dinsdag 24 juli 2012

Pinkpop (dag 2) - Landgraaf : Megaland : zondag 27 mei 2012

De tweede dag van Pinkpop gaat feestelijk van start met het Franse gezelschap Babylon Circus, dat op het hoofdpodium volksmuziek, polka, punk en reggae combineert tot iets wat grofweg het midden houdt tussen Mano Negra en Gogol Bordello. Vrolijkheid troef, ook al heeft het voor mij hoofdzakelijk de functie van achtergrondmuziek, bijpratend met bekenden die ik tegenkom achter de kassa of achter de bar, daarmee een bijdrage leverend voor hun vereniging. Ofschoon iets drukker dan een dag eerder – 43.000 tegenover 37.000 bezoekers, zo horen we later – voelt het ook vandaag weer vrij relaxed aan. Over het weer valt evenmin wat te klagen, al zorgt het wel met het oplopen van de temperatuur voor een hoop volk bij de WML kramen, die gratis bekertjes water uitdelen. En dan te bedenken dat een aantal jaren geleden je daar nog bonnen voor moest lappen. Gratis bier op Megaland zal echter wel altijd een utopie blijven…

De dorst laat zich betaald dan wel gratis lessen, maar voor honger moet nog gewoon betaald worden. Jammer dus voor de Hungry Kids Of Hungary, maar die ietwat melige naam moet natuurlijk niet letterlijk worden genomen, al was het maar omdat ze uit Australië komen. Niettemin weten ze wel mijn honger te stillen naar opbeurende, ongecompliceerde – maar niet oppervlakkige – popmuziek die op momenten doet denken aan Vampire Weekend, soms aan Supergrass maar hoe dan ook prettig aanstekelijk van toon is. Een aangename verrassing, want ik kende de band nog niet, en zelfs hun naam deed geen belletje rinkelen, maar zoals gezegd is mijn honger even gestild. Maar ik heb wel trek gekregen in hun debuutalbum! 

Minder trek heb ik in Racoon, maar dat zal ze vast niets deren, aangezien ze zich in de loop der jaren hebben opgewerkt tot een van de succesvolste Nederlandse bands van de laatste jaren. 10.000 Racoon fans – het aantal dat in de grote zaal van de door hun uitverkochte Heineken Music Hall past – can’t be wrong, toch? Afijn, ik gun het ze wel, al was het maar vanwege hun bescheidener opstelling dan Kane, maar fan numero 10.001 zal ik nooit worden. Daar is het me allemaal toch iets te degelijk voor. De band heeft zich voor de gelegenheid omringd door blazers en strijkers, en met een cover van “Eleanor Rigby” en een stukje “Clint Eastwood” van Gorillaz hebben ze toch even mijn aandacht te pakken, zelfs al is dat in beginsel de verdienste van de originele auteurs.

Negen jaar geleden, op het Metropolis festival in Rotterdam, maakte ik voor het eerst kennis met Mastodon. Ik ben niet echt een ‘metalhead’ maar het optreden van de band sprak me wel erg aan. In ieder geval voldoende om een jaar later album “Leviathan” aan te schaffen, de conceptplaat rond Moby Dick. We zijn inmiddels drie albums verder en Mastodon is gepromoveerd tot Pinkpop, als een van de weinige vertegenwoordigers dit jaar uit de metal, hardrock en aanverwante roedel. “Metal voor mensen die niet van metal houden”, zo laat de Pinkpop info ons weten, wat dan wel een verklaring moet zijn voor hetgeen me al die jaren geleden op Metropolis overkwam. De naam van de band dekt de lading, en zeker twee van de vier leden hebben net zo’n “Quest for fire”-achtige (lees: prehistorisch) look als het dier waar ze zich naar vernoemd hebben. Stoere muziek door stoere mannen, bruut, log en harig. Een passende soundtrack voor plunderende Vikingen, elkaar de koppen inslaande holbewoners of een (mast)indo(n) die zich een biertje laat smaken. 

Eerst was er het gelauwerde Kyteman Hihop Orchestra, vervolgens Kytecrash en nu zijn we aanbeland bij Kyteman Orchestra, het laatste maar beslist niet hét laatste muzikale project van en rondom spil Colin Benders. Publiek en pers heeft Benders tot dusverre aan zijn zijde gehad, en zonder met deze formatie ‘hits’ te hebben gescoord of massaal te zijn omarmd, mag het orkest wel meteen zijn kunsten komen vertonen op het hoofdpodium. Een gevalletje van avontuurlijk programmeren of gewoon een miskleun? Mijn idee zou het niet zijn geweest om deze weliswaar gedurfde maar hier ook misplaatste act neer te zetten. Beetje zwaar op de hand ook, en dan lonkt al snel het luchtiger hofje waar het mini-reuzenrad zijn rondjes draait en de sangria uit een emmer wordt geschonken. 

