maandag 8 april 2013

Palma Violets - Amsterdam : Bitterzoet : donderdag 28 maart 2013

Gelet op de enorme, door NME gecreëerde hype (wie anders?) kan het niet anders zijn dan dat zaal Bitterzoet vanavond is uitverkocht. Iedereen, ondergetekende inbegrepen, is benieuwd of Palma Violets, een nog geen twee jaar oude band uit Londen, alle loftuitingen waard zijn. De voortekenen, althans wat mezelf betreft, waren niet gunstig. Aanvankelijk raakte ik geïntrigeerd door de eerste berichten en artikelen waarin de band werd genoemd, mede vanwege muzikale verwijzingen naar onder meer Echo & The Bunnymen en The Doors. Dat was voordat ik één noot muziek van ze had gehoord. Van de eerste paar YouTube clipjes – live gespeelde nummers opgenomen met een telefooncamera – kon ik niet enthousiast worden. Maar vooruit, die waren niet denderend van kwaliteit dus PV kreeg nog het voordeel van de twijfel. Toen debuutsingle “Best of friends” een feit was, maakte zich een vorm van ongeloof van mij meester: “Is dit het nou?” Ja, dat was het dus. “Op zijn best een gruizig garagerocknummer in de trant van de al tien jaar meelopende Black Lips. De nieuwe kleren van de keizer?” oordeelde ik op dit weblog. Ik ben wel wat gewend met betrekking tot NME hypes, maar toen “Best of friends” werd uitverkoren tot ‘Track of the year’ (van 2012) kon ik het blad even niet meer serieus nemen. Vervolgens kwam het album, dat (uiteraard) ook de goedkeuring van de hypemachine kon wegdragen. Ik was echter nog steeds niet overtuigd. En toch… Zou het misschien kunnen dat Palma Violets een band is die je live een keer moet hebben gezien, om de klik te kunnen maken, vroeg ik me af? Waar anderen op genoemde ervaringen wellicht al waren afgehaakt, kocht ondergetekende een kaartje voor Bitterzoet – niet het Nederlandse podiumdebuut trouwens, die primeur had Eurosonic in januari jl. Ter voorbereiding nog maar eens enkele keren het album gedraaid, en verdomd, het begon zowaar te kriebelen. Te pas en te onpas zat ik “Best of friends” te neuriën. Voor de goede orde: “180” is zeker geen briljant of perfect album maar je proeft wel de opwinding en jeugdige overmoed waarmee het is gemaakt en hoe dat live zou kunnen smaken. En dat smaakt goed!

Gelukkig hoef ik niet lang te wachten op de band want dankzij een combinatie van een vlekkeloos verlopen reis, het ontbreken van een voorprogramma, de gunstige locatie van Bitterzoet – een minuut of vijf lopen vanaf A’dam CS – en de stipte aanvang, nemen de vier Britse begintwintigers hun plek in op het podium nadat ik amper vijf minuten in de zaal ben. Vanaf de aftrap spat de energie en het enthousiasme van de band af. Althans voor driekwart, want toetsenist Pete Mayhew, gezeten achter zijn orgeltje aan de zijkant van het podium, is de rust zelve en speelt zijn partijen met een blik die het midden houdt tussen ernst en gelatenheid. Dat het er soms op lijkt dat het voor Pete allemaal niet zo nodig hoeft, is echter maar schijn want tijdens de toegift, als zijn orgeldienst erop zit, staat hij als een jonge hond op en neer te stuiteren achter een gedeelde microfoon. Collega Alexander ‘Chilli’ Jesson bewaart zijn geestdrift niet voor het slot want daar geeft hij al blijk van zodra hij zijn bas heeft omgegespt. Chilli wil er iets speciaals van maken, laat hij ons weten, en iedereen wordt daarbij betrokken. Mensen op het balkon en achterin de zaal worden opgejut en wanneer Chilli de toeschouwers aanspoort om onze handen in de lucht te doen, geeft menigeen daar gehoor aan, van voor tot achter, en van onder tot boven. Drummer Will Doyle beloont de bijval door op zijn kruk te gaan staan en een triomfantelijke pose aan te nemen waardoor ook meteen zijn kleurige korte broek zichtbaar wordt. 

Begeesterde taferelen zoals hierboven omschreven krijg je alleen voor elkaar als de muziek daar ook aanleiding toe geeft. Palma Violets moeten het niet hebben van technische begaafdheid, originele invalshoeken of briljante liedjes maar ze brengen het met zoveel elan en schwung dat je ze die tekortkomingen al snel vergeeft. Hun garage/indierock songs lenen zich er voor om mee te brullen (vooral het refrein van “Best of friends”, zoals vanavond blijkt), wat op en neer te springen (“Rattlesnake highway”, “Tom the drum”, met name in de frontlinie pal voor de bühne) of de soundtrack te laten zijn van een avondje uit terwijl het bier rijkelijk vloeit. Dan maakt het ook niet zoveel meer uit dat de fundering soms rammelt, (aanstekelijk) uit de bocht vliegt of dat het compositorisch en tekstueel niet altijd tot de hoogvliegers behoort (“All the garden birds”). “I wanna be your friend”, klinkt het in de single, en vanavond willen we maar wat graag maatjes worden met de jonge, gretige honden. Vanwege het gedeelde frontmanschap en de innige band tussen Chilli en zanger / gitarist Sam Fryer is al vaker een vergelijking met (Pete & Carl van) The Libertines gemaakt. Voor een deel gaat die vlieger op en ook bij vlagen aangaande de muziek. Gelukkig heeft Palma Violets geen last van aspiraties met betrekking tot ‘junkie chic’ of de hogere kunsten (dichten en acteren, zoals Pete Carl) maar zijn ze veel meer een viereenheid die het al te gek vindt überhaupt op een podium te staan, met ‘lang leve de lol’ hoog in het vaandel geklad. De beste nieuwe Britse band, alle kretologie van NME ten spijt, zijn Palma Violets dan weer niet – ik noem bijvoorbeeld Savages als meer serieuze kandidaat – maar ze zijn zonder twijfel wel een van de meest leuke en vitale die je momenteel live kunt meemaken.

Setlist (bij benadering bepaald, doch mogelijk geheel correct!) : Johnny bagga donuts * Rattlesnake highway * All the garden birds * Tom the drum * Best of friends * Step up for the cool cats * Last of the summer wine * We found love * 14 * (toegift) Invasion of the tribbles * Brand new song

Meer foto’s hier en een filmpje daar!

woensdag 3 april 2013

The Internet / Kilo Kish / C2C - Amsterdam : Paradiso : dinsdag 19 maart 2013

Het is nog vroeg in de avond, rond kwart voor zeven, en de eerste concertgangers staan al te wachten voor de deur van Paradiso met uitgeprinte tickets in de hand. Ze zijn hier voor het uitverkochte concert van het Franse DJ kwartet 2C2 dat om 20.30u van start gaat in de grote zaal. Deze vroege vogels, die zich waarschijnlijk verzekerd willen weten van een goede sta- of zitplaats, mogen echter nog niet naar binnen. Dat geldt wel voor degenen die een kaartje hebben voor het dubbelconcert in de kleine zaal waar beduidend minder belangstelling voor is: The Internet en Kilo Kish. Maar dat zijn dan ook (nog) geen bekende of populaire acts, al zijn ze verbonden aan een collectief waarvoor dat wel geldt: Odd Future. The Internet leden Syd tha Kyd en Matt Martians (Sydney Bennett en Matthew Martin volgens de burgerlijke staat) maken namelijk deel uit van Odd Future, terwijl Kilo Kish (het alias van Lakisha Kimberly Robinson) op haar twee tot dusverre uitgebrachte mix-tapes assistentie kreeg van diverse OF members zoals Earl Sweatshirt, Tyler The Creator , Syd en Matt. De diverse afgeleiden en solo-activiteiten van Odd Future vind ik beduidend interessanter dan het ‘moederschip’ zelf. Zo had ik vorig jaar liever OF lid Frank Orange op Pukkelpop gezien – maar die moest helaas verstek laten gaan – dan OF – voluit OFWGKTA (Odd Future Wolf Gang Kill Them All) – dat er wél stond. En “Purple naked ladies”, het debuutalbum van The Internet, hoefde vorig jaar in mijn lijst van favoriete langspelers slechts één concurrent boven zich te dulden. The Internet en Kilo Kish hebben nu de handen ineengeslagen ten behoeve van een Europese tournee die vooral bestaat uit diverse data in Engeland, en verder alleen Brussel, Amsterdam en (als laatste) Parijs omspant. 

