmaakt en de vaarkoers van dit muzikale jacht. Het concert, onderdeel van een tournee ter promotie van laatste album “Shangri-la”, bevestigt waarom Yacht een DFA band is. Elektronische pop met een 80s floppy disk, new wave & no wave, beetje punkfunk, afijn, het behoort onmiskenbaar tot de muzikale familie die James Murphy als stamvader heeft. Zangeres Claire L. Evans – lang en in het wit – en koersbepaler Jona maken qua aanwezigheid op het schip de dienst uit. Het is niet allemaal van hetzelfde kaliber als LCD Soundsystem maar wel redelijk onderhoudend. 

Eigenlijk geloof ik het wel zo’n beetje maar vooruit, nog even een minuut of tien wachten, en dan kan ik de laatste band nog even meepikken : The Sheepdogs. Net als Rich Aucoin eerder op de avond voor mij een totaal onbekende band, maar ik weet snel genoeg of het uitdraait op een snelle exit dan wel een langer verblijf wegens aangenaam verrast. Het draait gelukkig uit op het laatste. Tijdens de soundcheck staat de voltallige band al op het podium, en het uiterlijk – baarden, snorren, lange haren, no nonsense kledij en een haarband om een krullenbol, door mij voor het eerst gezien op een albumhoes van Jethro Tull in de jaren zeventig, ahem – zijn een goede indicatie van wat er te wachten staat. Het vermoeden klopt als een bus want vanaf de eerste noot is het volvette seventies (southern) rock’n’roll met een beetje psychedelica wat de klok slaat. Het is dat ze uit Canada komen, want anders hadden ze zomaar “Sweet home Alabama” kunnen inzetten, terwijl in het hoogtepunt “Learn & burn” de geest van The Doors rondwaart. Zanger Ewan Currie zingt met gevoel en soul, en The Sheepdogs – een naam die ze welhaast aan een uiterlijk te danken moeten hebben – tonen zich doorgewinterde, hardwerkende en uitstekende musici. De band is niet uit op vernieuwing, wel op een solide show, roestvrije songs met harmoniezang en een groovy ritmesectie en vakmanschap. Hun aanstaande album schijnt te zijn geproduceerd door Patrick Carney, drummer van The Black Keys die na jarenlang ploeteren als een komeet omhoog zijn geschoten. Hopelijk zal die connectie The Sheepdogs meer bekendheid bezorgen want dat is ze gegund. De man die naast de zaaldeur, meteen na het optreden, een kartonnen doosje opentrekt met daarin cd’s à 10 euro het stuk, heeft in ieder geval met mij zijn eerste klant te pakken. Een puik slot van een Indiestadsbezoek. 

Meer foto’s hier!

zaterdag 12 mei 2012

A Place To Bury Strangers - Maastricht : Muziekgieterij : donderdag 03 mei 2012

A place to bury strangers. Waar zou je zoiets normaal gesproken doen? In het centrum van een stad of toch op een meer afgelegen plek? Zeer waarschijnlijk het laatste. Dat komt dan goed uit. Want van de Muziekgieterij in Maastricht kun je een hoop zeggen, maar niet dat het centraal gelegen is. Toen ik een aantal weken geleden tot mijn even grote verbazing als aangename verrassing las dat A Place To Bury Strangers naar Maastricht zou komen, had ik me meteen voorgenomen ernaartoe te gaan. Kompaan commando Billy had er ook wel oren naar. Nu even nog uitzoeken waar die Muziekgieterij gelegen was. Volgens een gemeenschappelijke vriend was het vanaf het station goed te belopen. Dat bleek een misvatting. Want ANWB routeplanner kwam uit op een ‘wandeling’ van afgerond 36 minuten. En daar hadden we niet zo’n trek in. Met de bus dan maar, want vanaf de halte waar we moesten uitstappen, zou het dan nog slechts 9 minuten lopen zijn. Dan moet je wel weten welke kant je dient op te lopen natuurlijk. Helaas hadden we ons op dat punt wat minder goed voorbereid. Dan maar even vragen aan twee voorbijfietsende jongedames. “Bankastraat? Nooit van gehoord…” Gelukkig doet de naam Muziekgieterij wel een belletje rinkelen. “Daar doen ze toch van die muziekdingen en zo? Ben ik wel eens geweest.” Gelukkig waren we niet op zoek naar de Azijnfabriek, anders zou je zo maar naar een industrieterrein kunnen worden verwezen. Na een wandeling van toch iets meer dan 9 minuten herkent commando Billy een gebouw van een foto op de website van de Muziekgieterij. Als we naderbij komen, horen we muziek. Bij de ingang staat een caravan die dienst doet als kassa en even later zijn we een polsbandje rijker. Grappig, zoiets krijgen we normaal gesproken alleen op festivals. Eenmaal binnen is het een leuk weerzien met diverse vrienden en bekenden. Oftewel: a place to meet friends.

Voorprogramma Eins, Zwei, Orchestra laten we voor wat het is. Bijkletsen onder het genot van een alcoholische versnapering geniet de voorkeur. Opeens schiet een mij bekende figuur voorbij. Het is Oliver Ackermann, zanger/gitarist van A Place To Bury Strangers. Hij is net te snel om hem nog even te complimenteren met een simpele, omhoog gestoken duim. Er wacht een soundcheck die gelukkig redelijk snel wordt afgehandeld. Een kleine twintig minuten later dan aangekondigd wordt het zaallicht gedempt. Op het podium blijft het redelijk donker. Het meeste licht is afkomstig van de fragmentarische filmpjes die op een doek achter de band worden geprojecteerd. Het verschaft het concert een visuele meerwaarde. Niet dat het nodig is, want APTBS heeft een reputatie waar te maken op auditief gebied. Waarmee bedoeld wordt: knetterharde gitaarterreur. Gelukkig ben ik voorbereid want dit is de vierde keer dat ik de band live meemaak. De oordoppen zijn dan ook meegenomen…

Zo extreem hard als tijdens mijn eerste APTBS concert – de bovenzaal van Paradiso, mei 2008, hier te lezen in verminkte versie ‘dankzij’ weblog.nl – wordt het (gelukkig) niet, en dus, gekoppeld aan het feit dat ik uit voorzorg achterin de zaal sta, kunnen de oorbeschermers met enige voorzichtigheid uit hun tijdelijke onderkomen worden gehaald. Voor me zie ik echter nog diverse mensen die het er liever niet op wagen. Het heeft iets onmiskenbaars cool, stoer en rock’n’roll over zich om te worden betiteld als ‘the loudest band in New York’, maar als de reputatie van APTBS alleen maar gestoeld zou zijn op lawaai maken, dan waren ze niet meer dan een ‘novelty act’. En het publiek zou het kunstje dan snel genoeg gezien en vooral gehoord hebben. Gelukkig beseft de band dat zelf ook. Want net zoals hun twee belangrijkste invloeden – My Bloody Valentine en The Jesus And Mary Chain – dat voor hun deden, gebruikt APTBS de uit Ackermanns gitaar – via en met dank aan zijn zelfgemaakte / aangepaste pedaaleffecten – voort spuwende en ruimte vullende ‘noise’ als een extra instrument dat elk nummer van een eigen nieuwe dimensie voorziet. 