Zwarte muziek is wel vaker, en ook dit jaar weer, het ondergeschoven kindje geweest in de line-up van Pinkpop. Jammer, maar er wordt veel goedgemaakt door de toevoeging van Sharon Jones And The Dap Kings, een act die eerder al van zich deed spreken op North Sea Jazz in 2008 en 2010. Beide keren werden door ondergetekende gemist dus in zekere zin is dit voor mij een soort inhaalslag. Hopelijk doet het voorbeeld van Sharon Jones volgen, en mogen we in 2013 Janelle Monáe Pinkpop zien platspelen, wat haar op NSJ moeiteloos lukte. Maar goed, dat is een persoonlijke wens en ik dwaal af… Zo niet Sharon Jones & The Dap Kings dus, want de niet te temmen vijftiger en haar retestrakke begeleiders trakteert de tent op een onvervalst potje Soul en Funk in jaren 60 en 70 stiel, en ja, mét hoofdletters dus. Stilstaan is onmogelijk, en Sharon geeft het begrip ‘vijftig plus’ een heel andere, want behoorlijk positieve lading. Als een vrouwelijke variant op James Brown geeft ze zich voor de volle 100% en na afloop kan ik niet anders dan concluderen dat er een hoogtepunt van de dag valt te noteren. Het is de enige Pinkpop act dit jaar waar ik later op de dag een T-shirt van zal kopen. 

Weet je nog wel, oudje? Soundgarden in 1992, twintig jaar geleden. Het jaar dat Pearl Jam met het festival aan de haal ging. Die snoekduik van Eddie Vedder in het publiek, de regen, de modder. Het tenenkrommende interview van Jan Douwe ‘Kop houe!’ Kroeske met Chris Cornell na afloop van het Soundgarden optreden. Herinnert u zich deze nog… nog…nog?! Ja, zeg ik voorzichtig, want dat bewuste optreden kan ik me twintig jaar na dato natuurlijk niet meer helemaal voor de geest halen. Die regen en die modder wel trouwens. Gelukkig blijft ons dat vandaag bespaard, net als JD Kroeske. Het concert verloopt minder heftig dan tijdens de hoogtijdagen van grunge, en zo voelt het ook aan, maar ik kan daar persoonlijk niet om malen. “Rusty cage”, “Jesus Christ pose”, “Slaves and bulldozers”, “Spoonman” en “Black hole sun”: ik mag het graag eindelijk weer eens horen. De stembanden van Cornell zijn nog niet sleets, en bovendien is hij op het oude nest beter op zijn plek dan als soloartiest (boring!) of als onderdeel van het veel mindere Audioslave. 

Vooraan het podium gillende en luidkeels meezingende meisjes. Er begint er zelfs eentje te huilen, hetgeen door de cameraman wordt opgepikt, zodat even later iedereen op het veld via de grote beeldschermen getuige is van deze emotionele ontlading. Taferelen die we doorgaans kennen van boyband concerten, maar verantwoordelijk hiervoor zijn de mannen van Keane, of eigenlijk vooral zanger Tom Chaplin. Een onwaarschijnlijke pin-up, als je het mij vraagt, maar ik ben dan ook geen tienermeisje. Wat ik wel ben is trouw koper van Keane albums, zelfs in de wetenschap dat ze het niveau van doorbraakdebuut “Hopes and fears” nooit meer gaan evenaren. Maar ach, hoop doet leven, zelfs al zijn in het geval van Keane de ‘fears’ groter dan de ‘hopes’. Kortom, net als in 2009, toen Keane op ditzelfde podium stond, sta ik mee te zingen – beduidend minder hard en opzichtig dan die meisjes uiteraard – met “Somewhere only we know” en “Everybody’s changing”, me tegelijkertijd afvragend, gezien de publieksreactie, waarom de band geen plek op de ‘main stage’ is gegund. Een inschattingsfout, lijkt me zo. 