Om Kilo Kish, die het spits mag afbijten, de aanblik van een nagenoeg lege zaal te besparen, wordt de geplande aanvang wat naar achteren geschoven. Waarschijnlijk met de bedoeling om zo publiek te lokken dat binnenstroomt voor het C2C concert en in de aanloop daarvan ze een ‘bonusoptreden’ aan te bieden. Tegen de tijd dat de zaal voldoende is gevuld, en de Kilo Kish begeleidende dj Kitty Cash (Cachee Livingston) bij wijze van warming up er wat rap en hiphopplaatjes tegenaan heeft gegooid, maakt de 22-jarige artieste haar entree op het kleine podium. Onder haar krullenbol gaat een zachtaardig gezicht schuil, een smaakvol bloemetjespak en nette, hippe schoenen. Niet het prototype van een vrouwelijke rap / hiphop artiest. Ze gaat van start met “Navy”, een van de tracks, en naar mijn smaak het beste nummer, van haar eerste mix-tape “Homeschool”. Haar tweede release, “K+”, is nog niet zo lang uit, en net als zijn voorganger gratis te downloaden via haar website. “K+” heb ik pas een dag in ‘mijn bezit’ en op weg naar Amsterdam hoor ik de nummers pas voor het eerst. Op het eerste gehoor spreekt het me minder aan dan “Homeschool” waar de productionele invloed van The Internet er vanaf druipt. Het lome, jazzy “Navy” met zich gracieus ontvouwende synthesizerklanken in het refrein, had dan ook naadloos op “Purple naked ladies” gepast. De rap/zang van Kilo Kish is zoetvloeiend, relaxed en terughoudend, en de beats lenen zich er goed voor om zachtjes met het hoofd mee te bewegen.  

“Just say something! Anything!” spoort Kilo Kish een aantal toeschouwers aan die zij haar microfoon onder de neus drukt. De knul die al vanaf minuut één tegen het lage podium staat aangeplakt – en er in zijn merkbare bewondering voor de zangeres nog net niet tegenaan staat te rijden – hoeft zich geen seconde te bedenken. “I love you!” brult hij geestdriftig in de microfoon. Een vriend van hem springt de bühne op, gaat naast Kilo Kish staan en vereeuwigt zichzelf met haar met behulp van zijn mobiele telefoon. “I just gotta do this!” verklaar de jonge fan, om vervolgens nog een foto te maken. Overigens, na haar optreden, Kilo Kish staat dan pal naast me naar The Internet te kijken, wordt ze nog een paar keer door deze jongens en andere fans bestookt met verzoekjes om samen met hen te poseren voor een foto. Zoals gezegd heb ik “K+” pas één keer beluisterd dus ik ben er nog niet vertrouwd mee. “Trappin’” herken ik wel, maar het noemen van “Turquoise” en “Creepwave” doe ik op de gok. Kilo Kish beweegt subtiel ritmisch mee met de muziek en charmeert het publiek met haar innemende glimlach. De opgewonden knullen zullen vast de avond van hun leven hebben gehad. Talent heeft de rapper/zangeres zeker, en een doorbraak valt niet uit te sluiten, maar zelf vind ik het meer OK dan bijzonder.

Na een minuut of twintig aan ombouwpauze maken we verbinding met The Internet. “Weird-ass music”, zo omschreven Syd(ney) en Mat(thew) hun muziek ooit. Na beluistering van hun (debuut)plaat “Purple naked ladies” kwam ik tot de volgende lovende woorden: “…Lavalamp soul / hiphop voor de 21e eeuw; het is hoe de muziek zich lijkt te bewegen: ondoorgrondelijk, vloeiend en fascinerend. En heel erg van nu, eigenzinnig wijzend naar de toekomst...”. Het is een plaat die mij ook deed afvragen hoe ze dat live gingen vertalen. En zouden dan alleen de twee kernleden van The Internet dit voor elkaar gaan boksen? Het drumstel en een keyboard die al voorafgaande aan het optreden op de bühne zijn opgesteld, zijn een eerste, duidelijke hint. Uiteindelijk blijkt de live incarnatie van The Internet uit vijf leden te bestaan. Matt mag niet ontbreken natuurlijk, maar opvallend genoeg is hij degene die zich het meest op de vlakte houdt. Met muts op en jas aan, staat hij achter een keyboard waar hij meer voor de accenten lijkt te zorgen als aanvulling op het prominente toetsenwerk van Tay Walker die ook in zingend opzicht een aandacht opeisende rol vervult. Een drummer en een bassist zorgen voor een solide ritmische ondergrond en als laatste duikt Syd op in een Odd Future sweater die ze al snel uittrekt, gevolgd door haar kleurige gympen. Net als Kilo Kish is de op kousenvoeten optredende Syd vriendelijk, goedgemutst en ook even dankbaar als verbaasd dat er meer mensen zijn komen opdagen dan ze had verwacht. Het komt gemeend over.

Het is even voor ondergetekende wennen om de vaak gedraaide songs van “Purple naked ladies” in een ander jasje te horen. Natuurlijk, de songs zijn hetzelfde gebleven maar live gespeeld, met gebruikmaking van instrumenten die op plaat minder hoorbaar of als zodanig herkenbaar zijn, in combinatie met het wegvallen van experimentele studio-effecten (verknipte stemmen, bewust wiebelende, zwabberende geluiden) doen ze beduidend minder ‘weird-ass’ (hun woorden dus) aan dan verwacht. De liedjes zijn als het ware ‘ver-North Sea Jazz-st’. Want in deze vorm is de band geknipt voor het genoemde jazzevent, terwijl je ze op basis van het album eerder associeert met vooruitstrevende popfestivals à la Pukkelpop of Lowlands. Een beetje spijtig vind ik dat wel, aan de andere kant realiseer ik me dat ik nu ook naar alleen Syd en Matt had kunnen kijken: de een zingend, de ander alle muziek uit een knoppendoosje producerend, en dat is minder spannend om te zien. Ofschoon het ‘alien’ karakter van de songs hier op het podium een meer aardser vorm heeft aangenomen, tast dit de kwaliteit van de liedjes niet aan. Het valt te prijzen dat de band in de uitdaging van een ‘studio naar bühne’ transformatie van het songmateriaal een weg heeft gevonden die The Internet toegankelijker maakt maar nog voldoende eigenzinnigheid doet behouden. Vanavond staat in het teken van “Purple naked ladies”, dat beginnend met “They say” onder andere vertegenwoordigd wordt door “She dgaf”, “Cocaine”, “Gurl” en “Ode to a dream”, de laatste met Kilo Kish als gastvocalist, net als op de plaat. Keyboardspeler (en filmacademiestudent) Tay Walker krijgt met “Karma” – geen nummer van The Internet, maar van hemzelf – de gelegenheid om zichzelf als soulvolle soloartiest te profileren. De internetverbinding wordt na een klein uur verbroken, genoeg om de nieuwe smaak van het muzikale websurfen te hebben geproefd. Minder ‘odd futuristic’ dan verwacht maar nog steeds een interessant toekomstperspectief.  

Na een vruchteloze poging om mijn zoveelste T-shirt aan te schaffen – The Internet was al vóór de komst naar Amsterdam door de hele voorraad heen, en ironisch genoeg zijn ze ook niet na te bestellen via het internet – loop ik nog even het balkon op van de grote zaal waar het Franse DJ-collectief C2C voor een uitverkocht publiek zijn kunsten vertoont. Voor alle duidelijkheid: we hebben hier niet te maken met een stel draaiers van andermans platen maar met een kwartet dat voor eigen product gaat. En dat ‘product’ gaat erin als koek, getuige de publieksreacties. De vier Fransen, keurig naast elkaar opgesteld met ieder onder de neus een oplichtende draaitafel, gooien er een goed verteerbare mix van dansstijlen tegenaan – niks te extreems overigens – waarmee ze zichzelf al verzekerd hebben van een plekje op het affiche van het eerstvolgende Pinkpop festival. Mij waren ze tot dusverre onbekend maar ik begrijp wel waar ze hun Pinkpopinvitatie aan hebben verdiend. Ik gok met vrij grote waarschijnlijkheid dat er dan sprake zal zijn van een uitpuilende tent – oftewel de ‘Brand Bier Stage’ zoals het op Megaland is gedoopt – waarin het publiek een uur of wat wordt opgezweept door deze enthousiaste Fransozen.

Meer foto’s hier!

woensdag 20 maart 2013

Foals / Jagwar Ma - Amsterdam : Paradiso : zaterdag 16 maart 2013

Vijf jaar geleden zag ik Foals voor het eerst live op het eerste Polsslag festival in de Ethias Arena te Hasselt. Het festival heeft het na een tweede editie in 2009 niet overleefd, maar Foals is ‘still going strong’. Sterker nog: het is de band sindsdien alleen maar voor de wind gegaan, zowel in artistiek opzicht als qua publieke belangstelling. In thuisbasis Engeland sowieso, maar ook in Nederland. Van dat laatste word ik me eigenlijk pas goed bewust op deze avond dat de band in een al sinds weken uitverkocht Paradiso staat. Als trouw lezer van NME kan ik goed inschatten hoezeer een bepaalde ‘indie band’ in Engeland in trek is, maar aangezien ik geen luisteraar ben van 3FM of andere Nederlandse radiostations en ik de OOR nog slechts terloops lees, kan ik niet altijd goed inschatten hoe populair diezelfde band in Nederland is. Wat Foals betreft hoef ik me dat niet meer af te vragen, getuige de publieksreacties die de band in Paradiso teweeg weet te brengen. Het leidt op momenten tot bijna euforische taferelen, en daar word ik aangenaam door verrast. 