De zang golft door de geluidsmuur heen, met hier en daar herkenbare tekstflarden. Bassist Dion en drummer Jay zorgen voor de ritmische basis maar de aandacht ligt vooral op Ackermann die met zijn gitaar zwiept en zwaait, omhoog de lucht in houdt en flink laat razen. Zeker wanneer dat gepaard gaat met een flikkerende stroboscoop, levert dat fascinerende beelden op. De apotheose wordt gevormd door een lang uitgesponnen nummer, waarin Ackermann alle gelegenheid krijgt om zijn gitaar te geselen. Na een dik uur kunnen alle oordoppen terug in de zak, want ‘een toegift’, zo verzeker ik mijn buurman, ‘geven ze normaal gesproken niet’. Maar dit is geen normale avond, want de band komt terug om nog een nummer te spelen. Buiten de zaal zie ik – net als voorafgaande aan het concert – een mij bekend iemand voorbijsnellen. Het is Oliver Ackermann en ditmaal lukt het me wel hem aan te spreken, sterker nog, me even backstage in te lullen voor een kort praatje en een foto. “Awesome!” zegt hij in een opvallend jolige bui als ik hem het resultaat laat zien, en tevens een prima ‘in één woord’ samenvatting van het concert. Onze in onverminderd marstempo ingezette voettocht naar het station – gelukkig nog net op tijd voor de laatste trein – mag dan een stuk minder ‘awesome’ zijn, maar soms moet je wat over hebben, zoals een goede conditie, om in ‘the place to be’ te zijn geweest.

Meer foto’s hier!

April 2012

CD’s

PAUL WELLER – Sonik kicks sample
51 is hij inmiddels maar een gezapige ouwe lul is Paul Weller allesbehalve. Dat bewijst hij wel met “Sonik kicks”, zijn elfde album. De titel is veelzeggend want aan het songmateriaal valt af te horen dat Weller er als een jonge hond een kick van krijgt om zijn eigen muzikale spectrum te verbreden en daarbij het experiment niet te schuwen, en op de luisteraar slaat die kick over. Psychedelica duikt diverse malen op (“Drifters”, “Dragonfly”), al dan niet vermengd met andere stijlen zoals Krautrock (“Green”) of new wave (“Around the lake”). “Study in blue” klinkt dan weer als The Style Council op de reggae tour met een paddo achter de kiezen en single “That dangerous age” had uit de koker van Blur kunnen komen. Wie de albumversie koopt met extra tracks kan genieten van een stukje aangename discopop getiteld “Starlite”. Jammer voor degenen die hopen dat Weller ooit The Jam weer bij elkaar schraapt, maar in deze creatieve modus heeft de vijftiger daar geen enkele reden toe. 

ALABAMA SHAKES – Boys & girls sample
Deze tijd vorig jaar nog een onbekend bandje, doch anno 2012 staan alle schijnwerpers op ze gericht. En zangeres Brittany Howard, zij met de soulvolle Joplin Redding stembanden, hoeft voorlopig niet meer naar haar oude baantje van postbezorger terug te keren. Het viertal uit – jawel – Alabama presenteert nu het debuutalbum, waarop alle vier de tracks (o.a. “Hold on”, “On your way”) van een eerder verschenen EP te vinden zijn. De songs klinken allemaal even authentiek als de soul en ‘classic rock’ waar ze op geënt zijn, en wie niet beter weet zou de plaat in tijd plaatsen ergens tussen ’67 en ’73. Geen modernisme te bekennen dus, maar gelukkig evenmin een pastiche. “Boys & girls” doet niet moeilijk, is geloofwaardig, consistent, vrij van gimmicks en het zit solide in elkaar met Howard als degene die het verschil maakt. Lekkere plaat. 

HOODED FANG – Tosta mista sample
Eén van de bands waar ik naar uitkijk op het aanstaande London Calling festival is het uit Canada afkomstige viertal Hooded Fang. Dat is te danken aan dit lekkere kort (slechts 23 minuten) maar krachtige in 60s garagerock ondergedompelde plaatje – hun tweede na het in 2010 verschenen “Album” – dat precies de juiste mengverhoudingen bezit van gruizig, rammelend, charmant en opgewekt. Zanger / gitarist Daniel Lee is de belangrijkste leverancier van het songmateriaal, en hij lijkt de even in wezen simpele als ook aanstekelijke liedjes moeiteloos uit de mouw te schudden zoals het titelnummer, “ESP” en “Jubb”.

KILLING JOKE - MMXII sample
Dertig jaar geleden vertrok Killing Joke frontman Jaz Coleman naar IJsland om daar de door hem voorspelde Apocalyps te overleven. Zoals bekend bleef die uit, maar nu dient zich – als we de Maya kalender moeten geloven – een nieuwe ‘kans’ aan, en reden om het nieuwe album (opnieuw in de oorspronkelijke bezetting) naar dit jaar te vernoemen. De sombere tijden bieden Jaz genoeg inspiratie voor tekstmateriaal dat hij brullend dan wel zingend (zoals in de medio 80s periode) ten gehore brengt. Muzikaal ligt de plaat in het verlengde van voorganger “Absolute dissent”, maar KJ grijpt ook diverse malen terug op herkenbare motieven uit het eigen verleden met albums als “Night time” en “Pandemonium”. Het door postpunk, industrial en elektronische rock bepaalde resultaat maakt een geïnspireerde indruk en toont aan dat KJ ondanks zijn leeftijd nog uitermate vitaal is. Met nummers als “Pole shift”, “Glitch” en “Rapture” bijvoorbeeld gaat de band beslist 2012 overleven, of Jaz dat nou leuk vindt of niet…

NTJAM ROSIE – Elle sample
Met dank aan “De zwarte lijst” van NTR waar ik voor het eerste kennismaakte met het Rotterdams zang talent Ntjam Rosie. Ze timmert al een aantal jaren aan de weg, en “Elle” is haar vorig jaar verschenen tweede album waarop jazz, soul en ‘chill out’ elkaar op een aangename, lichtvoetige manier hebben gevonden. De stem van de geïnspireerd zingende Ntjam Rosie sluit daar naadloos op aan. Nieuwe wegen binnen het genre worden niet ingeslagen – Ntjam ruilt hooguit in twee nummers het Engels in voor het Frans – maar de plaat luistert van begin tot eind zo lekker (onbekommerd) weg dat je die constatering voor lief neemt. “Elle” is een plaat als een warm bad, gevuld met onder andere Sade, Eryka Badu, Stevie Wonder en exotisch fruit uit bijvoorbeeld Brazilië.  

