woensdag 15 februari 2012

Azari & III - Amsterdam : Paradiso : vrijdag 10 februari 2012



Drie keer is scheepsrecht, zo luidt het gezegde, en dat gaat vanavond op. Want twee keer eerder kreeg ik de kans om Azari & III live te aanschouwen (o.a. op Pukkelpop 2011, maar dat werd om inmiddels bekende reden afgelast), maar pas bij deze derde keer is het raak. En dat ook nog eens ‘gratis’, want met een ticket voor het in de bovenzaal van Paradiso spelende Howler op zak, heb ik vanavond automatisch toegang tot de grote zaal waar Azari & III spelen. De naam staat voor Dinamo Azari en Alphonse Alixander Lanza III, de twee muzikale motoren achter deze band uit Toronto. Ook letterlijk staan ze – Dinamo (zwarte hoodie, bril) en Alphonse (zonnebril, een ska meets Quadrophenia outfit) – op de achtergrond, want de twee flamboyante zangers Cedric Gasaida met zijn tot de grond rijkende hoofdsjaal en Fritz Helder in multicolour broek zijn als blikvangers naar voren geschoven. Een verstandige keuze want enkel de aanblik van Dinamo en Alphonse die de elektronische beats, bliepjes en synthesizerklanken uit hun keyboards, pc’s, ‘drumpads’ en andere apparatuur toveren, is niet erg boeiend. Gelukkig is de muziek dat wel. 

De inspiratie voor hun dansopwekkende muziek heeft Azari & III hoorbaar gehaald uit jaren 80 en 90 house. En dat roept soms bepaalde herinneringen op bij iedereen die het bewust heeft meegemaakt en er destijds voor openstond. Niet dat ik zelf zo’n housekenner ben, en dat hoeft ook niet, om te horen uit welk vaatje Azari & III tapt. Dat vaatje delen ze trouwens met Hercules And Love Affair, met wie ze dan ook de meeste overeenkomsten vertonen. In kwaliteit ontlopen ze elkaar niet eens zoveel, al ben ik zelf van mening dat laatstgenoemde toch net de betere nummers heeft. Een song van het kaliber “My house” bijvoorbeeld, van HALA’s tweede album “Blue songs” (2011), en dat ik de band vorig jaar bij toeval – lang verhaal – in een staat van lichte euforie live zag spelen in Leeds, ontbreekt nog in het oeuvre van Azari & III. Maar laat ik niet flauw doen, want de band die een half jaar of wat geleden in de bovenzaal aantrad en nu is gepromoveerd naar de goed gevulde grote zaal, kan zich beroepen op een aantal aanstekelijke tracks. Wat mij betreft springen “Manic” en “Hungry for the power” eruit, maar welk nummer de band ook speelt, het enthousiasme van het swingende en met soulvolle stemmen gezegende zangduo Cedric en Fritz laat niet af.

Met alleen een uitvergroting van de eerlijk gezegd niet echt aansprekende albumhoes als backdrop is de aankleding van de bühne kaal. Het ‘showelement’ moet komen van Cedric en Fritz en die hebben daar weinig meer voor nodig dan min of meer synchrone danspassen – die op instemmend gejuich van het publiek kunnen rekenen – en aansporingen richting toeschouwers. En ja, die liedjes dus, die zoals eerder aangegeven gedrenkt zijn in housemuziek uit vervlogen tijden, maar toch ook voldoende in het heden staan, al is het maar met een paar tenen, om niet te worden gebrandmerkt als louter pastiche of een klakkeloze herhaling van het verleden. Want daar spreekt uit de nummers en de uitvoering ervan toch teveel oprechte liefde voor het genre. Het publiek, voor zover nog niet uitgedanst, kan in ieder geval na afloop met een goed gevoel naar ‘house’ gaan.

Meer foto’s hier!

zondag 12 februari 2012

Howler - Amsterdam : Paradiso : vrijdag 10 februari 2012

Een klein jaar geleden stond ik in de bovenzaal van Paradiso in afwachting van het Nederlandse podiumdebuut van The Vaccines, de band die door de Britse pers, NME voorop natuurlijk, was gekroond tot de redders van de (indie) gitaarmuziek. Een kroon die overigens gedeeld werd met Viva Brother, toen nog Brother geheten, maar die naam mag inmiddels vergeten worden. Die band had wel de grootspraak maar niet de liedjes, en daar gaat het uiteindelijk om. Afijn, The Vaccines konden me die avond niet echt overtuigen. Een valse start die in de loop van 2011 meer dan werd goedgemaakt want The Vaccines loste de belofte in. 2012 moet het jaar van Howler worden, als we diezelfde pers moeten geloven. Is enige scepsis op zijn plaats? Staat Howler een carrièretraject te wachten à la The Vaccines of gaat het de kant op van Viva Brother? Het eerste, zo vermoed ik sterk, ik durf er zelfs een weddenschap op af te sluiten. Het amper een maand oude debuutalbum “America give up” is misschien dan geen klassieker maar wel verdomd smakelijk, fris en to the point. De invloeden druipen er van af maar het is de kunst om die naar je toe te trekken. En dat kunstje heeft kersverse twintiger Jordan Gatesmith, oprichter en songleverancier van Howler, goed onder de knie want de plaat mist zijn uitwerking niet. Dat de band het ook live weet te brengen, bewijzen ze vanavond in Amsterdam.

Het concert is niet uitverkocht, wat je op grond van alle loftuitingen misschien zou mogen verwachten. Tien minuten voor aanvangstijd loop ik moeiteloos naar voren tot ik bij het podium ben gekomen. Daar staan een stuk of vijf meisjes – hooguit een jaar of dertien – die giebelend in blijde opwinding wachten op de komst van de band. Even later treedt de wet in werking die bepaalt dat de in lengte langste toeschouwer vlak voor aanvang pal voor me gaat staan. Hij is niet alleen want vergezeld door eega en twee zoontjes, nog wat jonger dan de al genoemde meisjes. Ik hoor ze praten over The Strokes, terwijl ik een nieuwe positie inneem die voorkomt dat ik naar een rug sta te kijken. Pa waagt zich later aan een dansje, onder goedkeurend oog van vrouwlief. Afijn, Howler, voor jong en oud dus. Zelf zijn ze ook nog redelijk jong: allemaal rond de twintig jaar. Met dik tien minuten vertraging komen ze het trapje opgelopen dat leidt naar de bühne. Drummer Brent Mayes tikt af en weg zijn ze, scheurend over onverharde muzikale ‘backroads’.