Over euforie gesproken: dat gevoel overspoelt me al bij het voorprogramma. Maar ik heb dan ook erg uitgekeken naar Jagwar Ma van wie ik hoge verwachtingen heb. Op de website van Paradiso stond pas één dag voor het optreden vermeld dat Jagwar Ma als support act was toegevoegd, maar voor mij kwam het niet als een verrassing omdat ik het weken eerder had vernomen via de Facebookpagina van de band. Daar was ik bewust op zoek gegaan naar zowel tourneedata als meer informatie over de band, getriggerd door een enthousiasme voor de band na hun eerste twee singles te hebben gehoord (en daarna gekocht), te weten “Come save me” en “The throw”. Wat ik al wist: Jagwar Ma is een Australisch duo bestaande uit de musicus / producer Jono Ma en Gabriel Winterfield. Live worden de met knoppen, toetsen, schuiven en een enkele keer met een gitaar in de weer zijnde Jono en zijn zingende, gitaar spelende en niet te vergeten dansende kompaan Gabriel bijgestaan door een langharige slungel op basgitaar. Laatstgenoemde, wiens naam me verder onbekend is, heeft soms niets te doen of doet alsof, en in het laatste nummer, “The throw”, gaat hij voor de meest verstandige keuze: basgitaar afgespen, in een houder plaatsen en daarna lekker en met overgave dansen op de muziek van Jagwar Ma. Want dat is wat de band met je doet: ze geven je zin om te gaan dansen. Een half uur lang, om precies te zijn, want zolang duurt het optreden. Meteen vanaf de aftrap is het raak met “What love?”, nota bene een B-kantje (van “Come save me”) dat doet denken aan zowel “Screamadelica” van Primal Scream – en dan vooral het gelijknamige nummer – als “W.F.L.” van Happy Mondays, met de vocale inbreng van The Charlatans’ zanger Tim Burgess. Dat plaatst het liedje qua sound in de periode ‘Madchester’, eind jaren tachtig, begin jaren negentig, en daar heb ik enkele goede muzikale herinneringen aan.    

Wat ik tot nog toe aan liedjes ken van Jagwar Ma, wordt ook gespeeld, maar goed, zoveel hebben ze nog niet uitgebracht. Beide singles worden gelukkig als ‘extended version’ uitgevoerd, dus over de volle lengte. De ingekorte radioversies zijn ook goed maar net als die lekker op stoom beginnen te komen en de luisteraar meenemen naar een house party / rave, begint de muziek uit te faden. Vanavond zijn we echter allemaal uitgenodigd om live deel te nemen aan deze party waar de songs alle ruimte krijgen om dat ‘dansen met je hoofd in de wolken’ gevoel op te wekken. Een mini-rave, als het ware, want zoals gezegd heeft de band maar dertig minuten speeltijd maar dat is voldoende om voor de volle 100% te overtuigen. Toegegeven, behalve die paar meisjes helemaal vooraan het podium die daadwerkelijk bewegen alsof ze door het Madchester virus zijn aangestoken en de band zelf, willen de voetjes in de volgepakte zaal nog niet bepaald van de vloer. Maar dat is slechts een kwestie van schroom want de aandacht heeft Jagwar Ma wel te pakken. Om me heen geen geroezemoes of uitgebreide gespreksvoering, altijd een goede graadmeter in de hoofdstad… Over hopelijk niet al te lange tijd zal Jagwar Ma met een album onder de arm op eigen kracht hier terugkeren, en dan houden ze vast een langer durend feestje waarop niemand meer kan of wil stilstaan.

Een half uur later dan gepland – maar dat gold al voor Jagwar Ma, en het lijkt eerder regel dan uitzondering te worden – betreedt gitarist Jimmy Smith het podium. Onder gejuich van het publiek begint hij met het inleidende “Prelude” terwijl daarna één voor één zijn bandcollega’s hun plek innemen. De meest enthousiaste kreten zijn weggelegd voor zanger / gitarist Yannis Philippakis. Achter de band is een langwerpig wit doek gespannen. Er wordt niets op geprojecteerd, het verandert alleen van kleur, afhankelijk van in welke gekleurde lampen het podium wordt gebaad. Geen uitgekiende lichtshow, films, dia’s of andere visuele stimuli dus maar dat heeft de band ook niet nodig. De meest ‘buitenissige’ momenten zijn de stagedive van Yannis met de gitaar nog om, drummer Jack Bevan die op zijn kruk gaat staan en de armen omhoog heft teneinde de toeschouwers aan te sporen, en een richting einde van de set center stage geplaatste drum waar Yannis zich op mag uitleven. Zoals eerder aangegeven, ben ik verrast door de reacties van het publiek. Opgewekte single “My number” komt al snel in beeld, mensen veren op, er wordt gesprongen, gedanst, en dat viel te verwachten. Een nog grotere ontlading vindt plaats tijdens “Balloons”. In het midden van de zaal ontstaat een ronde, door een deel van het publiek gecreëerde open ruimte, alsof zich daar iets of iemand bevindt waaromheen iedereen is gaan staan. Maar de plek blijft leeg totdat deze middels een vloeiende, gecoördineerde golfbeweging door het naar elkaar toe bewegende publiek wordt opgevuld, waarna iedereen aan het dansen slaat. Geen idee of dit iets nieuws is, hoe het heet of dat het een spontane actie is, maar het ziet er – zeker vanaf boven bekeken – intrigerend uit. Gedurende het hele optreden hangt er een golf van opwinding in de zaal, van het soort dat ik hier in Paradiso eerder zag bij ‘indie toppers’ Franz Ferdinand en Bloc Party.

Het songmateriaal is vanavond gelijk opgedeeld tussen nieuw (“Holy fire”) en oud (“Antidotes” en “Total life forever”). In de laatste categorie zijn songs van het debuutalbum niet alleen getalsmatig in het voordeel maar ze sluiten ook beter aan op de frisse toegankelijkheid die het gros van de liedjes op “Holy fire” karakteriseert. De muzikale kwaliteiten van de bandleden, in het bijzonder de hechte en stuwende ritmesectie Walter Gervers (bas) en de reeds genoemde Jack als ook de helemaal in zijn spel opgaande Jimmy, doen Foals boven zichzelf uitstijgen. Met drie albums op zak is het voor de band keuzes maken wat betreft de setlist maar gelet op de geestdriftige manier waarop het publiek zich uitleeft op wat wél aan bod komt, lijkt niemand een wellicht verwachte favoriet als “Cassius” te missen. Helaas moet ondergetekende wel wat missen, en dat zijn de toegiften – waaronder “Inhaler” – want de laatste trein huiswaarts houdt geen rekening met dit concert. Jammer, want dit is het beste Foals concert dat ik tot dusverre heb meegemaakt. Het is daarom ook zo wrang dat ik achteraf gezien tot het einde had kunnen blijven want vanwege een ‘verdacht pakketje’ op CS Utrecht blijkt mijn te halen trein (en alle andere treinen van en naar genoemd station) te zijn gecanceld en pas een minuut of veertig later begint het spoorverkeer pas weer op gang te komen. Na een langdradige rit met een intercity die als stoptrein wordt ingezet, twee aparte busritten, valse of gebrekkige communicatie en daarmee gepaard gaande onzekerheid of ik überhaupt wel thuis geraak, kom ik uiteindelijk rond half 3 ’s nachts tamelijk gaar aan op mijn plek van bestemming. Doch eenmaal thuis heb ik dankzij het meemaken van en de herinnering aan twee uitstekende concerten de reisperikelen al snel uit mijn hoofd verbannen en trek ik tevreden mijn verse Foals T-shirt aan. Wanneer ik twee dagen later verneem dat de band voor Pukkelpop 2013 is geboekt, kan ik een “Yes!” kreetje maar met moeite onderdrukken. Kan ik in augustus aanstaande alsnog “Inhaler”… eh… inhalen. En na wat ik in Paradiso heb gezien en gehoord, zal Foals’ ‘holy fire’ er dan geheid weer de vlam in de pan doen slaan. Een brandalarm om naar uit te kijken. 

Setlist Foals: Prelude * Olympic airways * Miami * My number * Out of the woods * Blue blood * Milk & black spiders * Balloons * Late night * Providence * Spanish Sahara * Red socks pugie * Electric bloom * (toegift) Moon * Inhaler * Two steps, twice

Meer foto’s hier en een filmpje daar!