A PLACE TO BURY STRANGERS – Onwards to the wall sample
“Onwards to the wall” mag dienen als een voorproefje van het binnenkort te verschijnen derde album “Worship” waarop het rond Oliver Ackermann geformeerde noise trio opnieuw van leer trekt met aan My Bloody Valentine, The Jesus And Mary Chain en in iets mindere mate Joy Division en The Cure schatplichtige gitaarterreur zoals opener “I lost you” ondubbelzinnig duidelijk maakt. Dat er een bezettingswisseling heeft plaatsgevonden, is niet van invloed geweest op het geluid, want dat verschilt niet wezenlijk van wat de band op eerdere releases liet horen. Vertrouwd lawaai dus, maar nog steeds de moeite waard.

Singles

FUTURE UNLIMITED – EP sample
Laat je niet op het verkeerde been zetten door vergelijkingen met bands als New Order, The Killers en Depeche Mode die her en der worden gemaakt als het gaat om het vastpinnen van de sound van Future Unlimited. Want waar FU – standplaats: Nashville – mij toch vooral aan doet denken is een beduidend minder hippe band uit het verleden (daar ga je dan met die aan de toekomst refererende bandnaam…): A Flock Of Seagulls. Zonder het in het oog springende kapsel van de zanger of die te grote bril van de gitarist van laatstgenoemde, maar wel met die typische, makkelijk verteerbare new wave meets (synth)pop sound. Toegegeven, stukjes en beetjes hebben trekjes van in de eerste zin genoemde bands, en soms, zoals in “Golden”, is FU bijna niet te onderscheiden van een heuse 80s act. Doch zolang dat goede muziek oplevert, is er eigenlijk geen reden tot klagen. En dan zou de ‘future’ voor deze band dus best eens geen grenzen kunnen hebben…

TROUMACA – The gems EP sample
De Pukkelpop line-up voor dit jaar begint steeds meer gestalte te krijgen en daarbij vind ik het altijd leuk om tussen de klein geletterde namen die van nieuwe bands te zien die mijn interesse hebben gewekt. Zoals Troumaca, een band uit Birmingham die debuteert met deze interessante EP die sterk van start gaat met het swingende “Fire”, aangestookt door een winnende combinatie van drum’n’bass en indie en de expressieve stem van zanger Sam Bayliss. Qua sfeer is er een zekere verwantschap met “Pala” van Friendly Fires. Ook de andere twee nummers (“Sanctify” en de ‘chille’ instrumental “Layou”) zijn de moeite waard. De titel van de EP (gems = edelstenen) is goedgekozen, want het zijn juweeltjes van songs. En helemaal mooi meegenomen is dat de EP gratis is te downloaden via hun website. Afijn, tot ziens in – naar ik vermoed – Club of Chateau!  

ALABAMA SHAKES – Be mine sample
Een single op het door Jack White opgezette “Third Man Records” label, en de eerste vinyl release voor de band. Geen studio-opnames, want zowel A (“Be mine”) als B-kant (“You ain’t alone”) zijn live – met publiek erbij – vastgelegd. En goed ook, want je krijgt het idee alsof je erbij bent. De songs staan allebei ook op het album, maar hun live incarnatie maakt pas echt nieuwsgierig naar het zien en horen van de band op een podium.

dinsdag 1 mei 2012

Motel Mozaïque - Rotterdam : Rotown, Rotterdamse Schouwburg : vrijdag 20 april 2012

De laatste jaren pik ik van Motel Mozaïque toch wel een avondje of twee mee, soms tot het late einde. Dit keer ben ik er slechts in bescheiden mate bij, en beperkt mijn motelbezoek zich tot een schamel aantal uurtjes op de vrijdag. De oogst is dan ook mager: ik zie welgeteld twee bands en pik een stukje mee van een artistieke performance. Een combinatie van ongelukkige timing en andere, reeds eerder geplande activiteiten. Gelukkig ‘mis’ ik relatief weinig in de zin dat ik veel van de bands en artiesten die me interesseren al eens live heb gezien. Toch is het juist een band die ik al eens eerder zag, weliswaar vijf jaar geleden, die een reis naar Rotterdam erg de moeite waard maakt.

Nadat ik op het Schouwburgplein mijn ticket heb ingewisseld voor een polsbandje, vervolg ik mijn weg naar Rotown, een van de 15 locaties waar iets te beleven valt. Die liggen overigens niet allemaal vlak bij elkaar, en een fiets zou in sommige gevallen best handig zijn geweest. Daarbij ben ik bepaald niet bekend met de Rotterdamse binnenstad. In het gratis programmaboekje is weliswaar een plattegrond te vinden maar een aantal locaties staan daarop niet eens op straatniveau aangegeven. Kortom: zoek het zelf maar uit. Gelukkig ken ik Rotown van eerdere bezoeken, en is het erg makkelijk te vinden. De zaal puilt uit wanneer de eerste band van de avond haar opwachting maakt: White Rabbits. Is dat omdat iedereen ze zo graag wil zien? Voor een deel gaat dat op, maar ik krijg sterk de indruk dat de meeste bezoekers vooral elkaar wil zien. En storender nog: elkaar wil spreken. Jammer… Hoe dan ook, dit sextet uit Brooklyn, NY heb ik pas vrij recentelijk leren kennen dankzij hun derde album “Milk famous”. “De plaat bevat indierock waar vooral stukjes en beetjes van Radiohead in te herkennen zijn (“Hold it to the fire”, “Are you free”) die echter zijn gebruikt als creatieve bouwstenen om tot een eigen smoelwerk te komen”, citeer ik mezelf gemakshalve. Vergelijkingen met de band Spoon zijn evenmin van de lucht, zo heb ik begrepen, maar aangezien ik die alleen van naam ken, kan ik dat beamen noch ontkrachten. De band is vanochtend per vliegtuig aangekomen in Nederland, geslapen hebben ze nog niet en vandaar dat ze zich wat ‘weird’ voelen, laat zanger Stephen Patterson weten. Dat is niet te merken, want vanaf openingssong “Heavy metal” maken ze een gedegen indruk. De setlist leunt overwegend op “Milk famous” met sterke uitvoeringen van onder meer “Temporary” en “I’m not me”. Er wordt regelmatig van instrumentarium gewisseld, en af en toe maakt de band gebruik van twee drums wat voor enige visuele meerwaarde zorgt. Het klinkt en ziet er allemaal solide uit, en met een toegift wordt het concert overtuigend afgesloten, maar een gevoel van euforie blijft uit.