De enige keer dat even gas wordt teruggenomen gebeurt met “Too much blood”, dat dezelfde bitterzoete smaak heeft als “Psychocandy”. “Beach sluts” begint relatief rustig, doch dat is slechts stilte voor de storm. Sowieso krijgt het songmateriaal in de live uitvoering extra ‘schwung’ mee bijvoorbeeld in “America”. Opgevoerde surfrock, The Strokes via garagepunk en de rammelrock van The Libertines: het zijn enkele dragende muren waar de liedjes van Howler op zijn gestut, maar die van een fris likje verf zijn voorzien. Behalve de liedjes is er ook de uitstraling. Howler ziet eruit als een jongensclub waar je lid van zou willen worden, altijd een goed teken. Niet eens retecool en minder uniform dan bijvoorbeeld The Strokes in hun begindagen, maar het totaalplaatje klopt. De slungelachtige Jordan, die behoorlijk wat wegheeft van acteur Jon Heder, bassist Jay Simonson met zijn ter kniehoogte grote scheur in zijn spijkerbroek, de ongeschoren toetsenist Max Petrek met zijn kekke petje, de haarlok van gitarist Ian Nygaard en de al genoemde Brent die het presteert om tijdens een nummer lekker nonchalant met één hand te drummen en met de ander een blikje bier aan zijn mond te zetten. Tot hilariteit van de rest natuurlijk.

Over de later op de avond spelende band I Break Horses laat Jordan weten dat hij in eerste instantie de naam verkeerd had verstaan: I Rape Horses. Want ja, ‘break’ en ‘rape’ klinken in het Engels nou eenmaal op elkaar, verontschuldigt hij zich. Het leidt tot een ‘running gag’ wanneer een toeschouwer het woord ‘rape’ te pas en te onpas laat vallen (lees: schreeuwt), en de band daar weer vervolgens op reageert. Howler speelt iets van een half uur, ongeveer net zo lang dus als “America give up” duurt. “I told you once” en de uiterst aanstekelijke single “Back of your neck” – waar vooral die meisjes op lijken te hebben gewacht, en wat dansen ze aandoenlijk – sluiten de boel af. Geen toegift. Het had best iets langer gemogen, maar eigenlijk was dit precies goed. Je moet publiek niet verzadigen, maar hongerig laten blijven. Doen verlangen naar meer. En dat doet Howler deze avond. Gelukkig staat onze volgende ontmoeting al vast, want ze zijn geboekt voor London Calling. Zeker weten doe ik het niet, maar het lijkt me hoogstwaarschijnlijk dat ze op Pukkelpop en Lowlands te zien zullen zijn. En Pinkpop, waarom ook niet? Ik zeg: ga vooral kijken. Want dit is tot nu toe het leukste gitaarbandje van 2012!

Meer foto’s hier!

vrijdag 10 februari 2012

Januari 2012

CD’s

The Internet komt voort en maakt deel uit van het veelbesproken, controversiële rap collectief Odd Future, waar ik overigens tot op heden geen enkele affiniteit mee heb gehad. Voor The Internet, bestaande uit OF leden Sydney ‘Syd Tha Kid’ Bennett en Matthew ‘Matt Martians’ Martin, geldt het tegenovergestelde want het moet raar lopen wil “Purple naked ladies” mijn eindejaarslijst niet halen. Ik noem het – vast als enige – ‘lavalamp soul / hiphop voor de 21e eeuw’; het is hoe de muziek zich lijkt te bewegen: ondoorgrondelijk, vloeiend en fascinerend. En heel erg van nu, eigenzinnig wijzend naar de toekomst. Wat dat betreft zou Odd Future een toepasselijker naam zijn voor The Internet. De songs zijn losjes ineengevlochten, met onverwachte wendingen, zoetgevooisde vocalen met flarden van of verknipte stemmen, van warme tot bewust wankelende keyboardpartijen, experimentele probeersels, en verschuivende tonen en structuren zoals te horen op “C*nt” en “She dgaf”. Leve het internet!

Altijd spannend, wanneer de nieuwste revelatie / sensatie / redders van (gitaar)muziek wordt aangekondigd. De eer valt ditmaal te beurt aan het jonge kwintet Howler met aanjager Jordan Gatesmith als onbetwiste spil. Met zo’n opgelegde druk wordt niet slechts een goed, maar een exceptioneel goed album van je verwacht. Dat is hier teveel gevraagd, maar je hoeft niet uitzonderlijk te zijn om boven het maaiveld te kunnen uitsteken. En dat doet Howler dan weer wel, dankzij elf uptempo liedjes met pit die nooit langer duren dan noodzakelijk is en op smaak zijn gebracht met kloddertjes Strokes, Ramones (“Black lagoon”), The Replacements en The Jesus And Mary Chain (“Back to the grave”).

Hun debuutsingle “X-Ray” (2005) vond ik ooit goed genoeg om aan te schaffen, net als enkele daaropvolgende singles in het verdere verloop van hun carrière. En toch wilde ik maar niet aan de albums. “Given to the wild” brengt daar verandering in, te goed om te laten passeren. Je kunt aan alles horen dat het warme, gloedvolle “Given to the wild” ambitie ademt, hetgeen in het creatieve proces goed tot uitdrukking is gekomen. Het is de plaat die Coldplay na “A rush of blood to the head” had moeten maken. Wat dat betreft maken The Maccabees de grote sprong voorwaarts, ver weg van wat ik ooit als een variant op The Futureheads en Good Shoes etiketteerde, getuige songs als “Child”, “Forever I’ve known”, “Feel to follow” en “Glimmer” die deel uitmaken van de meest sterke, eerste helft. In 2010 stonden ze al eens (voor het eerst) op Pinkpop. Hopelijk vraagt Jan ze terug. 