Iceage / New Bleeders - Eindhoven : Area51 : woensdag 06 maart 2013

Eén van mijn favoriete albums in 2011 was “New brigade”, het debuutalbum van het uit Kopenhagen afkomstige Iceage: een overrompelende plaat en een frisse wind in het punkgenre, dankzij de post-punk ambities en compromisloze aanpak. Om diverse redenen lukte het mij vorig jaar maar niet om een concert van de band bij te wonen, toen Iceage een keer of drie – als ik goed heb geteld – Nederland aandeed, met tussenpozen van een aantal maanden. Met een kersvers tweede album getiteld “You’re nothing” zijn ze terug in het land, en wel – waar anders, zou ik bijna zeggen – in het zich binnen korte tijd als punk- en garagerock ‘hot spot’ gemanifesteerde Area51 te Eindhoven, dat overigens voornamelijk de functie heeft van skateboardhal. Omdat het concert plaatsvindt op een avond wanneer ik normaal gesproken werkzaam ben, mis ik vanwege werk en heenreis twee van de maar liefst drie support acts. Normaal gesproken ben ik daar niet rouwig om, want slechts zelden kunnen voorprogramma’s me bekoren, maar na New Bleeders te hebben gezien, begin ik me af te vragen of ik aan de twee voorafgaande acts wellicht iets goeds heb gemist. Want ‘goed’ is een kwalificatie die beslist van toepassing is op de vijf mannen uit Sint-Niklaas (België). Ik kende de naam van de band noch hun muziek niet dus New Bleeders is in alle opzichten een aangename verrassing. Ik begrijp van hun website dat de band onder de naam Vegas! in 2009 op de affiche van Pukkelpop prijkte maar voor zover ik heb kunnen nagaan is ze dat onder hun nieuwe naam nog niet gelukt. Hopelijk brengt Chokri daar snel verandering in. 

Het kwintet – verwarrend genoeg een viertal volgens de al genoemde website, dus één lid is vanavond ‘te gast’ – maakt op Amerikaanse leest geschoeide alternatieve post-hardcore / noise rock. Twee namen die me al gauw te binnenschieten zijn The Jesus Lizard en Liars dus in die hoek moet worden gezocht. De ritmesectie is dwingend, de dubbele gitaren zorgen van meet af aan voor aandacht trekkende lagen en de vocalist, die tevens een klein soort keyboard bedient dat Theremin-achtige geluiden produceert, zingt met overtuiging. De amper een half uur durende set biedt de nodige variatie waaruit blijkt dat New Bleeders niet eenkennig zijn in hun stijl van muziek. De afwisseling houdt het optreden spannend en het publiek bij de les, van begin tot einde. Er valt dus geen misser te noteren, maar als ik dan toch een paar hoogtepunten mag noemen, dan geldt dat voor “Ox blood”, “Double amputee” en “Crimson tides”. Tijdens het laatste nummer baant de zanger zich snel een weg door het publiek, beklimt de bar om daar verder te zingen, om uiteindelijk naast mij op de grond liggend – voor alle duidelijkheid: ik sta zelf rechtop – de laatste kreten uit zich te persen. New Bleeders: bloody good! 

Een kleine dertig minuten later is het podium in gereedheid gebracht voor Iceage. Zou ik de bandleden op voorhand niet al vaker hebben gezien op foto’s in tijdschriften en via filmpjes op internet, dan had ik ze vanavond hoogstwaarschijnlijk met moeite kunnen aanwijzen. De ruwe, felle en snelle muziek van Iceage roept bij mij een bepaald beeld op van het uiterlijk van de makers, en het is verrassend wanneer dat niet met de realiteit blijkt te stroken. Gitarist Johan Surrballe Wieth en bassist Jakob Tvilling Pless zien eruit als keurige jongens, wars van enige punkattitude en onopvallend, bijna netjes, gekleed. Tijdens het optreden zijn ze niet te betrappen op wilde capriolen of stoere poses. Ook drummer Dan Kjær Nielsen doet gewoon zijn ding. Alle focus ligt daardoor op zanger Elias Bender Rønnenfelt maar die geeft daar dan ook alle aanleiding toe. Het eerste dat opvalt is dat hij klein van stuk is, en in combinatie met zijn tienerachtige voorkomen – afijn, hij is een begintwintiger – zou hij zo voor een zestienjarige kunnen doorgaan. Meer Teenage dan Iceage dus. Elias heeft de pest aan alles en iedereen, dat is wat zijn misprijzende, bijna manische, starende blik ons moet duidelijk maken. Het ligt er zo dik bovenop dat ik het aanvankelijk voor een puberale pose aanzie, maar als dat zo is, dan weet Elias dat goed vol te houden. Pal vooraan staat een fan die regelmatig de aandacht van Elias probeert te trekken en hem een aantal malen vastpakt. De zanger moet er echter niets van hebben. Geen lachje, geen handje schudden of een blijk van dankbaarheid valt de fan ten deel, wel dezelfde vernietigende blik die Elias ook de rest van het publiek ‘gunt’. Mocht de vraag zich opdringen waar de titel van het nieuwe Iceage album op slaat, dan is de blik van Elias het ondubbelzinnige antwoord. Wij zijn niks, en met de nodige zelfhaat, schaart de zanger zichzelf daar misschien ook wel onder. De performance van de zanger is in ieder geval intens en onstuimig, en daarmee een visuele vertaling van de muziek. 

De setlist concentreert zich met name op het nieuwe album. Elias kondigt nummers aan, en ook niet meer dan dat trouwens, maar het is niet altijd te verstaan. “Everything drifts” en “Morals” herken ik zonder meer, terwijl bij “It might hit first”, niet heel toepasselijk, pas later een belletje gaat rinkelen. Een aantal songs lijken me nieuw te zijn, want ze komen mij niet bekend voor. Ze wijken in ieder geval niet af van het stramien en doen aan felheid en kwaliteit niet onder voor de rest. Elias gespt voor het eerste nummer een gitaar om, maar daar eenmaal van verlost, lijkt hij meer in zijn element te zijn, en komt het optreden echt tot leven. Hij rolt het snoer van de microfoon om zijn nek, houdt even de handen voor het gezicht en kijkt vervolgens weer met die dodelijke staar het zaaltje in: “You’re nothing”. Het is eigenlijk niet meer dan logisch dan dat het concert daarmee wordt afgesloten. Meteen nadat het nummer “You’re nothing” is beëindigd, houdt Iceage het voor gezien, en van de ene op de andere seconde gaan de lampen aan, start de DJ een plaatje op en beginnen de bandleden met opruimen. Er is nog niet eens tijd om te roepen om een toegift maar dat had toch geen nut gehad. Aangezien de backstage-ruimte zich in een ander gebouwdeel bevindt, moet Elias zich eerst een weg door het publiek banen, en dat doet hij, met het gezicht nog steeds op standje ‘krijg toch allemaal de klere’, zonder iemand een blik waardig te keuren. Hij schampt tegen me aan en negeert me daarbij ijskoud. Maar met een band die Iceage heet, valt zoiets te verwachten, en gegeven het (even korte als) krachtige optreden kan ik er niet mee zitten. Dat het nog maar lang mag vriezen in Kopenhagen. 

Meer foto’s hier!

dinsdag 19 maart 2013

Februari 2013

CD’s

FIDLAR – Fidlar
“I drink cheap beer! So what? Fuck you!” Duidelijker kunnen de vier mannen uit Los Angeles hun levensfilosofie niet maken, en wel meteen in openingsnummer “Cheap beer” dat de aftrap vormt van een langspeler die via even opwindende als aanstekelijke punk en garagerock (denk in de richting van Ramones, Black Lips, The Cramps) de luisteraar mee op sleeptouw neemt langs de geneugten (bier, drugs, seks, skateboarden) en beslommeringen (geen geld voor bier en drugs) waar de band mee te maken heeft. De band houdt het tempo er stevig in, en ofschoon het vakje ‘vernieuwend’ onaangevinkt blijft, mogen termen als vitaal, onderhoudend en enerverend van dikke uitroeptekens worden voorzien. En dat de onderwerpskeuze redelijk één-dimensionaal is, mag de pret niet drukken. Integendeel, het spat er vanaf, en het moet wel heel raar lopen wanneer je niet al gelijk zit mee te blèren tijdens de refreintjes. Fuck It Dude, Life’s A Risk, want daar staat FIDLAR voor, stookt met hun debuutalbum het punk-vuur op, en menig moshpit heeft er al baat bij gehad. Meer dan een dik half uur hebben ze niet nodig, dus kom op Jan Smeets, daar moet op Pinkpop toch nog een gaatje voor te vinden zijn! 