Na het optreden wurm ik me een weg naar buiten en begeef ik me naar de Stadsschouwburg. Meer om daar de tijd te doden, wat rond te hangen en een sanitaire stop te maken dan dat er iets interessants op het programma staat. In de foyer houd ik staande bij de performance van t.r.a.n.s.i.t.s.c.a.p.e. uit België. Wat ik zie zijn twee enorme condoomachtige gevallen en een houten loket. In de ene ‘condoom’ dansen twee langharige jongedames in identieke rode jurkjes, in de ander maakt een man een monotone loopbeweging zonder van zijn plaats te komen. Voor hem staat een zuurstoftank, achter hem staat een Aziatische knul met ontbloot bovenlijf de binnenkant van het omhulsel met witte verf te voorzien van Oosterse karaktertekens. Later zal de Aziaat de andere man met een verfroller bewerken. Tussen de condooms door dansen een breed glimlachende neger en een negerin op expressieve wijze, om een tijd later zichzelf in doorzichtige folie te hullen. Noem me een cultuurbarbaar, maar ik kan er geen chocolade van maken. De uitleg heb ik zodoende van hun website moeten spieken: de multidisciplinaire installatieperformance Urban Distortions combineert dans, live muziek en architectuur in een poging om de steden Hong Kong, Brussel en Mtwapa (Kenia) te decoderen en te portretteren. In de voorstelling van t.r.a.n.s.i.t.s.c.a.p.e. stappen de dansers en muzikanten in grote opblaasbare ballonnen en verkennen grenzen, snelheden en bewegingen. Afijn, weet u dat ook. Goed dat je als toeschouwer in de gelegenheid wordt gesteld dit te ontdekken, maar het zal Jan met de pet, laat staan Henk en Ingrid, alleen maar in de overtuiging sterken dat kunst een linkse hobby is en er tot op de laatste cent op bezuinigd dient te worden.

‘Dankzij’ het proces van meervoudige moordenaar Anders Breivik staat Noorwegen de laatste tijd op een minder aangename kant in het nieuws, dus hoog tijd om die balans eventjes vlot te trekken. Het vierkoppige gezelschap 120 Days doet zelfs meer dan dat: ze stuwen zichzelf omhoog naar een hoogtepunt. De verwachtingen lagen bij ondergetekende hoog, want de herinneringen aan een fantastisch optreden op Pukkelpop (2007) zijn nog altijd springlevend. Het nieuwe album, simpelweg “II” geheten, hebben de verwachtingen verder opgeschroefd, en die worden vanavond moeiteloos ingelost. De zaal is lang niet zo gevuld als bij White Rabbits. Enerzijds jammer, want 120 Days verdient een volle bak, anderzijds zijn we nu wel verlost van een hoop zwetsende toeschouwers. Waarbij ik me dan wel goed kan voorstellen dat de band de kletsers zowel aan het zwijgen als aan het dansen had gekregen. Stilstaan is namelijk geen optie met de energieke, opwindende mix van electrorock, Underworld, en Giorgio Moroder. Het is daarom ook zo sneu dat niet stilstaan voor mij ook een andere betekenis kent: de laatste trein huiswaarts wacht niet, en dus moeten op een gegeven moment de dansende voeten switchen naar lopende voeten… richting station. Een T-shirt zit er helaas niet in, want de band heeft geen merchandise in aanbod. Hopelijk hoef ik tot aan mijn volgende ontmoeting met 120 Days niet weer vijf jaar te wachten, want dit was opnieuw erg de moeite waard!

Meer foto’s hier!











woensdag 18 april 2012

Maart 2012

CD’s

120 DAYS - II sample

Een van de beste optredens ooit die ik op het Pukkelpop festival heb mogen meemaken – een onbetwiste plek in een top 5 – werd gegeven door het Noorse kwartet 120 Days. Dat was in 2007, terwijl het debuutalbum een jaar eerder verscheen. De opvolger, simpelweg “II” geheten, heeft dus zes jaren op zich laten wachten, maar dat is het waard geweest. 120 Days heeft de beste elementen uit Giorgio Moroder, Kraftwerk, Underworld en electrorock geplukt en samengebald tot het soort krakers die mij naar de dichtstbijzijnde dansvloer doen hollen, om daar in trance uit mijn dak te gaan. Uitschieter is het bijna 10 minuten durende “Dahle disco”, dat dezelfde drive heeft als Primal Scream’s “Swastika eyes” of Kasabian’s “Reason is treason”. En ja, als genoemde bands meer de dans / electro kant op zouden gaan, dan komen ze vanzelf uit bij 120 Days dat stilstaan onmogelijk maakt met bijvoorbeeld “Osaka”, “Lucid dreams part III” of “Spacedoubt”. Beste Chokri, lees je mee…?

ELECTRICITY IN OUR HOMES – Dear shareholder sample
Het aanvankelijk als kwartet begonnen, maar na het vertrek van zanger Thomas Warmerdam – al na de 2e single – tot een trio uitgedunde EIOH presenteert eindelijk, vijf jaar na debuutsingle “The shareholders meeting EP”, waar de albumtitel dus aan refereert – hun eerste echte LP/CD. De singlesverzamelaar “They’ll like that, won’t they” (2009), bedoeld voor de Japanse markt, dus niet meegerekend. Ik ben tot dusverre trouw koper geweest van het onregelmatig, en telkens op een ander label (!) verschenen materiaal, en zoals gehoopt vormt “Dear shareholder” de kroon op het werk dat zowel een compositorische progressie als stilistische verbreding laat horen. De hoekigheid is er nog steeds, net als invloeden uit postpunk – The Fall met stip bovenaan – en C86, maar er zit meer rust in, melodieuzere zang en eigenheid. En daar word ik als aandeelhouder erg blij van.

POND – Beard, wives, denim sample
Gelijk Tame Impala dat zo goed de dromerige psychedelische sfeer wist te vangen die frontman Kevin Parker voor ogen had, brengt Pond – met daarin Tame Impala leden Nick Allbrook (bas) en Jay Watson (drums) - een soortgelijk, nauw verwant geluidsdecor tot leven. Een nevenproject van TI mag Pond niet genoemd worden, al was het maar omdat “Beard, wives, denim” hun vierde (!) album is, doch ook vanwege het feit dat de band daarmee schromelijk tekort zou worden gedaan. Vergeet daarbij de voorgaande drie vingeroefeningen die niet het niveau halen van deze volwaardige, verrassend sterke plaat die overloopt van spelplezier en pakkende liedjes (“Elegant design” en “Sun, sea and you” om er twee te noemen) die zijn geworteld in psychedelische, acid en garagerock met eind jaren 60, begin jaren 70 als datumstempel. Met deze plaat krijg je als luisteraar het volle pond! (Sorry, die woordspeling kon ik gewoon niet laten liggen…)

TENNIS – Young & old sample
Alaina Moore en Patrick Riley, zowel een muzikaal duo als liefdeskoppel, richtten samen Tennis op na een driekwart jaar durende expeditie per zeilschip, koersend naar de Bahamas. Klinkt idyllisch en romantisch, en houd het gevoel van de gedachte eraan vast, want dan heb je een idee van de sound van Tennis. Niet gevreesd, want het is geen geglazuurde pop die je tanden spontaan doet springen. De liedjes zijn als een lichte, verkoelende bries, aangenaam  van sfeer en ze  luisteren daardoor prettig weg. Tennis serveert enkele raak geplaatste ballen over het net, gevuld met sixties pop, surf en indie gitaarpop, terwijl “My better self” zo uit de koker van Saint Etienne had kunnen komen. “It all feels the same” is de titel van het openingsnummer, en zo is het maar net, want alles op “Young & old” voelt aan als een lichtvoetige weldaad.