Carney is een vanuit Los Angeles opererende band vernoemd naar de broers Reeve (zang, gitaar) en Zane Carney (gitaar), gecompleteerd met hun vrienden Aiden Moore en Jon Epcar op resp. bas en gitaar. De invloeden zijn eenvoudig traceerbaar: Jeff Buckley (“Love me chase me”, “Tomorrow’s another day”), Queen (“There she goes”), Led Zeppelin (“Testify”) en The Black Crowes, om er enkele doch belangrijke te noemen. En bijna overal sijpelt wel iets van bluesrock doorheen. Wie bij beluistering van “Mr. Green” het idee krijgt het al eens eerder te hebben gehoord, heeft dan ook gelijk, maar de gretigheid, de frisheid en het charisma dat van het songmateriaal afstraalt en de manier waarop de band ermee aan de haal gaat, doet dat ‘bezwaar’ al gauw verbleken. Reeve eist een natuurlijke hoofdrol op, iets waar zijn parallelle carrière als musicalster vast mee te maken heeft, maar ook zijn broer laat zich niet onbetuigd met krachtig en overtuigend gitaarspel. Reden genoeg om uit te kijken naar volume two.

Een goedmaker want deze LP (geen CD dus, want alleen op vinyl verkrijgbaar, maar je krijgt bij aankoop wel de downloadversie erbij inclusief bonustrack) had ik vorig jaar al aangeschaft doch onterecht vergeten bij mijn luistertips, dus nu alsnog onder de aandacht gebracht.  Verdiende aandacht want dit vind ik momenteel de beste band van vaderlandse bodem, uit Rotterdam om precies te zijn. Inspiratie haalt ROR met hun stekelige, hoekige liedjes uit new wave / postpunk bandjes zoals The Cure circa “Three imaginary boys”, Echo & The Bunnymen anno “Crocodiles”, The Fall en stadsgenoten Kiem. Hoogtepunten zijn de single met eenvoudig meezingrefrein “Lalalala”, “Plastic plaster” en “The moon is big”. Binnenkort in Sittard te zien, dus weet wat je te doen staat!

Dit album werd oorspronkelijk gratis weggegeven als download maar nu is er ook een fysieke versie van te verkrijgen, pas nadat vierde plaat “D” het licht zag. Dit is dus White Denims derde album en persoonlijk veruit te prefereren boven het vermoeiende muzikale gefreak en het gebrek aan echte liedjes waar de opvolger zo onder te lijden heeft. “Last days of summer” mag dan ook wel moeilijk nafluitbare nummers bevatten, maar hun lichtvoetigheid en de bedrieglijke ‘laidback’, uit de losse pols sfeer – want er schuilt een uitstekende technische beheersing en creatief vernuft achter – maakt dit album tot een prettige luisterervaring. Als fraai pastelgetinte vlinders fladderen de songs voorbij, luister bijvoorbeeld naar het instrumentale duo “Incaviglia” en “Light light light” of de verkoelende bris van “I’d have it just the way we were”.

De bandnaam doet suggereren dat we een plaat mogen verwachten met bepaald niet fijnbesnaarde klanken, rudimentair, banaal, beetje fout zelfs. Een misvatting want “Ester” is het resultaat van een eclectische muzikale smaak en kennis en verfijnde creativiteit. De band uit Londen is niet voor één gat te vangen. “Strangling good guys” stroomt tussen Lush, Cocteau Twins en My Bloody Valentine, The Raveonettes en Julee Cruise komen samen op “Wish you were red” en “Candy girl”, “Engelhardt’s Arizona” de zegen van Animal Collective mag verdienen, en “Los angered” zou een mogelijk volgende fase van Dum Dum Girls kunnen zijn. Interessante plaat.

The Men. Het klinkt lekker stoer en simpel. En die naam is goed gekozen, want “Leave home” is muziek voor mannen. Bruut, hard en geen gelul. Wel veel geschreeuw. De noiserock van het viertal uit Brooklyn dendert als een opgevoerde bulldozer door het muzikale landschap heen. “L.A.D.O.C.H.” is een log monster uit de stal van Swans, en op “( )” wordt Spacemen 3 (“Revolution”) geciteerd. In “Night landing” wordt een new wave band op de hielen gezeten door een stel schuimbekkende punkers. De textuur van de plaat bevat ook laagjes Big Black, Scratch Acid en Black Flag. Muziek voor en door mannen dus. Stoere mannen. 

Welke toekomst ziet The Big Pink voor zichzelf in het verschiet met hun tweede plaat? In ieder geval een ruk naar rechts want “Future this” is beduidend meer popgericht, opgewekter en minder zwaar dan zijn voorganger. Maar je kunt ook doorschieten natuurlijk, en dat is hier aan de hand. De twee songs waar de plaat mee opent ,“Stay gold” en “Hit the ground (Superman)”, zijn duidelijk geënt op “Dominos”, maar blijven minder lang hangen. “Give it up” en “Rubbernecking” hadden voor een boyband geschreven kunnen zijn, en uitgezonderd het gruizige “1313” slaagt de rest van “Future this” er niet in om echt te willen beklijven. Het album heeft zijn momenten, aardig genoeg om een song in eerste instantie het voordeel van de twijfel te geven, doch niets van dien aard dat je het anderen zou durven aanraden. En dat zal vast niet ‘the future’ zijn die TBP voor ogen moet hebben gehad.

Singles

Oorspronkelijk was  “Hookworms” alleen verkrijgbaar op audiocassette in een oplage van 150 stuks! Heel erg indie, exclusief en DIY maar daar bereik je natuurlijk niet veel mensen mee, ook al raakte de cassette uitverkocht. Gelukkig heeft dit kwintet uit Leeds dat ook ingezien, dus nu is er deze op vinyl uitgebrachte EP, en je krijgt er een code bij voor de digitale, gratis te downloaden versie. Een goede zet want dat biedt extra passagiersruimte voor een reis door het spacerock – Krautrock – drone universum, waar nog steeds het licht van dode sterren schijnt met namen als Spacemen 3 en Loop en we de relatief nieuwe planeet Wooden Shjips aandoen. “Medicine cabinet” maakt de titel waar, alsof iemand teveel uit het medicijnkastje heeft gesnoept, net als “I have some business out west”.

Net als het hierboven besproken Hookworms is Younghusband door NME over het hoofd gezien in hun maar liefst 100 tellende muzikale tips voor 2012. Dan doe ik dat maar want na een eerste, prima single (“Carousel”) laat de band dit keer van zich horen met een opnieuw kwalitatief sterke release. Het betreft een EP met vier nummers, waar The Stone Roses in Strawberry Fields rondwaren (“Tropic of cancer”), The Horrors een stevige hand wordt gegeven in “Reunion message” en we lichtelijk bedwelmd raken dankzij de zweverige, psychedelische popwalmen van “Neon heartbreak”.