ICEAGE – You’re nothing
Eén van de beste platen van 2011 was – naar mijn mening – debuutalbum “New brigade” van het Deense Iceage: een rauwe, opwindende en tegendraadse cocktail van (hardcore) punk, noise en post-punk. De brigade is nu twee jaar verder, niet meer ‘new’ dus, maar er is (gelukkig) weinig veranderd. “You’re nothing” klinkt strakker en minder drukkend dan “New brigade” en alle instrumenten zijn nu beter in de mix te horen doch zanger Elias Bender Rønnenfelt klinkt nog even woedend, wanhopig en getergd, en de muziek heeft niets aan urgentie, slagkracht en furie verloren. Dat geldt ook voor het balladeachtig overkomende “Morals” waarin zowaar een piano opduikt alsmede een drumpartij die hoort bij een gang naar het schavot. Met “You’re nothing”, een titel waar het punknihilisme vanaf druipt, bewijst Iceage dat er van enige dooi nog zo goed als geen sprake is en dat ze ijskoud hun eigen gang zijn blijven gaan.  

GIRLS NAMES – The new life
De eerste band die ik dit jaar live zag optreden was het Ierse kwartet Girls Names. Tijdens dat optreden speelden ze diverse nummers van het toen nog niet verschenen tweede album “The new life” die daar erg nieuwsgierig naar maakten, waaronder het titelnummer. Wat zich toen openbaarde, wordt door dit album bevestigd: GN heeft de koers verlegd van surfnoisegarage / C86 / The Jesus And Mary Chain pop naar de new wave van de vroege jaren tachtig, met The Cure circa “Seventeen seconds” / “Faith” in het bijzonder (“Drawing lines” mist enkel nog de inbreng van Robert Smith), en Echo & The Bunnymen als goede tweede zoals meteen blijkt uit tweede nummer “Pittura infamante” en “Second skin”. Ook de statigheid die van bepaalde Joy Division songs uitgaat, is hier bij vlagen terug te horen. De muzikale draai pakt goed uit, met “Hypnotic regression”, “Projecktions” en het uitgesponnen slotstuk “The new life” in de rol van meest in het oor springende pijlers. 

ESBEN AND THE WITCH – Wash the sins not only the face
Debuut “Violet cries” was het eerste interessante hoofdstuk van het zichzelf naar een Deens sprookje vernoemde trio uit Brighton, en met “Wash the sins not only the face” gaat het verhaal in stijgende lijn verder. In het nog immer fabelachtige woud waarin EATW zich ophoudt, weet het zonlicht vaker door te dringen door het bladerdek zoals in het fraaie “Slow wave” dat sprankelt à la Cocteau Twins. De shoegaze noise van “Iceland spar”, waar de plaat mee opent, zet je nog even op het verkeerde been, maar daarna is er meer lucht en licht. Mysterie, spanning en sensualiteit vermengen zich op het Warpaint-achtige “When that head splits”, gevolgd door de verstilde schoonheid van “Shimmering” dat iets van The XX in zich draagt, terwijl de eerste helft van “Yellow wood” een mistgordijn is van ambient. Invloeden van Cranes en Siouxsie & The Banshees zijn net als op “Violet cries” aanwezig, maar meer verwerkt tot een eigen stempel. De verbindende factor is de doordringende stem van Rachel Davies die je nog verder het sprookje intrekt. Het maakt benieuwd naar het verdere verloop van deze betoverende vertelling. 

FOXYGEN – We are the 21st century ambassadors of peace and magic
Duo Sam France en Jonathan Rado – samen Foxygen, maar live aangevuld tot een kwartet – hebben gevoel voor humor. In de albumtitel noemen ze zich vredesambassadeurs van de toekomst, terwijl ze in hun muziek juist teruggrijpen op het verleden, en wel de 20e eeuw, de jaren zestig en zeventig in het bijzonder. Het druipt van de productie af en het duo kent zijn klassiekers, maar de composities zijn sterk en fris genoeg om Foxygen niet meteen tot het zoveelste ‘retro’ bandje te bestempelen. De band doet niet moeilijk over hun invloeden, al is het aan de luisteraar om die eruit te pikken. “In the darkness” en “Oh no” voelen aan als resp. The Beatles en Lennon, Bob Dylan duikt op in “No destruction”, het refreintje van “On blue mountain” lijkt bijna op “Suspicious minds”, het titelnummer heeft wat weg van een versnelde versie van Creedence Clearwater Revival’s “Suzie Q” (vermengd met de psych-blues van The 13th Floor Elevators) en alleen “Oh yeah” komt in de buurt van het ‘heden’ omdat het aan MGMT doet denken. En uit alles spreekt dat Foxygen niet alleen gevoel voor humor heeft, maar ook gevoel (en verstand) van goede muziek!

FOALS – Holy fire
Heilig vuur? Ja zeker! Niet dat Foals het vuur kwijt was, maar op hun derde plaat is het lekker fikkie stoken geblazen. Misschien kan de term ‘heilig vuur’ hier beter vervangen worden door ‘vreugdevuur’, want de band maakt op dit album een lossere indruk, meer swingend, minder overpeinzend, meer ‘pop’, minder moeilijk en klaar voor het zelf georganiseerde feestje. Het aanstekelijke “My number” is daar het beste voorbeeld van, opgewekte punkfunk à la The Rapture. Vocalist / gitarist Yannis Philippakis zingt veelzijdiger en de band klinkt een stuk toegankelijker en luchtiger dan voorheen, bewust klaar voor de oversteek naar een groter publiek, zonder zich daarbij te verloochenen, zoals in onder andere “Everytime” en “Out of the woods”. Wanneer het album zijn einde nadert, met “Stepson” en “Moon”, kiest Foals voor down-tempo en atmosfeer, en minder voor ‘het liedje’ waardoor het vuur langzaam maar zeker als een nachtkaars uitgaat. Hoe dan ook is “Holy fire” naar mijn idee tot nog toe het beste Foals album uit hun carrière.

UNKNOWN MORTAL ORCHESTRA – II
Ruban Nielson, de drijvende kracht achter UMO, verraste in 2011 aangenaam met zijn eerste titelloze album, gevuld met verfrissende lo-fi liedjes met invalshoeken uiteenlopend van psychedelische pop tot garagerock of funk. Op zijn debuut stond Ruban er alleen voor maar inmiddels is UMO een trio. Op deze simpelweg als “II” betitelde opvolger vormt het songmateriaal stilistisch gezien meer een zachtaardige, klein gehouden neopsychedelische eenheid al zit er nog genoeg variatie in. Op “So good at being in trouble” kiest Ruban voor intimiteit, “One at a time” heeft een funky ondergrond, “No need for a leader” is een lo-fi rocker en “Monki” hangt dicht tegen soft-rock uit de jaren zeventig aan. Wat ze allemaal gemeen hebben is een warme, aangename sfeer, als een pluizige deken die over het geluid hangt, en dat kennen we bijvoorbeeld ook van Tame Impala. De band mag dan bij het grote publiek nog steeds ‘unknown’ zijn, maar hopelijk gaat “II” daar verandering in brengen. Het zou wel zo verdiend zijn.

JACCO GARDNER – Cabinet of curiosities
Op gebied van psychedelische muziek was Nederland in de jaren zestig op Engeland na, dé leverancier van Europa. Anno 2013 valt er vanuit ons landje op genoemd gebied weinig tot niets te melden met de 25-jarige Jacco Gardner als positieve uitzondering. In zijn curiosakabinet heeft de muzikant een twaalftal liedjes uitgestald die vallen onder de noemer psychedelische pop. Gardner recreëert op perfecte manier de sound van de Britse variant van genoemd genre zoals dat rond de periode ’67-’69 werd gemaakt. Naar eigen zeggen was Syd Barrett een bron van inspiratie, maar dat is amper terug te horen in zijn liedjes. Die zijn vooral warm, lief, relaxed en binnen de context van psychedelische pop redelijk traditioneel van karakter. De muzikale excentriciteit en idiosyncratische creativiteit van Jacco’s voorbeeld zal de luisteraar hier niet vinden, wel een verwantschap met The Zombies, The Beatles en The Beach Boys anno het eerder vermelde tijdsgewricht. Het werk van Gardner is dus niet zo curieus als de titel de luisteraar wil doen geloven maar daarom niet minder geslaagd, waarbij single “Silent air”, en de al net aangenaam klinkende “Puppets dangling” en “Watching the moon” bij ondergetekende nog het langst blijven hangen. 

 IAN SKELLY – Cut from a star
“Butterfly house”, het laatste album van The Coral, stamt alweer uit 2010 en vooralsnog doemt nog niets nieuws op aan de horizon. Helemaal stil aan het Coral front is het echter ook weer niet want drummer Ian Skelly bewandelt als eerste bandlid het solo-pad met dit debuutalbum. Verrassend, omdat je dat in eerste instantie zou verwachten van zijn (jongere) broer James, de belangrijkste songschrijver van de band. Maar die laat pas in mei van zich horen met zijn begeleidingsband The Intenders. Hoe dan ook, Ian schrijft dus eveneens liedjes die redelijk in het verlengde liggen van The Coral en een aantal had niet misstaan op een album van laatstgenoemde. Kwalitatief gezien blijft het echter in de schaduw staan van wat broerlief uit zijn mouw pleegt te schudden want daarvoor kabbelt het allemaal net iets te vaak voorbij zonder een blijvende indruk achter te laten. Het lijkt dan ook geen toeval dat de beste song op de plaat, “Caterpillar”, samen met James werd gecomponeerd. “Cut from a star” is geen slecht album, maar echt beklijven wil het over de gehele linie en op den duur ook niet. Het is op zijn best een aardig zoethoudertje voor fans van The Coral. 