FIELD MUSIC – Plumb sample
De vorige plaat heb ik – waarom eigenlijk? – links gelaten, maar de rest van hun output achtte ik aanschaf waard. En dat geldt zeker, want de beste tot nu toe, voor het vierde album van Field Music, in de kern bestaande uit de gebroeders Peter en David Brewis. Ze zien er gewoontjes en onopvallend uit – hun podiumpresentatie is bepaald niet opwindend, kan ik uit eigen ervaring optekenen – maar voor “Plumb” geldt dat gelukkig niet. Het album telt 15 miniatuurtjes die binnen de kaders van elk nummer regelmatig van kleur verschieten of maat wisselen. Doordacht en intelligent maar niet wijsneuzerig of (onnodig) complex, en met de intentie om het ‘popgevoel’ en een soort van typisch Britse klankkleur (XTC, The Beatles) te waarborgen. Ik verwacht eerlijk gezegd niet dat “Plumb” voor de verdiende doorbraak gaat zorgen – een combinatie van de bescheidenheid van deze band en de vaak gemakzuchtige smaak van het grote publiek – doch hopelijk weerhoudt dat Field Music er niet van om op deze voet door te gaan.

PULLED APART BY HORSES – Tough love sample
Een PABH optreden is een energieke en opwindende aangelegenheid, zo kan ik verzekeren, en “Tough love” is een plaat die recht doet aan hun live reputatie, zelfs beter dan het live album “Live in Leeds”. Niet dat het de voorganger uit 2010 daaraan ontbrak, maar “Tough love” is gewoon beter, compacter, steviger. Een kwestie van meer spelen, goede productie en nummers die staan als een huis. Single “V.E.N.O.M.”, waarmee de plaat opent, is net zo venijnig als de titel doet vermoeden, en tevens de start van een dik half uur aan samengebalde (hardcore) punk, rock met ballen en schreeuwzang. “Tough love” doet je de volumeknop van je versterker / iPod als vanzelf een ferme ruk naar rechts geven.

BRETON – Other people’s problems sample
“Een stukje Friendly Fires, een brok punkfunk, “dit lijkt op Foals”, hiphop beats, dub en elektronica met een twist.” Ik citeer hier mezelf uit een verslag van het London Calling festival in november jongstleden, waar men de vooruitziende blik had om dit toen onbekende vijftal – zelfs ik kende ze niet, ahum – aan de line up toe te voegen. Ondertussen is een half jaar verstreken, en is het debuutalbum een feit. Zoals ik de band omschreef op basis van hun optreden, gaat deels op voor “Other people’s problems”, want ik hoor verschil tussen Breton op plaat en op de bühne. Vervang in het citaat de punkfunk door electrorock, zet ‘step’ achter ‘dub’ en ik zit meer in de buurt van het geluid van Breton. “Jostle” en “Governing correctly” drukken de hand met Friendly Fires, en sommige zanglijnen doen aan Foals denken, maar Breton is verder toch vooral zichzelf. En het van een aanstekelijk koortje voorziene “Interference” zou best als single dienst kunnen doen.

WHITE RABBITS – Milk famous sample
De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik dit in New York gevestigde sextet  had geoormerkt als een nieuwe band, maar “Milk famous” is al hun derde album dat me toch redelijk nieuwsgierig maakt naar zijn voorgangers. De plaat bevat indierock waar vooral stukjes en beetjes van Radiohead in te herkennen zijn (“Hold it to the fire”, “Are you free”) die echter zijn gebruikt als creatieve bouwstenen om tot een eigen smoelwerk te komen. Dat de band dit mede probeert te bewerkstelligen door gebruik te maken van twee drummers, kan ik er niet aan af horen, maar dat doet verder niets af aan de kwaliteit van het gebodene. Dat blijkt wel uit de al genoemde songs, als ook bijvoorbeeld “Temporary”en “Danny come inside”.

THE STEPKIDS – The stepkids sample
Op sommige platen stuit ik pas geruime tijd nadat ze voor het eerst het levenslicht zagen. Zo ook hier, want “The stepkids” is al een half jaar oud. Beter laat dan nooit, want “The stepkids” verdient het niet om over het hoofd te worden gezien. De band bestaat uit drie Amerikanen (Dan Edinberg, Jeff Gitelman, Tim Walsh) die samen als sessiemuzikanten hun sporen hebben verdiend (o.a. voor Alicia Keys en Lauryn Hill) en nu voor eigen succes gaan. Het is ze gegund, want hun goed geproduceerde melange van psychedelische soul en dito funk en pop – “Psychedelic shack” van The Temptations is nooit ver weg evenals Isaac Hayes aan de LSD – waar retro en futurisme hand in hand gaan, spreekt creatieve boekdelen. Hoogtepunten? “Shadows of behalf” doet aan als een gelukzalige trip, het eigenzinnige “Brain  ninja”, en “Wonderfox”.

NZCA / LINES – Nzca / lines sample
Niet te verwarren met de rockband Nazca Lines uit Seatte, dit eenmansproject van Michael Lovett die met zijn debuutalbum behoorlijk 80er jaren getinte synthesizerpop weer van een nieuwe impuls voorziet. Een flard oude Human League, idem Ultravox daar, zonder klakkeloos de sound van weleer na te doen, als wel oppoetsen met een doekje dat het koper ook een contemporaine R’n’B glans meegeeft. Dichter bij het heden mogen bands als Hot Chip en Metronomy tot zielsverwanten worden gerekend. Net als het echte Nazca patroon is hier sprake van een fraaie stroomlijning die misschien nog het best wordt geïllustreerd door tracks als “Compass points”, “Okinawa channels”, “Nazca” en “Work”.

WIM – Wim sample
Achter WIM gaat geen Nederlander of Vlaming schuil die besloot om zijn doodgewone, niet bepaald showbizz waardige voornaam te gebruiken voor zijn muziek. WIM bestaat namelijk uit vier Australiërs (uit Sydney), en als je er al een voornaam op zou willen plakken, dan zou je bij eerste song “Colossus” geneigd zijn om ‘Rufus’ te gebruiken. Daarmee bedoel ik dus dhr. Wainwright, want daar heeft de stem van WIM zanger Martin Solomon behoorlijk wat van weg. En omdat het gedragen, volwassen  “Colossus” – de band op zijn best, als ik zo vrij mag zijn – zeker niet zou misstaan op het repertoire van Rufus, wordt de associatie alleen maar versterkt. Over een vergelijking met Grizzly Bear  doet WIM zelf ook niet moeilijk, getuige een quote uit de Los Angeles Times die een prominente plek op hun website bekleedt. Tot slot, WIM refereert wel degelijk naar ene Wim, namelijk de Duitse filmmaker Wim Wenders. Hij mag zich, gelet op de kwaliteiten van WIM, best vereerd voelen.