De oorspronkelijke 300 stuks tellende uitgave van het debuut van Toy, een 12” op het Heavenly label, is al uitverkocht. Een tweede persing biedt uitkomst, net als de gratis, legale download. Zeker doen, want het kwintet uit Londen maakt indruk met het bijna acht minuten klokkende “Left myself behind”, met de primaire Krautrock kleuren van The Horrors op het canvas aangebracht, toewerkend naar een climax. B-kant “Clock chime” mag er ook wezen, met zijn zo nu en dan aanzwellende S.C.U.M.-achtige synthesizerklanken. Een beloftevolle band.

Eveneens een goedmaker (zie hierboven bij Rats On Rafts) want ook op deze release moet de spotlight worden gevestigd. De zusjes Hannah en Colette Thurlow, want zij zijn 2:54, brachten in 2011 hun niet onaardige debuutsingle uit doch ze wisten me live niet te overtuigen op London Calling. Overtuigen doen ze nu wel met deze 10” EP die vier songs die niet voor elkaar onder doen, al genieten “Wait/awake” en “Got a hold” een lichte voorkeur. Dit is zwoele en verleidelijke indierock – denk in de richting van een alliantie tussen Warpaint, shoegazepop en de broeierige momenten van The Duke Spirit – met bijpassende sensuele zang (dankzij Colette). 

Het race circuit van Little Racer bevindt zich in Brooklyn, en achter het stuur zitten drie mannen. Ze zijn op weg naar de kust, zoals de songtitel al aangeeft, hebben er zin in en zo klinkt het liedje ook. Met een jengelend gitaartje dat de richting aangeeft, zorgeloos tuffend naar een bestemming waar lo-fi garagepop met de zilte geur van Beach Boys op ze wacht.                    

Verse melk, want pas de tweede single, van Theme Park, maar als je de ingrediënten op het pak bekijkt dan is goed te lezen is het hoofdbestanddeel wordt gevormd door een band die al een jaar of twintig niet meer bestaat: Talking Heads. Voor melkverzuring hoeft echter niet te worden gevreesd, want “Milk” smaakt funky, dansbaar en fris. Een imitatie van de neurotische stem van David Byrne blijft wijselijk achterwege.

Voor zover mij bekend is “Teen jamz”, een EP met vijf nummers, het eerste wapenfeit qua fysieke output van deze band uit Brighton, gecentreerd rondom Sam McGarrigle. Qua productie is gekozen voor een lo-fi aanpak, die onder meer tot uitdrukking komt in de taperuis die je aan het begin en einde hoort van de glamrock / indie poprock liedjes met trekjes psychedelica en chillwave. Een aparte mix waarin The Flaming Lips het doen met T-Rex, en Ariel Pink met Mott The Hoople. De stem van Sam klinkt vreemd en vrouwelijk, lichtelijk vervormd denk (en hoop) ik toch. Zolang het intrigerende liedjes oplevert als “Sweetest touch”, vind ik het best.

Deze band heeft zich vernoemd naar de gelijknamige, door Syd Barrett gepende, Pink Floyd song, en net zoals de eigenzinnige artiest dat ooit deed, verkent dit viertal uit Londen liever kronkelige wegen dan gebaande paden. Ik houd ze al een tijd in de gaten, en dat valt niet mee omdat ze onder de radar opereren en slechts sporadisch opduiken. “Spindle”, eigenlijk alweer voorbij eer je er erg in hebt, hoort thuis in een niet gesubsidieerde ‘art punk’ omgeving. Alsof je The Slits twee nummers door elkaar hoort spelen.

zondag 22 januari 2012

Echo And The Bunnymen / Coves - Amsterdam : Paradiso : zaterdag 21 januari 2012


Ooit was het integraal spelen van ‘klassieke’ albums door de makers ervan een noviteit, maar in de loop der jaren is het een bijna vertrouwd onderdeel geworden van de concertagenda. Zeker voor bands die hun topjaren al lang en breed achter zich hebben liggen, is het een doorgaans lucratieve manier geworden om zichzelf weer in de schijnwerpers te zetten en tegelijkertijd het publiek, meestal behorend tot de oudere jongeren of een tandje hoger, een nostalgietrip te bezorgen. De afgelopen jaren heb ik er  dankbaar gebruik van gemaakt, met uitvoeringen van onder andere de eerste twee albums van Buzzcocks, Killing Joke, Joy Division en “Love” van The Cult. Vanavond is het de beurt aan Echo And The Bunnymen die in een uitverkocht Paradiso hun debuut “Crocodiles” (1980) en de magistrale opvolger “Heaven up here” (1981) ten gehore brengen. Jammer genoeg niet in de originele bezetting wat overigens ook niet mogelijk was geweest aangezien drummer Pete De Freitas in 1989 omkwam tijdens een motorongeluk. En oud-bassist Les Pattinson maakt al jaren liever boten. Gelukkig heb ik ze in de jaren tachtig nog in de oorspronkelijke line-up mogen meemaken. E&TB is anno 2012 op de planken uitgegroeid tot een sextet, met zanger en frontman Ian McCulloch en gitarist Will Sergeant als enige originele bandleden.


Voordat de tijdmachine in werking wordt gesteld, blijven we nog even in het heden met een voorprogramma namens Coves, die een half uur later dan aangekondigd – dat belooft niet veel goeds – h
un opwachting maken. Coves is een duo bestaande uit vocalist Beck Wood (lang haar, tamboerijn, heeft iets 60er jaren over zich) en zingende gitarist John Ridgard die graag een ‘twang’ uit zijn instrument mag halen . De rest van de muziek komt uit een doosje. Het doet me nog het meest denken aan Raveonettes waar ze derhalve een geschikte support act voor zouden zijn geweest. Of ze de status van support act gaan overstijgen is de vraag, want echt opmerkelijk is het allemaal niet. “Cast a shadow” is bijvoorbeeld een aardige song, maar het wil uiteindelijk niet beklijven.