THE HISTORY OF APPLE PIE – Out of sight
Ik ben persoonlijk niet bekend met de geschiedenis van appeltaart, maar wat ik in de loop der jaren wel proefondervindelijk heb ondervonden is dat ze in vele soorten en smaken bestaan. Een kwestie van receptuur, bereidingswijze én kookkunst. Van een geheim recept is hier geen sprake want het kost geen enkele moeite om de ingrediënten aan te wijzen die dit in Londen gevestigde kwintet in hun eerste baksel van LP lengte heeft gestopt: My Bloody Valentine, Lush, Ride en aanverwante smaakmakers uit begin jaren 90. Wat de bereiding en de kookkunst aangaat is dit een gevalletje van iets te vroeg uit de oven gehaald en het (nog) niet hebben van voldoende finesse of een eigen toevoeging aan het recept. Een aantal taartpunten zijn goed te pruimen: single “Do it wrong” was zelfs een van mijn favoriete plaatjes van 2012, en ook in de start (“Tug”) en finish (“Before you reach the end”) is het dankzij in het oor springend gitaarwerk fijn happen. Over het algemeen geldt echter, om een andere songtitel van ze aan te halen, dat THOAP nog een “Long way to go” heeft. 

DELPHIC – Collections
Na het verschijnen van voorganger “Acolyte” (2010) durfde ik stellig te beweren dat het album niet zou ontbreken in mijn eindejaar-lijst. Dat gebeurde inderdaad – al bleef ‘ie wel vanwege hevige concurrentie net buiten de top 10 steken – maar met eenzelfde overtuiging wil ik hier kwijt dat “Collections” niet eens in de buurt gaat komen van een overweging tot een plekje in mijn jaarlijst van 2013. De New Order / Friendly Fires / dance mix die zowel hun eerste singles als het gros van het debuut kenmerkte is op “Collections” grotendeels afwezig. Er waren nog wel wat flauwe echo’s rond maar het gevoel dat overheerst is dat je zit te luisteren naar een boyband à la East 17 en soortgelijke commerciële 90s pop. Voorbeelden te over zoals “Changes”, “Don’t let the dreamers take you away” en hiphop / R’n’B afsluiter “Exotic” (mét gastrapper). Single “Baiya” is aanstekelijk genoeg om er mee van door te kunnen gaan, het kalme “Tears before bedtime” valt op door het gebruik van voicemailberichten van een onbekende vrouw, falsetzang en een eenzaam trompetje maar echt opveren wordt alleen veroorzaakt door het ritmische electro-synthpop hoogtepunt “Memeo”. Doch gemeten over een heel album is dit een erg magere score.

Met terugwerkende kracht 

NEW MODEL ARMY – Vengeance – the whole story 1980-84
De oorspronkelijke, in 1984 verschenen debuutplaat van NMA, telde ‘slechts’ acht nummers maar voor deze heruitgave is dat aantal opgekrikt tot 37, met onder meer nooit eerder verschenen songs (demo’s), radiosessies (o.a. John Peel), en rondom het album verschenen singles en EP’s. Het hele verhaal, zoals de titel belooft, wordt daarmee wel verteld, met uiteraard als meest boeiende hoofdstuk “Vengeance”, het vitale post-punk debuut waarmee NMA zich overtuigend een plek veroverde in het alternatieve muzikale landschap van die tijd. Van vlammende opener “Christian militia” tot en met het tegen de Falklands oorlog gekante “Spirit of the Falklands” dat de plaat afsluit, klinkt “Vengeance” anno nu nog net zo fris, gepassioneerd en gedreven als destijds. Wat NMA ten tijde van “Vengeance” boven het maaiveld deed uitsteken was het meesterlijke bas-spel van Stuart Morrow en de scherpe, strijdbare vocalen / teksten van Justin Sullivan alias Slade the Leveller. In de vroegste demo’s is nog niet de band te herkennen die het zou worden. Ze zijn kwalitatief gezien niet heel interessant maar vanuit muziekhistorisch perspectief vormen ze een interessante aanvulling op de rest. Hoe dan ook is dit een essentiële heruitgave, en niet alleen voor NMA fans. 

Singles

STEVE MASON & EMILIANA TORRINI – I go out
Speedy Wunderground is een nieuw label, opgericht door de producer Dan Carey (o.a. Toy, Django Django, Mystery Jets, Franz Ferdinand) dat zich onder andere tot doel heeft gesteld elke release binnen één dag op te nemen en te mixen, en daarna zo snel mogelijk fysiek uit te brengen in een beperkte standaardoplage van 250 stuks op 7” vinyl. Oud-Beta Band zanger Steve Mason (die dit nummer schreef) en de IJslandse singer/songwriter Emiliana Torrini, muzikaal begeleid door de band Toy mogen het spits afbijten en zij bewijzen dat deze snelle werkwijze zijn vruchten afwerpt. “I go out” is bijna zeven minuten durende Krautdisco die vraagt om een glitterbol, een stroboscoop en een dansvloer. Heerlijk plaatje, dat reikhalzend doet uitkijken naar de volgende release op Speedy Wunderground! 

KING KRULE – Rock bottom
Al een half jaar oud (!), maar door mij over het hoofd gezien. Ik ga de single hier toch noemen omdat er verder weinig nieuws te melden valt zoals dat langverwachte album dat er maar niet van lijkt te komen. Op de King Krule website wordt vrolijk verwezen naar een nieuwe plaat die nu te koop is maar dat blijkt de EP uit 2011 te zijn. Optreden doet de band rondom Archie Marshall gelukkig gewoon nog wel, en dan spelen ze vast dit fijne jazzy gitaarpopliedje dat intiem en relaxed van start gaat maar met regelmaat even versnelt en de funky basgitaar doet opleven. De karakteristieke stem van Archie drukt er een opvallend stempel op.   

DROWNERS – Between us girls EP
Hoe gaaf is dat: een (Amerikaanse) band die zich heeft vernoemd naar de debuutsingle van Suede, en qua sound doet denken aan The Smiths? Dat geldt in ieder geval voor het uptempo duo “Long hair” en “You’ve got it all wrong” die voorbij zijn voordat je erg in hebt. De nummers klokken dan ook ieder onder de twee minuten. Sowieso houdt de band van opschieten: “Between us girls” heet een ‘extended play’ te zijn, maar duurt met drie liedjes in totaal nog geen zes minuten. En dat vraagt om meer…  

HAUNTED HEARTS – Something that feels bad is something that feels good
Dee Dee alias Kristin Gundred (Dum Dum Girls) en Brandon Welchez (Crocodiles) zijn al jaren een (getrouwd) koppel met ieder hun eigen band. Haunted Hearts is hun eerste gezamenlijke groep en voor wie bekend is met de muziek die ze normaliter maken, zal deze single met zijn lange titel vertrouwd terrein zijn. Alsof beide bands over de Amerikaanse highway scheuren in een oude Cadillac met open dak. Ik wil echter vooral de aandacht vestigen op de schitterende B-kant “House of lords”, dat met zijn Krautrockbeat, softe 60s psychedelica en zonovergoten sfeertje de laatst verschenen releases van zowel Dum Dum Girls als Crocodiles met gemak in de schaduw stelt. En dat alles gestoken in een provocatief, intrigerend hoesje dat de vraag oproept of Dee Dee wellicht model heeft gestaan...

LONDON GRAMMAR – Metal & dust 
Een trio uit (jawel!) Londen dat fraai debuteert met deze single – ook als EP verkrijgbaar, met twee extra songs – waarop, ook geldend voor het net zo mooie, op de andere zijde van het vinylplaatje geperste “Hey now”, de aanlokkelijke stem van Hannah Reid een sleutelrol vervult. “Metal and dust” begint subtiel en intiem à la The XX en krijgt gaandeweg vleugels die het nummer op gracieuze wijze naar een subtiel dansachtig triphopterrein doen fladderen.

DRENGE – Bloodsports
Volgens hun website behoren de interlandvoetbalmatch Engeland-Argentinië uit ’98, Anti Social Behavior Orders, ₤ 0.00 (een lege beurs) en Margaret (daar zal waarschijnlijk Thatcher mee bedoeld worden) tot hun invloeden. Aldus Drenge (Deens voor ‘jongens’), oftewel de gebroeders Eoin en Rory Loveless, de nieuwste loot aan de alsmaar uitdijende boom getiteld ‘gitaar / drumstel duo’, zoals eveneens recente ‘aanwinsten’ The Bots, Deap Vally en Bleached. Kan Drenge het verschil maken? “Blood sports”, waar de ruige rockversie van Arctic Monkeys, The White Stripes (uiteraard) en The Black Keys in te herkennen valt, is in ieder geval een hoopgevend debuut.