ZULU – Way of the Zulu sample
Een anachronistische release, want alleen uitgebracht op audiocassette. Maar goed dat ik er een downloadcode bij kreeg want anders had ik het kleinood niet eens kunnen afspelen! Afijn, met een cassette ga je tegen de stroom in dus het zal weinig verbazing wekken als ik zeg dat Zulu zichzelf afficheert als punk. “Way of the zulu” mag dan de titel wezen, maar in de digitale versie heet het opeens ‘studio demos’ en dat dekt de lading stukken beter. De muziek zit ergens tussen The Eighties Matchbox B-Line Disaster, Black Wire en Black Flag in (allemaal reeds lang ter ziele) met een lichte ‘gothic’ (80s style) tic. De weg die Zulu bewandelt is behoorlijk platgetreden. De energie en attitude is er, aan de nummers moet nog geschaafd worden. De lat dienen ze te leggen bij “Bloody & rare”, want dat is de beste van het stel. 

Met terugwerkende kracht

THE OUTSIDERS – Calling on youth sample
Voordat Adrian Borland zich met succes stortte op The Sound en minstens twee klassiekers naliet tijdens de hoogtijdagen van new wave, was hij eind jaren zeventig in redelijke obscuriteit de aanjager van punk trio The Outsiders. Twee albums brachten ze uit, waarvan “Calling on youth” de eerste was. Veel reden tot vreugde geeft deze heruitgave niet. Het punkgehalte is behoorlijk laag (“Hit and run”, “Calling on youth” en dat was het wel zo’n beetje) en de rest zwalkt tussen 70s rock (“I’m screwed up”), ingetogen en ietwat jazzy (“Break free”), singer songwriter (“Start over”) en een strontvervelende ballad (“Walking through a storm”). Geen wonder dat ze outsiders bleven en als een nachtkaars uitgingen. Maar goed dus dat Borland zich een paar jaar later met verve wist te revancheren.

Singles

ZULU WINTER – You should be swimming sample

De tweede single van dit vijftal uit Londen is een geslaagde sollicitatie naar aandacht en erkenning. Je hoort het in gedachten al op de radio voorbijkomen. En ofschoon ‘slechts’ een demo, is B-kant “Sycamore trees” evenmin te versmaden. Met een sound die een naar succes lonkende symbiose oplevert tussen Friendly Fires en een geïnspireerde Coldplay zwemt Zulu Winter overtuigend naar een winnende tijd.  

CLOUT! – EP sample
Niet te verwarren met de Zuid-Afrikaanse (vrouwen)band die in de jaren zeventig in Nederland hits scoorde met o.a. “Substitute”. Het verschil zit hem in het uitroepteken, en het feit dat deze vijfkoppige Clout! uit Londen afkomstig is en zich in het tegen het experimentele schurkende muzikale spectrum bevindt. Je voelt aan dat Clout! dezelfde invloeden deelt als S.C.U.M. en The Horrors, maar ze doen er iets anders mee en blijven beduidend meer ‘left field’. En nu ik laatstgenoemde toch al genoemd heb: Tom Furse, toetsenist van The Horrors, doet hier een belangrijke duit in het zakje met een prima remix van “Maxwell’s O”.

WOMAN’S HOUR – Jenni sample
Vrouwenuurtje? Niet meteen denken aan de muzikale evenknie van koffietijd-achtig geleuter. De drie mannen en één jongedame – meer een mannenuurtje dus eigenlijk – sprankelen namelijk op hun eerste single. Met dank aan de gitaar die op Vampire Weekendverlof is, en een aangenaam klinkend zangeresje (Fiona Burgess). B-kant “Human” is een ingetogen kruising tussen The XX en Warpaint.

DUANE - Postcard from hell sample
Eén blik op het hoesje van de debuutsingle van deze Duane en je begrijpt waarom hij zichzelf ‘the teenage weirdo’ noemt. Ondanks of juist vanwege die kwalificatie zag Jack White voldoende reden om Duane een plek te gunnen op zijn Third Man (vinyl) label, en hem bovendien op zowel A- als B-kant (“Bubblegum encore”) muzikaal bij te staan op synthesizer. Over een bedje van primitieve electrorock zingt Duane op een wijze die recht doet aan zijn bijnaam. Lichtelijk excentriek.

NIK COLK VOID – Gold E sample
Niki Colk ken ik nog als zangeres / gitarist van indierock / art punk band Kaito, en in die hoedanigheid zag ik haar een leuk optreden geven in Paradiso. Inmiddels is ze sinds een aantal jaren verbonden aan het experimentele noise / dance trio Factory Floor, en met “Gold E” maakt ze haar debuut als soloartiest. Deze single, bestaande uit zowel een regulier vinyl plaatje als een afspeelbare hoes van mettertijd zichzelf afbrekend materiaal (!) – de waarschuwing dat de pick-up naald schade kan oplopen heb ik niet in de wind geslagen – bevat experimentele, metalen klanken, waarin de echo doorklinkt voor Throbbing Gristle en aanverwanten.

HAIM – Forever EP sample
Haim is de familienaam van Danielle, Alana en Este, drie zussen die samen met drummer Dash Hutton deze vanuit Los Angeles opererende groep vormen. Hun eerste visitekaartje bestaat uit deze drie songs tellende EP die als gratis, legale download verkrijgbaar is via hun website. “Forever” bevat drie nummers die pop, folk, R’n’B en vrouwelijke samenzang samenbrengen op een manier die mij aandoet als Amerikaans en geknipt lijkt voor de ‘mainstream’ hitlijsten of soundtrack voor een ‘feel good’ film. Dat is niet bedoeld als kritiek want de liedjes luisteren prettig weg. Maar vaak zal ik er niet naar luisteren.

donderdag 15 maart 2012

Februari 2012

CD’s

THOSE DARLINS – Screws get loose
Met zo’n albumtitel kon je er op zitten wachten, want op moment van schrijven heeft één der Darlins van het eerste uur zich losgeschroefd van de band. Hopelijk vinden ze op tijd een vervang(st)er voor hun aanstaande Europese tournee waarbij ze ook Nederland aandoen. Misschien ben ik wel van de partij want hun (tweede) album is een lekker plaatje dat niet losjes, maar solide in elkaar is geschroefd. De verbindende elementen hebben namen als Blondie, (een ruwe versie van) Bangles, The Gun Club en Ramones. In “Mystic mind” wordt het lichtelijk psychedelisch, en “Waste away” houdt het op country / folk, maar de rest zit op een comfortabel snijpunt van sixties pop, garagerock en indie zoals te horen in “Hives”, “Prank call”, “Fatty needs a fix” en de titelsong.  