Ondanks het te laat gestarte voorprogramma, beginnen E&TB met slechts tien minuten vertraging. Het licht wordt gedimd, de introtape wordt gestart en één voor één komen de bandleden de bühne op, Ian uiteraard als laatste. Als backdrop is, wat voor de hand had gelegen, niet gekozen voor de albumhoezen van de te spelen twee platen. In plaats daarvan bestaat de aankleding uit camouflagenetten, precies zoals de band dat ruim dertig jaar geleden deed. De belichting is spaarzaam: zo blijft Ian gedurende het hele concert vaak niet meer dan een zwarte silhouet. Heel af en toe verschijnt ter hoogte van zijn gezicht een rood lichtpuntje van een aangestoken sigaret, want op het podium geldt blijkbaar geen rookverbod.  Ian blijft achter zijn microfoon staan en maakt tussen de nummers door vaker niet dan wel verstaanbare opmerkingen. Ik krijg in ieder geval mee dat hij oprecht blij is weer terug te zijn in Paradiso, en zo is ook zijn dank gericht aan het publiek dat “The disease” van ritmisch geklap voorziet. Qua show valt er weinig te beleven maar dat geeft niets, want de concerten moeten het van de songs hebben en die hebben zich al lang en breed bewezen. Ze mogen dan wel drie decennia oud zijn, maar voor mij zijn ze tijdloos gebleven.


Debuutalbum “Crocodiles” wordt zonder oponthoud uitgevoerd. Geen onnodig rekken of andere fratsen, en trouw aan de plaatversies zoals iedereen ze kent. Alleen in “Villiers terrace” neemt de band een kort uitstapje naar “Roadhouse blues” van The Doors, als een soort eerbetoon aan een van hun invloeden. Single “Rescue” wordt met veel gejuich onthaald, zelf kick ik nog het meest op “Monkeys” en “Crocodiles”. Overigens wordt de samenstelling van het oorspronkelijke album gehandhaafd, want op sommige latere uitgaven is “Do it clean” opgenomen, dat dus vanavond niet wordt gespeeld. Hoe dan ook, ik geniet met volle teugen. Nadat de plaat met “Happy death men” is geëindigd, kondigt Ian aan dat “Heaven up here” gaat worden gespeeld… en vervolgens marcheert de band het podium af! Wat volgt is een kwartier durende pauze, kennelijk nodig omdat “Heaven up here” wat technische aanpassingen in de setup vergt. Ik zie een paar roadies wat andere gitaren neerzetten, iets met de setlist doen, een handdoek of fles water verversen, en begin me af te vragen of dit onverwachte intermezzo, wat de vaart uit het concert haalt en de roes doet oplossen in vol zaallicht, wel echt nodig is. Of zouden vijftigers Ian en Will het soms fysiek niet meer trekken om zo’n twee uur non-stop op te treden?  Het zal niet het enige vraagtekens oproepende moment van de avond blijken te zijn…

Hoogtepunt van new wave klassieker “Heaven up here” is “Over the wall”, waarvan de titel door sommigen al driftig wordt geschreeuwd voordat het goed en wel begonnen is. Het is dan ook een van hun beste nummers, zo niet hét beste wat ooit uit E&TB is voortgekomen. Imponerend, mysterieus, overweldigend. Ik zal het zelf meer als tien jaar geleden voor het laatst live gehoord hebben. Eveneens sterk is “Show of strenght” en “All my colours”, ook wel “Zimbo” geheten, wordt met enthousiast gejoel onthaald. Maar na de uitvoering van laatstgenoemde gebeurt er iets merkwaardigs: de band verlaat opnieuw het podium. Weer een technische dan wel plaspauze? Hoe dan ook is de timing vreemd, want “Heaven up here” telt nog drie nummers: “No dark things”, “Turquoise days” en “All I want”. Komen die dan als toegift aan bod? Het antwoord stelt teleur: ze worden simpelweg genegeerd en overgeslagen. Naar het waarom kan alleen gegist worden, maar als je een album integraal gaat uitvoeren, dan verwacht ik dat het van A tot Z wordt gespeeld, en niet van A tot P. De band komt weliswaar terug, tweemaal zelfs, maar de toegiften vallen onder de categorie ‘hits’ en hebben verder geen relatie tot “Crocodiles” en “Heaven up here”. Dan zouden “Do it clean”, “Read it in books” en “The puppet” toch logischer zijn geweest. En zo eindigt de avond toch een beetje verwarrend en met een kleine teleurstelling, wat overigens niet wegneemt dat het over de gehele linie erg de moeite waard is geweest en ik het niet had willen missen. En ach, vierde album “Ocean rain” (1985) is enkele jaren geleden ook al eens in zijn geheel gespeeld, zij het incidentele keren, dus als ze die in de toekomst nou op tournee nemen, dan wil ik die missers van vanavond best door de vingers zien.


Setlist: Going up * Stars are stars * Pride * Monkeys * Crocodiles * Rescue * Villiers Terrace *  Pictures on my wall * All that jazz * Happy death men * Show of strength * With a hip * Over the wall * It was a pleasure * A promise * The disease * All my colours * (toegift 1) The killing moon * The cutter * (toegift 2) Nothing lasts forever * Lips like sugar

Meer foto’s !

zaterdag 21 januari 2012

Wild Palms - Heerlen : Nieuwe Nor : vrijdag 20 januari 2012

Voor mijn eerste concert van dit jaar hoef ik eens niet de provinciegrenzen te overschrijden, en dat is wel zo prettig. Niet dat er in Limburg niks te beleven valt, maar het betreft hier een nieuw, ‘hip’ Brits indie bandje en daarvoor ben ik over het algemeen aangewezen op zalen buiten de provincie zoals de Effenaar, Doornroosje of Paradiso. Een omhoog gestoken duim zodoende voor de Nieuwe Nor die het aandurft om Wild Palms, de band in kwestie, naar Heerlen te laten komen, in het kader van een Europese tournee waarbij Heerlen het spits afbijt. De boeking is een risico want de band is niet bepaald bekend, ze hebben geen hit of iets wat daarop lijkt op hun naam staan en van een hype is evenmin sprake. Eerder het tegendeel, want hun in maart jongstleden verschenen debuutalbum “ Until spring” kreeg hooguit redelijke, veelal matige kritieken terwijl het toonaangevende NME niet verder kwam dan een ‘5’ (op een schaal van 10) en sindsdien geen enkele aandacht meer aan de band schonk. “We’re not in music to be a fad band”, heeft zanger Lou Hill zich in een interview laten ontvallen, dus die kan er niet wakker van hebben gelegen. En dan zal het hem evenmin boeien dat ondergetekende op zijn weblog het album typeerde als: “Until spring” luistert als geheel best lekker weg, maar het heeft toch wat te lijden onder het gemis aan individuele afmakers.”