THE BELLE GAME – Wait up for you
“Wait up for you” is een voorproefje van het ‘ergens in de lente’ te verschijnen album “Ritual tradition habit”. Indien deze single indicatief is voor genoemde plaat, dan zou die hopelijk vol moeten staan met de nodige ‘voettappertjes’. Want dat is wat “Wait up for you” teweeg brengt: je voet gaat ervan mee tappen. Het maakt daarbij wel iets uit of je sympathie koestert voor Kings Of Leon en Arcade Fire, want dat leek ik op momenten te ruiken, als een vluchtig parfum voor de oren.  

WOLF ALICE – Fluffy
Oorspronkelijk vormden Ellie Rowsell, Joel Amey en Joff Odie samen een folk-trio, maar anno 2013, en met de toevoeging van bassist Theo Ellis, zijn ze een andere weg ingeslagen. Hoe ze voorheen klonken weet ik niet, maar afgaande op “Fluffy” zit Wolf Alice nu in het spoor van bands als The Breeders, The Joy Formidable en Elastica. De songtitel mag dus worden beschouwd als een poging de luisteraar op het verkeerde been te zetten, want in plaats van dons is “Fluffy” voorzien van scherpe randjes. En dat zorgt hier voor prettige prikkels.

RATS ON RAFTS – Emma Sofia
In eerste instantie verscheen deze single op het Nederlandse Top Notch, maar het plaatje werd daarna opgepikt door Louder Than War, het vanuit Manchester gerunde, door muzikant/journalist John Robb geïnitieerde label dat voortkwam uit de gelijknamige, goed gewaardeerde website. Deze release is dan ook een steuntje in de rug voor de Nederlandse post-punk band die hopelijk de deur naar Engeland (verder) openzet. “Emma Sofia” sluit muzikaal aan op album “The moon is big”, dus wie daarvan heeft genoten, kan deze single blind aanschaffen. 

EVERYTHING EVERYTHING – Kemosabe
De tweede single van het tweede album. “Kemosabe”, een woord afkomstig uit een oude Indianentaal, betekent zoiets als ‘trouwe vriend’. En zoals het een goede makker betaamt, stelt EE niet teleur met dit andermaal vernuftige popliedje met tot stotteren bewerkte zang, hoge gilletjes, een falsetrefrein en een paar aanstekelijke ‘Hey!’ kreten.  

MØ – Pilgrim
Iceage mag zich sinds 2011 de meest van zich doen sprekende band uit Kopenhagen noemen, maar wellicht dat we over een tijdje de mond vol hebben van stadsgenoot MØ. Geen band overigens, maar een soloartieste, gedoopt Karen Marie Ørsted, uit wiens initialen we haar artiestenaam kunnen afleiden. MØ (ook Deens voor ‘maagd’) laat zich op de B-kant remixen door Ms Mr, maar laatstgenoemde had blijkbaar weinig inspiratie want er is amper iets met het origineel gedaan.

vrijdag 8 februari 2013

METZ - Amsterdam : Paradiso : maandag 04 februari 2013

Eén van de ontdekkingen van vorig jaar is het uit Toronto, Canada afkomstige alternatieve noiserock trio METZ (met hoofdletters dus). Ze zijn al sinds 2007 actief maar het heeft vijf jaar geduurd voordat hun debuutalbum in oktober jongstleden het licht zag. Die plaat was ook meteen mijn eerste, overdonderende kennismaking met METZ. In een half uur tijd slaat de band de luisteraar om de oren met brute, explosieve en furieuze rock die zijn wortels heeft in verwante voorgangers als Big Black en The Jesus Lizard. Het is zo’n plaat die je meteen stevig bij de schouders vastpakt, flink doorelkaar schudt en tegelijkertijd hard in je oren schreeuwt. “METZ” laat een onontkoombare impact achter en het biedt alle gelegenheid om even stoom af te blazen, frustraties weg te luisteren – wel met de volumeknop naar boven geschroefd – of je energie de vrije loop te laten. Daarnaast roept het album een welhaast onvermijdelijke gedachte op: deze band wil ik live zien! Mijn wens ging in vervulling toen de band deze week in het kader van een uitgebreide Europese tournee een tweetal optredens in Nederland gaf, in respectievelijk Amsterdam en Nijmegen. Aanvankelijk zou ik naar laatstgenoemde gaan maar het werd uiteindelijk Paradiso in de hoofdstad.   

Ik ben amper binnen of het eerste wat de meneer van de security tegen me zegt is: “Daar liggen de oordoppen.” Ofschoon ik al voorzien ben van mijn vaste plugjes, gris ik toch een gratis setje uit de plastic bak. De bovenzaal van Paradiso is goed gevuld maar niet uitverkocht. In een hoek van de zaal staat een tafeltje met merchandise dat na afloop van het concert gretig aftrek zal vinden. METZ staat gepland om 20.00 u en bijna stipt op tijd – zo kan het dus ook! – begint de band met spelen. Met uitzondering van “Nausea” – op plaat meer een minuut durend tussendoortje dan een heuse song – wordt het hele album de zaal in geknald met single “Dirty shirt” als bonus. De drie bandleden van METZ – bassist Chris Slorach, drummer Hayden Menzies en zanger / gitarist Alex Edkins – spelen met de energie en intensiteit die bij hun muziek hoort, maar het is vooral Alex die als een bezetene tekeergaat. Hij schreeuwt zijn longen leeg in de microfoon, geeft zijn gitaar ervanlangs en straalt een en al verbetenheid uit. Tussen de nummers door is het gewoon een aardige jongeman met bril en een broek met twee grote scheuren, elk ter hoogte van de knie. Hij gaat tot twee keer toe op de drumkit staan, en ofschoon je het gevoel hebt dat Alex op die momenten tot een onbesuisde actie gaat komen, weet hij zich in te houden. Maar dat heeft de band verder ook niet nodig, want van het optreden spat al meer dan genoeg agressie en passie af om de blik gefascineerd op het podium gericht te houden. 

Ondanks dat er alle aanleiding toe is, blijft een pandemonium voor het podium uit. De publieksreactie gaat niet verder dan heftig hoofdschudden, maar de opwinding in de zaal is niettemin voelbaar. Wie niet al voorafgaande was bekeerd tot METZ, gaat tijdens het concert alsnog onherroepelijk voor de bijl. Daar staan uit hun voegen barstende uitvoeringen van nummers als “Dirty shirt”, “Wasted” en “Headache” wel voor garant. Het laatste nummer, feitelijk de toegift, want de band heeft dan al de gitaren afgedaan en de drumkit verlaten echter zonder daarna het podium te verlaten, wordt om onduidelijke redenen afgewerkt in het donker. Geen goed idee, want na een minuut of wat wordt “Rats” abrupt afgebroken en vraagt Chris of hij alsjeblieft wat licht mag hebben. Wanneer aan dat verzoek is voldaan, staat de band feitelijk nog steeds in het duister, maar wat geeft het: ze gaan er weer net zo hard tegenaan. Daarna is het gedaan, het podium baadt weer in het licht en de band bedankt het publiek alvorens de kleedkamer op te zoeken. Er is een net een half uur verstreken maar dit was een schoolvoorbeeld van ‘kort maar krachtig’. Hier past slechts één conclusie: METZ was VET(Z)!!!

Setlist: Knife in the water * Negative space * Get off * Dirty shirt * Wasted * Sad pricks * Headache * The mule * Wet blanket * Rats

Meer foto’s hier!

Grauzone - Amsterdam : Melkweg : vrijdag 01 februari 2013

Het weer is grijs en druilerig, dus de allereerste editie van het Grauzone festival had vandaag geen betere naam kunnen hebben. Maar dat is gewoon toeval en geen opzet, want de naam zal de beoogde doelgroep eerder doen denken aan de gelijknamige Zwitserse band uit begin jaren tachtig die vooral bekend werd dankzij hun ene hitje “Eisbär”. Dat was tijdens de hoogtijdagen van new wave, en het is dan ook die muzikale periode die het festival in het grijze zonnetje wil zetten. Overigens niet alleen de new wave van weleer, vanavond vertegenwoordigd door onder andere Echo & The Bunnymen, Chameleons Vox (voorheen The Chameleons) en A Certain Ratio maar ook hedendaagse bands die de sound van toen in meer of mindere mate in hun muziek hebben verwerkt. Behalve muziek is er ook aandacht voor cinema en kunst maar het gros van het massaal naar de Melkweg gekomen publiek is hier overduidelijk voor de bands van nu en vooral toen. De gemiddelde leeftijd is veertig plus en de overheersende kleur is zwart (en grijs, gelet op de haren: Grauzone!), precies zoals ik had verwacht. (Ex)-punks, (ex)-gothics en (ex)-new wavers bepalen het beeld, en een speciale vermelding verdient de lange jongeman die me onmiddellijk doet denken aan Tedje & De Flikkers. Chapeau, of beter gezegd: zwartleren pet! 