KING KRULE – King krule
Een van de eerste namen die werd bevestigd voor het eerstvolgende London Calling festival was King Krule, en dat deed me veel deugd. Want sinds zijn eerste incarnatie als Zoo Kid geniet de nu onder de naam King Krule opererende tiener Archy Marshall mijn warme belangstelling. Een LP volgt later dit jaar maar zijn eerste wapenfeit, een (te) kort durende release (5 songs in 13 minuten slechts), mag dienen als een prima introductie. Zowel de muziek als de stem van Archie intrigeren; spaarzame klanken die het ‘less is more’ principe huldigen. De penseelstreken op het canvas doen denken aan The XX en James Blake, en de zang van Archy kleurt als een minder aardse, wat somberder Billy Bragg die perfect aansluit op de sfeer van elk nummer. Kort maar krachtig. 

FLASH FIKTION – Flash fiktion
In 2010 kocht ik hun eerste ‘double AA side’ single “Leni” / “Science of sleep” op basis waarvan ik de band aanmerkte als eentje met twee gezichten, enerzijds electropunk met een zweem van Klaxons en ‘progpop’ anderzijds. Resultaat: tweemaal geslaagd. Ook de een jaar later verschenen opvolger “Capsules of sun”, een synthesizer popsong à la (wijlen) Late Of The Pier met een Friendly Fires schaduw, kon mijn goedkeuring wegdragen. En nu is er dus het album waarop de drie genoemde nummers te vinden zijn. Gelukkig hoeft de plaat het niet alleen van de singles te hebben, getuige het afsluitende trio “176”, “Nautikal girl” en het ‘Klaxons in goede doen’-achtige “Tomorrow’s people”. Een kleine minderheid wil niet beklijven, maar het merendeel bewijst dat Flash Fiktion heel aardig op koers zit.

ISLET – Illuminated people
Progrock, psychedelica, noise, shoegaze, folk, excentrieke pop, ziehier een korte en waarschijnlijk nog niet eens volledige opsomming van de verscheidene potjes waar het niet voor één gat te vangen kwartet Islet in zit te roeren. En niet alleen van liedje tot liedje, maar vaak ook binnen begin en einde van een nummer. De muziek lijkt vaak bepaald te zijn door intuïtieve ingevingen, sowieso experimenteerdrift en toch weten ze er telkens een goed einde aan te breien. Al moet ik wel bekennen dat het me soms doet duizelen, en mijn brein stiekem wenst dat ze niet alle ideeën ten uitvoer hadden gebracht. Maar de creativiteit van Islet laat zich moeilijk intomen, zoals hun twee eerder verschenen minialbums al aantoonden. Live lijken ze me een interessante beleving, maar dat genoegen heb ik nog niet gehad. Gek dat ze nog niet op London Calling te zien zijn geweest, of zouden ze daar te ‘freaky’ voor zijn? 

Singles

ALABAMA SHAKES – EP
Een hype is het (gelukkig nog) niet, maar aan loftuitingen, aanbevelingen en goede kritieken heeft dit Amerikaanse kwartet geen gebrek. Dan zit je wel gebakken, en gelukkig betreft het geen gebakken lucht, want Alabama Shakes heeft ‘het’ wel degelijk. Dat ‘het’ is niet vernieuwend of vooruitstrevend, maar hun mengsel van soul, klassieke rock en indie met traditionele roots (Otis Redding + Janis Joplin + Kings Of Leon circa 1e album) doet even authentiek als fris aan, met de emotievolle stem van Brittany Howard als ‘X factor’.

DEAF CLUB – Lull EP
Vorig jaar al uitgekomen, doch dit gezelschap uit Wales – echter gezeteld in Londen – is zo gul geweest om hun debuut EP al enige tijd gratis als download aan te bieden. Maak er vooral gebruik van, want het is een cadeau om te koesteren. De vijf sfeervolle tracks herbergen elementen van All About Eve, Slowdive, Siouxsie, Esben And The Witch en folk, met “Hana” en “It/she” als vroege uitschieters. Laat het niet aan dovemans oren gericht zijn…

SISSY & THE BLISTERS – Let her go
Een vijf nummers tellende EP, met “Let her go” als kartrekker. Niet onaardig en meezingbaar, maar The Horrors deden het in hun garagerock fase beter. Dan toch liever de B-kant waar de band lekker van (zwart) leer trekt zoals in het zompige, lawaaierige Cramps-achtige “Mystics” en het energieke “Sleeping around at night”.

BINARY – Prisoner
“Prisoner” is de debuutsingle van deze band uit Londen die, om maar even in te haken op de songtitel, nog enigszins gevangen zit in andermans geluid: The Cure, White Lies, The Bravery en Chapel Club. Wie zich in dat rijtje muzikaal kan vinden, zal zich aan Binary geen bult vallen. Keurig gedaan, iets te keurig zelfs, maar ook voorspelbaar.

CITIZENS! – True romance
Zoals je de bandnaam Therapy? behoort te schrijven met een vraagteken, zo vraagt Citizens! om ze te voorzien van een uitroepteken. En zo’n teken is een schreeuw om aandacht, en dat is iets wat de band vooralsnog niet echt verdient. De single werd dan wel geproduceerd door Alex Kapranos, maar hij liet na om “True romance” te besprenkelen met het toverpoeder waar menig Franz Ferdinand liedje van is doordrongen. Dit is electropop in medium tempo, zonder uitroepteken.




zondag 4 maart 2012

Rats On Rafts / Harry Merry - Sittard : Fenix : vrijdag 24 februari 2012


Voorprogramma’s wil ik nog wel eens bewust missen. Bijvoorbeeld als ik van tevoren weet of sterk vermoed dat ik er toch niets aan ga vinden. Dankzij internet is het makkelijk om even een band te checken. Wat voor muziek maken ze? Spreekt het me aan? Als dat laatste niet het geval is, kan ik het me veroorloven wat later op de fiets te springen. Zo kan ik ook langer op de bank blijven hangen. En met een goede timing kan ik eenmaal aangekomen bij de zaal, zo goed als meteen ‘aanschuiven’ bij het hoofdprogramma waar het me om te doen is. Afijn, een dergelijke ‘strategie’ paste ik toe in maart 2009, toen ik in de Effenaar te Eindhoven naar een concert van de inmiddels overleden Jay Reatard zou gaan. Toen ik de zaal betrad, was het voorprogramma al voorbij. De naam van die support act: Rats On Rafts. Grappig hoe het kan verkeren, want bijna drie jaar later reis ik speciaal voor RAR af naar Fenix in Sittard om ze daar live aan het werk te zien, in het kader van hun promotietournee voor debuutalbum “The moon is big”. Waarom liet ik ze destijds schieten? Simpel: toen hadden ze ‘het’ nog niet en nu wel. Een kwestie van groei, aanscherping en betere liedjes. 