Oorspronkelijk zou Wild Palms een dag eerder hebben opgetreden, maar een boekingsfout heeft ervoor gezorgd dat ze een dag later in de Nieuwe Nor staan. Misschien maar goed ook, want nu zijn ze  onderdeel geworden van het festival “Booch! Binnen!” wat op basis van die vlaggennaam wellicht voor meer bezoekers zorgt. Bovendien is het weekend begonnen, wat mensen er eerder toe beweegt erop uit te gaan. Ik heb er namelijk een hard hoofd in dat de band op eigen kracht veel publiek had getrokken. Qua drukte is het vanavond zoals ik van tevoren had verwacht. Wanneer ik de Nieuwe Nor binnenkom,  staat driekwart van de band rondom de tafel tegenover de garderobe waarop hun merchandise ligt uitgestald. Aan de muur hangen goedkoop ogende T-shirts die niet tot aanschaf uitnodigen, terwijl ze online wel mooie designs aanbieden. Volgens de website van de Nieuwe Nor staat Wild Palms gepland van 21.00 u tot 22.00 u. De praktijk is helaas anders want pas rond 21.20 u gaat het concert van start om vervolgens om 21.55 u te eindigen. Gelukkig wordt de ingeperkte speeltijd goed benut.

De sound van Wild Palms, in ieder geval op plaat, is een amalgaam van andere Britse indie bands. Het wil per song ook wel eens wisselen. De ene keer hoor ik Manic Street Preachers voorbijkomen, dan galmen de gitaren volgens U2 recept, “Hé, daar hebben we Wild Beasts”, en vervolgens wuiven de palmen van postpunk naar shoegaze. Muzikale gevarieerdheid valt te prijzen maar soms kan het indicatief zijn dat de te volgen koers nog niet is bepaald. Zet hoekige debuutsingle “Over time” naast opvolger “To the lighthouse”, en je denkt met twee verschillende bands te maken te hebben.  Vanavond is op de bühne echter geen sprake van enige vorm van stuurloosheid. De setlist is een coherent geheel, en de nummers sluiten beter op elkaar aan, ook de paar nieuwe songs – titels mij nog onbekend – die ten gehore worden gebracht. Het concert is van dien aard dat het de vraag oproept waarom Wild Palms nog niet op London Calling te zien is geweest, en op Pukkelpop – in de Club – zouden ze evenmin misstaan. De band opent overtuigend met het al genoemde “To the lighthouse”, waarin Lou Hills voor het eerst zijn falsetstem opzet en gitarist Darrell Hawkins – met toffe 50s style creepers en knalrode sokken, een belangrijk modedetail! – de snaren laat fonkelen en op een gegeven moment het shoegazepedaal indrukt. Wie ook iets indrukt, is ondergetekende, en wel de on/off toets van zijn fotocamera, om vervolgens – niet voor de eerste keer trouwens – te worden geconfronteerd met de melding ‘vervang de batterijen’. Weet u meteen waarom de kiekjes van dit optreden niet optimaal zijn…


Zoals gezegd is het na een dik half uur al gedaan –  de toegankelijke single “Delight in temptation” mag als afsluiter dienen – en behalve die batterijenkwestie valt er nog een andere minpunt te noteren: de band heeft mijn favoriete nummer “Pale fire” niet gespeeld, en dat in de hoop en overtuiging dat uitgerekend die song niet zou ontbreken. Alle reden dus om mijn ‘beklag’ te doen bij de band die zich na afloop wederom collectief bij de merchandise heeft verzameld. Excuses worden geboden, uitleg wordt gegeven – het nummer was te langzaam om binnen de rest van de setlist te passen, verklaart de aimabele, boomlange bassist Gareth Jones (geen familie van de gelijknamige producer die ook Wild Palms voor zijn rekening nam!)  – en ik krijg wat merchandise voor niets toegeschoven. Er wordt nog meer gebabbeld, ook mijn drankgenoten knopen een gesprekje aan en mijn uitgevoerde ingeving om tenslotte met zijn allen op de foto  te gaan – met behulp van eerder genoemd haperend toestel en een geduldige garderobemedewerker – vormt de slagroom op de taart. Tegen die tijd zijn we al de zaal uit gevlucht waar een jeugdig ogend dubstepcollectief van start is gegaan. Doch dat is slechts bijzaak want het kan het gevoel van een goed begin van een nieuw concertjaar niet wegnemen.


Meer foto’s hier!

zaterdag 31 december 2011

JAARLIJSTJES 2011

De muzikale jaarlijstjes. De ene keer is het makkelijk, de andere keer een stuk moeilijker. De lijstaanvoerders heb ik vaak al gauw in mijn hoofd zitten, maar hoe meer je naar ‘beneden’ gaat in de ranglijst wordt het een stuk lastiger. Wat maakt  bijvoorbeeld nummer 6 beter dan nummer 7? Of 8 slechter dan 5? Rationeel gezien is het niet eenvoudig te beredeneren, dus moet ik maar op het gevoel afgaan. Maar wat uiteraard ook van belang was: welke cd’s koos ik het vaakst op mijn iPod? Dit jaar was het probleem niet zozeer dat ik moeite had om de volgorde onder de nummer één te bepalen, als wel het bepalen wie als winnaar uit de bus moest komen. Om mezelf hoofdpijn en spijt achteraf te besparen, heb ik gekozen voor de makkelijkste oplossing: een combinatie van ex aequo en creatief boekhouden, om het zomaar te zeggen. Althans bij de singles en de concerten, want daar zag ik mezelf geconfronteerd met onmogelijke keuzes.

CD’s

01 PJ HARVEY – Let England shake
02 ICEAGE – New brigade
03 THEE OH SEES – Carrion crawler / The dream
04 THE VACCINES – What did you expect from the vaccines?
05 UNKNOWN MORTAL ORCHESTRA – Unknown mortal orchestra
06 VERONICA FALLS – Veronica falls
07 LOWLINE – Lowline
08 FRIENDLY FIRES – Pala
09 KASABIAN – Velociraptor!
10 THE VIEW – Bread & circuses
11 THE RAPTURE – In the grace of your love
12 ERLAND & THE CARNIVAL – Nightingales
13 S.C.U.M. – Again into eyes
14 THE HORRORS – Skying
15 AMY WINEHOUSE – Lioness: hidden treasures
16 THE STROKES – Angles
17 ARCTIC MONKEYS – Suck it and see
18 THE CROOKES – Chasing ghosts
19 EEFJE DE VISSER – De koek
20 ATARI TEENAGE RIOT – Is this hyperreal?