Het spits wordt afgebeten door Ulterior, een kwartet uit Londen dat sinds 2006 aan de weg timmert. Tot dusverre heb ik redelijk trouw hun releases aangeschaft. Aanvankelijk vooral beïnvloed door en klinkend als Suicide in botsing met The Jesus And Mary Chain, zoals te horen op de singlesverzamelaar “Kempers heads” (2009) en daarna meer opgeschoven in de richting van The Sisters Of Mercy en Black Rebel Motorcycle Club. Hun tweede album “The bleach room” is nog maar een maand oud maar daar ken ik nog niets van. In 2011 zag ik de band voor het eerst op het Summer Darkness festival in Utrecht waar ze zich niet uit het veld lieten slaan door het vroege tijdstip (4 uur ’s middags) en een handvol aanwezigen. Sterker nog: ze hingen vol overtuiging de stoere, coole rockers uit, en met name zanger Paul McGregor – een oud profvoetballer! – ging daarbij clichématige poses niet uit de weg. Terwijl de rest van de band niet veranderd lijkt, heeft Paul een metamorfose ondergaan: van rocker met lang gelokt haar in zwart leren jack in 2011 naar een soort van militante hooligan met opgeschoren kapsel en zonnebril anno 2013. Toch net iets stoerder dan voorheen en het past bij de intense noise post-punk die vanavond in de combi Suicide-Mary Chain-Sisters precies op zijn plek valt. Waar ze op eerste album “Wild in wildlife” en in Utrecht destijds soms de neiging hadden tot over-the-top, pompeuze tendensen, lijken ze nu de juiste vorm te hebben gevonden, een uitgebalanceerde mix van kracht, opwinding, gevaar en duisternis zoals dat bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in “Sex war sex cars sex”. Jammer dat ze als eerste band in de oude zaal staan, nog voordat de drukte op gang is gekomen, want dit had meer publiek verdiend. 

De eerste ‘oudjes’ van het festival staan in de nieuwe, grote zaal van de Melkweg en zij luisteren naar de naam A Certain Ratio. Het Manchester kwintet, waarin nog drie originele leden, reken ik op basis van hun output tussen ’79-’81 tot een van mijn favoriete post-punk bands. Hun ooit door iemand als “Joy Division gone funky” omschreven sound, vereeuwigd in klassieker (dat zijn mijn woorden) “Flight”, roep ik nog regelmatig op via iPod en YouTube. Vroeger, in de oorspronkelijke Grauzone, via plaat en audiocassette uiteraard… Mijn dank gaat uit naar de band omdat “Flight” wordt gespeeld, weliswaar in zijn huidige vorm meer gestroomlijnd en minder spannend dan dertig jaar geleden, maar toch. Uit dezelfde periode komt ook “Forced laugh” voorbij, en daarin klinkt het dissonante trompetje van Martin Moscrop als vanouds. Dat (achtergrond)zangeres Denise Johnson hier de vocalen voor haar rekening neemt, is dan wel weer even wennen. Omdat de band na ’81 niet is blijven stilstaan en de experimentele randjes er daarna wel vanaf waren, krijgen we ook ‘post post-punk’ ACR te horen zoals bijvoorbeeld de funkpop van “Good together” (1989). Maar ja, toen was ik ze allang kwijt. Het optreden is bij vlagen sfeervol, maar er zijn ook momenten waarbij de aandacht verslapt, omdat we dan niet langer in post-punk sferen verkeren en niet heel erg het verschil makende funkjazzpopsoul krijgen voorgeschoteld. Misschien een ideetje voor de heren ACR om aan te haken bij de trend om albums van weleer integraal te spelen – en dan liefst “The graveyard & the ballroom” met originele zanger Simon Topping en gitarist Peter Terrell als het even kan. Ach ja, wishful thinking…!

Via een nauwe trap waar het af en toe geen doorkomen aan is – en wat ik dan absoluut niet begrijp is waarom sommige mensen uitgerekend bij zo’n drukte op de trap blijven staan of erger nog: gaan zitten – kom ik terecht bij een filmzaaltje waar een vertoning plaatsvindt van de film “Autoluminescent”. De documentaire over het leven en de bands van de in 2009 overleden Rowland S. Howard verscheen al in 2011, maar beleeft vanavond pas zijn Europese première. Aangezien de film diverse optredens overlapt, kijk ik het niet van begin tot einde, en bovendien staat de DVD-release op mijn bestellijstje. Ik val wel precies met mijn neus in de boter want mijn entree in het zaaltje valt samen met de voor mij meest interessante periode van Howard die in de documentaire aan bod komt: als gitarist van The Birthday Party. Live-opnames uit die tijd spatten van het doek af, zelfs al zijn het vaak maar korte fragmenten. Alleen al voor die beelden raad ik “Autoluminescent” van harte aan. 

Terug naar de kleine zaal waar het Britse trio Zounds een poging mag doen om oude tijden te doen herleven. Mijn tijden zijn dat in ieder geval niet want ik heb nooit iets gehad met deze band. Ze mogen dan als anarcho-punkband hebben schoolgemaakt inclusief connecties met (het veel interessantere) Crass, maar ik vind het meer pubrock dan punk. Zanger / gitarist Steve Lake kondigt de band aan met “Hello, i’m Julian Cope and we’re The Teardrop Explodes”, en na elk nummer wens ik des te meer dat hij geen grap had gemaakt. Steve lijkt me iemand die nog steeds in zijn idealen gelooft en maatschappijkritisch is – zo wordt “Dirty squatters” opgedragen aan de benadeelden van een nieuwe Britse anti-kraak wet – maar een meer kritische blik naar het eigen, niet bepaald boven de middelmaat uitstekende songmateriaal was me eerlijk gezegd liever geweest.

Het optreden van Chameleons Vox gaat met twintig minuten vertraging van start – waarom eigenlijk? – terwijl op het aangekondigde tijdstip alles al in gereedheid staat. Hoe dan ook, Chameleons Vox mag zich verheugen op een gevulde zaal met verwachtingsvol publiek. Ofschoon de ondergewaardeerde band nooit hits heeft gehad, roept elk gespeeld nummer een blijk van herkenning op. Van singles heeft de band het niet moeten hebben, wel van de albums, en daar kan rijkelijk uit worden geput omdat de atmosferische nummers, gekarakteriseerd door het heldere, in post-punk echo gedrenkte gitaargeluid en de krachtige, luide stem van Mark Burgess, nauwelijks in kwaliteit voor elkaar onder doen. Er valt geen nieuw materiaal te promoten en de setlist concentreert zich derhalve op de platen “Script of the bridge”, “What does anything mean. Basically” en “Strange times”, de overzichtelijke periode ’83-’86 bestrijkend. De band gaat niet voor de snelle hap, want er wordt regelmatig de tijd genomen met lang uitgesponnen liedjes zoals “Soul in isolation”, “Second skin”, “Caution” en “A person isn’t safe anywhere these days”. “Monkeyland” levert een meezingmoment op (“It’s just a trick of the light!”) en al met al toont Chameleons Vox zich een prima keuze voor dit festival. 

Grauzone zit er voor mij bijna op, ondanks dat het nog tot in de late uurtjes doorgaat met DJ’s die vanaf 01.00 u de oudere jongeren in beweging gaan proberen te krijgen. Echo & The Bunnymen laat ik ditmaal aan me voorbijgaan want bijna precies een jaar geleden nog gezien in Paradiso toen ze vrijwel integraal “Crocodiles” en “Heaven up here” achterelkaar speelden. En beter dan dat gaat het vanavond niet worden, denk ik zo. Het Deense Iceage had ik graag meegepikt maar dan zou ik eerst dik twee uur moeten wachten en bovendien staan ze voor volgende maand (in Eindhoven) op mijn programma. De rest van de line-up kan me niet boeien en de enige band ik die voor mijn vertrek nog de revue laat passeren is het Duitse Fehlfarben. Het begin jaren tachtig tot de Neue Deutsche Welle gerekende sextet staat vooral bekend om hun vrolijke, disco-achtige hitje “Ein Jahr (es geht voran)” dat echter niet exemplarisch is voor hun sound. Verder dan hun debuutalbum “Monarchie und Alltag” (1980) ben ik eigenlijk nooit gekomen, en zelfs die heb ik maar weinig gedraaid. Dat ik het niet helemaal kan uitkijken, vind ik dan ook geen probleem. Het optreden heeft zijn pieken en dalen. Sommige songs zoals “Im Sommer” (van “Glücksmaschinen” uit 2010) kunnen me matig boeien, terwijl de pit én de dansbaarheid van “Politdisko” meteen de aandacht trekt en dat tot het einde toe probleemloos weet vol te houden. Ik verlaat daarna Grauzone met een tevreden gevoel, en dat sentiment zal gezien de grote publieke opkomst vast ook bij de organisatoren leven. Een vervolg lijkt me dan ook voor de hand liggend.

Meer foto’s hier!