Zoals ik al zei: voorprogramma’s wil ik nog wel eens bewust missen. Deze keer laten we – commando Billy en ik – ons gewoon verrassen. En verrast worden we zeker. Bij de garderobe horen we al vreemde klanken uit de zaal komen die we niet helemaal kunnen thuisbrengen. Een willekeurige bezoeker komt de zaal uitgelopen, houdt bij de garderobe staande en laat ons ongevraagd weten “nog nooit zoiets te hebben gezien”. Een rake constatering, zo ondervinden we niet veel later, als we op het podium de eenmansband Harry Merry aantreffen. De Rotterdamse veertiger – ietwat fors, haar tot op de schouder, verticaal gestreept overhemd – staat achter een Roland keyboard dat rust op een strijkplank. Op een tafeltje naast het keyboard staat een opengeklapte laptop. Waar de muziek precies vandaan komt is even de vraag, want als een nummer of drie later de strijkplank het begeeft, en het keyboard op de grond klettert, valt er geen verschil te constateren. De muziek gaat gewoon door, net als Harry, die zich nergens iets van lijkt aan te trekken. Dat kan ook niet anders met de liedjes die hij ten gehore brengt. Het heeft nog het meest weg van een op hol geslagen kermiscarousel of een dolgedraaid draaiorgel. Harry zingt daar met een zwaar accent overheen, zet af en toe een gek stemmetje op of trekt een scheve bek à la André van Duin, overigens ook een Rotterdammer. Muzikale malloot of geniale gek?

Mafkees of niet, Harry Merry valt moeilijk in een hokje te plaatsen. Je kunt het een ‘novelty act’ noemen, en toegegeven, na een tijdje geloof je het wel, zeker omdat sommige nummers maar geen einde lijken te kennen, doch je moet er maar op (willen) komen. En het vervolgens doen ook, tegen de stroom in, wetende dat onbegrip en spot je ten deel zullen vallen. Maar dat lijkt Harry niet te deren. “Yeah, well, whatever”, luidt een van zijn vanavond ten gehore gebrachte nummers, en het zou ook best zijn levensmotto kunnen zijn. Ik zie de humor wel in van “Sharki supermachine”, dat vooral de aandacht trekt dankzij een vocaal bruggetje dat klinkt als “Eh-uuh, eh-uuh, eh-uuh”, alsof iemand op het punt staat om te kokhalzen. YouTube het even, zou ik zeggen. “The Panorama paper” wordt opgedragen aan zijn favoriete tijdschrift, en “Clarissa” dat pal na het omvallen van de strijkplank door Harry ‘a capella’ wordt gebracht, is een soort van liefdesverdriet omgeven dronkenmansode aan, naar ik vermoed, ene Clarissa. “Jailbird (keep your hands off miss Hilton)” lijkt te zijn geïnspireerd door het kortstondige gevangenisverblijf van Paris, en “The appetite gets satisfied each bite” noem ik puur alleen vanwege de titel. Harry geeft aan het schema niet te kennen en heeft evenmin een idee hoelang hij al gespeeld heeft, en aangezien niemand hem inseint, gaat hij onverstoorbaar door voor die pakweg 20 mensen in de zaal, waaronder het voltallige hoofdprogramma, dat Harry wel lijkt te kunnen waarderen. De grote doorbraak zal er voor Harry vermoedelijk nooit inzitten, en hoe men verder ook over hem mag denken, ik vind het persoonlijk wel een fijne gedachte dat er artiesten / persoonlijkheden als Harry Merry zijn. Al was het maar als tegenwicht voor al die tv-talentenjacht types, gladde wannabees, pseudo alternatievelingen en mediocre meuk. Dit jaar is de plek al vergeven, dus voor 2013 zou ik Harry Merry willen voordragen als Nederlandse inzending voor het Eurovisiesongfestival. Muzikaal gezien hoeft het daar niet zoveel voor te stellen, opvallen des te meer. En dat doet Harry Merry als geen ander.

Opvallen doen ook Rats On Rafts, maar dan toch dankzij hun door hoekige new wave (o.a. The Fall, The Cure circa “Three imaginary boys”, Gang Of Four) beïnvloedde songmateriaal. In november jongstleden stuitte ik op de videoclip van “Lalalala”, als voorproefje van hun optreden op London Calling, en even dacht ik met een nieuw hip Brits bandje te maken te hebben. Ik was aangenaam verrast toen las dat ze uit Rotterdam kwamen. Helaas was hun concert gepland op een zondagmiddag volgend op twee lange avonden met muziek en twee korte nachten van slaap, en gelijktijdig met een pop quiz. Mijn inschatting dat ik ze wel een keer in een zaal dichterbij huis zou gaan zien blijkt een goede te zijn geweest. Jammer genoeg moet de band het vanavond doen met een bedroevende opkomst. Het is de laatste datum van hun korte tour door Nederland, en een dag eerder werd het concert van The Horrors in de Effenaar afgelast waar ze als voorprogramma zouden fungeren. Je zou het ze niet eens kwalijk hebben kunnen nemen als ze voor die anderhalve man en een paardenkop een gedemotiveerde performance hadden neergezet. Doch niets blijkt minder waar, want de band zet een overtuigend optreden neer die de vele thuisblijvers in het ongelijk stelt.

Logischerwijs komt “The moon is big” royaal aan bod, waarbij vooral het titelnummer indruk maakt. “Lalalala” is opvallend absent, terwijl daar toch, zoals eerder gezegd, een videoclip voor is gemaakt. Ook top: het door een repeterend basloopje gedragen “Sailor”. Het uitgesponnen “The moneyman” is zowel een cover van als een geïnspireerde ode aan de Rotterdamse, in de jaren 80 actief zijnde alternatieve band Kiem, wiens frontman Huub Kentie werd gestrikt om de single te produceren. De gitaren klinken lekker stekelig, terwijl de haardos van de voor een solide ritmische basis zorgende drummer Joris heen en weer zwiept. De band speelt strak, en zanger / gitarist David Fagan, wiens ogen deels verscholen gaan achter een haarlok, houdt zijn aankondigingen kort of laat ze achterwege. En met onvervalst Rotterdams accent, zodat zelfs de laatste twijfelaar ervan overtuigd raakt dat Rats On Rafts echt niet van de overkant van het Kanaal afkomstig is. Klap- en slotstuk van de set is het ook “The moon is big” afsluitende nummer “Jazz” dat na een minuut of tien overgaat in een opwindende cover van Suicide’s “Ghost rider”. Na afloop mag DJ Har een poging wagen om de nog verder uitgedunde zaal te vermaken met new wave plaatjes van weleer. Drummer Joris laat zich een paar nummers op de dansvloer zien en daarna wordt het pijnlijk leeg. Zonde, want Rats On Rafts had een volle zaal verdiend. Als de band dit niveau weet te behouden, dan is dat slechts een kwestie van tijd.

Meer foto’s hier!