Met terugwerkende kracht


01 THE JESUS AND MARY CHAIN – Psychocandy
02 NIRVANA – Nevermind
03 POP WILL AT ITSELF – Now for a feast
04 PRIMAL SCREAM – Screamadelica
05 THE SLITS – The John Peel sessions

Singles



01 Ex aequo : S.C.U.M. – Amber hands / SPECTRALS – Get a grip
02 FRIENDLY FIRES – Live those days tonight
03 THE VACCINES – If you wanna
04 S.C.U.M. – Whitechapel
05 FIXERS – Crystals (Here comes 2001 so let’s all head for the sun EP)
06 AZEALIA BANKS – 212
07 LANA DEL REY – Video games
08 NOEL GALLAGHER’S HIGH FLYING BIRDS – AKA…what a life!
09 YOUNG BOYS – Bring ‘em down
10 ISLINGTON BOYS CLUB – Pristine
11 HERCULES & LOVE AFFAIR – My house
12 BEADY EYE – Millionaire
13 CULTS – Go outside
14 PJ HARVEY – The words that maketh murder
15 MILES KANE – Come closer EP
16 THE LUCID DREAM – Love in my veins
17 DOG IS DEAD – Your childhood EP
18 YOUNGHUSBAND – Carousel
19 EXITMUSIC – From silence EP
20 BETH DITTO – EP

Concerten

Beste afscheidsconcert van 2011:
01 THE MUSIC – Leeds : O2 Academy : zaterdag 06 augustus 2011


Beste integraal uitgevoerd albumconcert van 2011:
01 ‘CLOSER’ door PETER HOOK & THE LIGHT – Eindhoven : Effenaar : dinsdag 20 december 2011


Best of the rest van 2011:
01 JANELLE MONÁE – Rotterdam : Ahoy : vrijdag 08 juli 2011
02 SEEFEEL – Amsterdam : Paradiso : zaterdag 26 maart 2011
03 THE SPECIALS – Brussel : Ancienne Belgique : woensdag 28 september 2011
04 PATTI SMITH – Hasselt : Ethias Arena : zondag 30 oktober 2011
05 DUM DUM GIRLS – Rotterdam : Rotown : zaterdag 09 april 2011
06 THE CORAL – Rotterdam : Stadsschouwburg : zaterdag 09 april 2011
07 THE RAPTURE – Amsterdam : Paradiso : vrijdag 11 november 2011
08 LES SAVY FAV – Rotterdam : Zuiderpark : zondag 03 juli 2011
09 CHAMELEONS VOX – Heerlen : Nieuwe Nor : zaterdag 29 januari 2011
10 KINGS OF LEON – Landgraaf : Megaland : zondag 12 juni 2011
11 PJ HARVEY – Amsterdam : Paradiso : maandag 30 mei 2011
12 NEW ORDER – Brussel : Ancienne Belgique : maandag 17 oktober 2011
13 THE VIEW – Amsterdam : Paradiso : vrijdag 20 mei 2011
14 MILES KANE – Amsterdam : Paradiso : maandag 21 maart 2011
15 THE VACCINES – Rotterdam : Zuiderpark : zondag 03 juli 2011
16 CAGE THE ELEPHANT – Landgraaf : Megaland :  zondag 12 juni 2011
17 THE CROOKES – Sittard : Fenix : dinsdag 10 mei 2011
18 PRIMAL SCREAM – Amsterdam : Paradiso : maandag 05 september 2011
19 COLDPLAY – Landgraaf : Megaland : zaterdag 11 juni 2011
20 VERONICA FALLS – Amsterdam : Paradiso : vrijdag 11 november 2011




woensdag 28 december 2011

December 2011

CD’s

THEE OH SEES – Carrion crawler / The dream

Het aantal singles en albums dat de in San Francisco residerende psychedelische noise / garagerockers Thee Oh Sees tot op heden hebben uitgebracht, is omvangrijk maar toch konden ze me niet verleiden tot een aanschaf. Daar is nu verandering in gekomen maar “Carrion crawler / The dream”, oorspronkelijk bedoeld als twee afzonderlijke EP’s maar uiteindelijk samengevoegd tot een LP, is dan ook zo’n plaat waar je niet omheen kunt. Voor garagerockbegrippen duren diverse nummers vrij lang, maar ze worden nimmer langdradig. Sterker nog: je wilt er van op en neer springen, over de grond rollen, luchtgitaar –of drum van spelen, kortom: door het dolle heen gaan. Precies wat een goede freakbeatplaat teweeg moet brengen. Neem bijvoorbeeld die “Lucifer Sam” / “Interstellar overdrive” gitaar op opener “Carrion crawler”, het orgastische “Contraption / Soul desert”, het stuwende, af en toe furieus uitbarstende “The dream” of de instrumentale Krautgaragerocker “Chem-farmer”. Een ‘must have’ voor liefhebbers van het genre en iedereen daarbuiten.

AMY WINEHOUSE – Lioness : hidden treasures
Een album uitbrengen (niet lang) volgend op de dood van een artiest met niet eerder uitgebracht materiaal van de overledene associeer ik over het algemeen met lijkenpikkerij. Even een snel financieel slaatje slaan over de dood van een ander, met als extra verdachtmaking een releasedatum die in de aanloop naar Kerstmis is geprikt. Geldelijke motieven zullen ongetwijfeld een rol hebben gespeeld, maar gezien de artistieke kwaliteit van het gebodene mag je als muziekliefhebber blij zijn dat deze plaat er is gekomen. Niet dat “Lioness” foutloos is, maar er staan evenmin halfbakken songs, ongewenste restjes of overbodige remixes op. Wat het album al de moeite waard maakt zijn de charmante reggaetrack “Our day will come”, de geslaagde (postume) collaboratie met Nas op “Like smoke”, en het jazzy duo “Half time” en “Best friends, right?” Ook de originele (cover)versie van “Valerie” mag er zijn, eigenlijk beter dan het nummer dat uiteindelijk werd uitgebracht. Of al deze songs het licht hadden gezien indien Amy nog had geleefd kan niemand weten, maar deze plaat maakt wederom duidelijk dat een uniek talent is heengegaan.

WEEKEND – Red
Alsof één deprimerend weekend nog niet genoeg was met de release van het eind 2010 verschenen debuutalbum “Sports”, komt het trio uit San Francisco nu op de proppen met een EP die al net zo min overloopt met het soort vreugde die je normaliter associeert met het weekeinde. “On my own, in the back, thought of death, made me laugh” zingt bassist / vocalist Shaun Durkan  in “Sweet sixteen”, dat qua sound en vrolijkheid op gelijke hoogte staat met “Faith” van The Cure en Joy Division met een kater. “Your own nothing” is als een verstikkende deken, en gelukkig breekt er een beetje licht door in het aan shoegaze appellerende “Hazel” en de liefdesverklaring aan golfers (?) “Golfers”. Maar de algehele teneur van “Red” – “Black” was een betere titel geweest – neigt je ertoe om na beluistering een opbeurend discoplaatje op te zetten. Voor het échte weekendgevoel.

Singles

S.C.U.M. - Whitechapel

Een terechte singlekeuze want na “Amber hands” is dit het tweede beste nummer op album “Again into eyes”. Majestueus glijdende synthesizerklanken, een straffe beat, een ‘groovende’ bas, het lijkt wel Simple Minds anno ’80-’81. Schitterend!

THE LUCID DREAM – Love in my veins
De eerste single sinds de prima, in 2010 verschenen “In your eyes” EP. De jaren zestig, psychedelica, noise en Spacemen 3 komen samen op een naar het debuutalbum (wanneer, jongens, wanneer?!) doen verlangend plaatje. Tot die tijd draai ik “Love in my veins” nog maar eens.

OUTFIT – Two islands
Nieuwe band met potentieel, afkomstig uit Liverpool. “Two islands” is voor zover ik weet hun debuutsingle, een met zorg gemaakte ritmische popsong die toegankelijk is en zich tegelijkertijd voortbeweegt over een schurende onderlaag van zachtjes brommende, beetje dreigende gitaren, wat deze single een scherp, intrigerend randje meegeeft. Hier wil ik wel meer van horen.

THE SOFT MOON – Total decay
Op het debuutalbum van The Soft Moon waren omschrijvingen als ‘beklemmend’, ‘kil’ en ‘gespannen’ van toepassing, en muzikaal dezelfde bloedgroep delend met cold / dark wave. Alleen al de titel van deze EP (met vier nummers) is een duidelijke hint dat de sfeer er niet vrolijker op is geworden. En dat bewijzen de songs, die zo op een 4AD plaat rond begin jaren tachtig hadden kunnen worden geperst, of zich anders wel naast The Cure circa “Pornography” zouden nestelen.

ZULU WINTER – Never leave
Kwintet uit Londen dat debuteert met een single die iets wegheeft van een niet gladgestreken Coldplay vermengd met Friendly Fires anno nu (“Pala” dus). Het management dat zich ontfermde over Kaiser Chiefs, White Lies en The Vaccines, heeft zich nu op Zulu Winter gestort. En alhoewel in het verleden behaalde successen geen garantie zijn voor de toekomst, stemmen de eerste vooruitzichten positief.

DOG IS DEAD – Hands down
Ik blijf het een stupide groepsnaam vinden, zeker voor een band die bepaald geen doodse indruk maakt. Deze wel degelijk levende hond snuffelt in “Hands down” aan de konten van Bombay Bicycle Club en Local Natives, en herkent in de gecombineerde geur iets waar ze zich zowel een beeld als een geluid bij kunnen vormen.

THE LUCID DREAM – Heartbreak girl
Dit viertal uit Carlisle kan al sinds hun eerste (split) release op mijn warme belangstelling rekenen.  En nog steeds, dankzij “Heartbreak girl”, dat staat voor twee minuten en zes seconden aan sixties garage pop, van tijd tot tijd versnellend waarbij ze dan ook maar meteen de gitaren laten knallen.

BY THE SEA – Waltz away
Sextet uit Wirral (Liverpool), tevens de geboorteplek van The Coral. Je ontkomt er niet aan om beide bands met elkaar te vergelijken want als in “Waltz away” opeens de stem van James Skelly zou opduiken, zou niemand er raar van opkijken. Nu nog het songschrijverstalent van James. Het kabbelt wat voort, maar naarmate het liedje vordert, wordt dat grotendeels goedgemaakt.

DZ DEATHRAYS – Gebbie St.
Gebbie Street. Zou dat in Australië liggen? Want daar komen de twee jongeheren die deze band bemensen (op basgitaar en drumstel) namelijk vandaan. Ik speculeer dat het duo elkaar gevonden heeft in een gezamenlijke liefde voor het dit jaar weer uit de dood herrezen Death From Above 1979. Dit lijkt me typisch zo’n band die je live moet zien om hun volle energieke glorie te kunnen ervaren. Deze eerste single is daar een indicatie van.

NIKI & THE DOVE – The fox
Geen Niki, geen duif maar wel zangeres Malin Dahlström en muziekmaker Gustaf Karlöf uit Zweden. Samen zijn ze verantwoordelijk voor electropop, maar niet zoals andere vrouw / man duo’s in hetzelfde genre zoals La Roux en Goldfrapp dat doen. Er zit een interessante ‘twist’ in. “The fox” is derhalve à la Rivella: een beetje vreemd maar wel lekker.

SPEAK & THE SPELLS – She’s dead
Horrorgaragerock van een jong trio uit Londen dat wellicht liever had gezien dat The Horrors zich niet muzikaal hadden ontwikkeld na “Strange house”. “Echter, wij kunnen nu mooi in dat achtergelaten ‘gat’ springen”, zal S&TS hebben gedacht. De vraag is of iemand daar echt op zit te wachten.

BEATY HEART – 2Good
Geen idee wie er achter Beaty Heart schuilgaat of waar hij / zij / ze vandaan komen, maar naar dergelijke informatie ga ik meestal pas op zoek wanneer de muziek daar aanleiding toe geeft. “2Good” is helaas niet de kwalificatie die ik aan dit nogal rommelige ‘chillout wave’ nummer kan geven, zeer waarschijnlijk geïnspireerd door Animal Collective maar niet met dezelfde kwalitatieve inspiratie van laatstgenoemde.

BEING THERE – The radio
Of ze zich vernoemd hebben naar de gelijknamige, ‘must see’ film met een glansrol voor Peter Sellers weet ik niet, maar als dat zo is, dan is het een weinig opzienbarend eerbetoon. De groepsnaam kan beter letterlijk genomen worden: er zijn, en meer niet. Dus zonder impact te maken. Dat gaat je ook niet lukken met dit Pains Of Being Pure At Heart-achtig niemendalletje.