Ik moet me moeite getroosten om een liedje of zelfs maar de titel van een nummer van Linkin Park voor de geest te halen. Helaas, het lukt me niet. Als headliner had ik liever Maxïmo dan Linkin gezien, maar dat is even onrealistisch als wishful thinking. Maar goed, de band is blijkbaar populair, veel meer dan ik ooit had kunnen vermoeden, want toen ik vernam dat Linkin Park op Pinkpop zou komen, dacht ik hooguit “Dat zal dan wel” maar beslist niet “Dat is dus een headliner”. Afijn, dat is de band dus wel, en ik snap het nog steeds niet. Maar ik ben dan ook nooit liefhebber geweest van dit type Amerikaanse nu metal indie rock met rap, die ik, hoe snobistisch het ook mag klinken, tot het tienerdomein vindt behoren. Om me heen zie ik enkele vrienden en bekenden – allemaal van de volwassen variant – dansen, een refreintje meezingen, goedkeurend mee knikken en ik vraag mezelf serieus af of zij iets heel anders horen dan ik. “Blijf je niet tot het einde?” wil iemand oprecht weten, wat op dit moment hetzelfde is als vragen “Blief je nog wat poep in je oren?” Nee, liever niet eigenlijk. En met een gedecideerde mars richting uitgang laat ik het park achter me, om me bij het station te bezondigen aan een pizza slice die beduidend beter op de maag valt dan die zogenaamde headliner. 

Meer foto’s hier!

zondag 22 juli 2012

Pinkpop (dag 1) - Landgraaf : Megaland : 26 mei 2012

Aaah… Pinkpop! Sinds jaar en dag een vaste waarde in mijn festivalagenda en in dit 2012 mag er zelfs van een jubileum worden besproken. Want al 25 jaar is het festival gehuisvest in Megaland te Landgraaf na zoals bekend eerst Geleen en kortstondig Baarlo als thuisbasis te hebben gehad. De ter ere van dit jubileum vervaardigde en bij onder meer het VVV gratis te verkrijgen poster met daarop alle affiches van 25 edities Landgraaf – inclusief de huidige – doet me vol nostalgie terugdenken aan mijn eigen Pinkpopverleden. “Hé, waren die toen ook op Pinkpop?” “O ja, dat jaar regende het pijpenstelen!” en “Wat hebben we gelachen toen…!” zijn maar een paar van de gedachten die in mijn hoofd opborrelen bij het bekijken van de poster. Want ja, ook ik ben jubilaris, samen met vaste compagnon commando Billy, die ook dit jaar weer van de partij is. We kletsen bij met vrienden en bekenden terwijl op de achtergrond het Nederlandse Moss vergeefs zijn best doet om onze aandacht te winnen. Als het nou Kate Moss was geweest, dan zou ik misschien wel even richting podium zijn gelopen, puur uit oogpunt van ‘celebrity spotting’. Maar wat ik zie en hoor is eigenlijk net zo sexy als Aad de Mos. In een huispak. En dus drinken we maar weer een biertje, terwijl ik me zit te bedenken wat ik straks ga eten. 

De winnaar van Nu Of Nooit heet Major Tom, uiteraard een verwijzing naar David Bowie die zich al jaren niet meer heeft gemeld bij ground control. Jammer genoeg voor de band is onze TomTom ingesteld op een rondje terreinlopen waardoor de muziek niet meer is dan een korte soundtrack voor een wandeling tussen punt A en punt B. Ik sta even stil voor het maken van enkele kiekjes maar het is te kort om het viertal te categoriseren als zijnde ‘nu’ dan wel ‘nooit’. Of ‘misschien’ wellicht, maar ook daar hoor ik te weinig voor. Wat me wel bijblijft is major krom, en daarmee bedoel ik de softijs kraam waar men zonder blikken of blozen twee muntjes durft te vragen voor een simpel hoorntje. Voor alle duidelijkheid: één muntje staat gelijk aan € 2,50! Tijd voor Kamervragen, lijkt me. 

Op het hoofdpodium wordt het woestijnstof van stoner rock geblazen door Kyuss Lives! Ietwat ironisch, omdat Kyuss in ’95 het bijltje erbij neergooide, en belangrijk oer-lid Josh Homme niet van de partij is. Maar daarom, en wel zo verstandig dus, dat deze band zichzelf niet afficheert als Kyuss maar als Kyuss Lives! om het verschil tussen beide duidelijk te maken. En het kan tevens een rechten-kwestie zijn natuurlijk. Hoe dan ook, de band staat er, doet zijn ding, maar het kan me uiteindelijk minder boeien dan het feit dat er gesleuteld is aan de broodje beenham formule wat er in essentie op neerkomt dat de portie beenham is teruggeschroefd terwijl de prijs hetzelfde is gebleven. Dit mag dan Megaland in Landgraaf zijn, maar het voelt als een overvolle Zuid-Amerikaanse gevangenis waar je eveneens genaaid wordt waar je bijstaat. Ik overweeg even een bezoek te brengen aan de op het terrein aanwezige Amnesty kraam, maar het aanbod van een biertje weerhoudt me ervan. Doch veel had het niet gescheeld. 

Nog meer uit de oude doos: The Afghan Whigs, waarvan ik – tot op het moment dat ik ze voor Pinkpop bevestigd zag – eerlijk gezegd dacht: ach, bestaan die nog? Een fan of liefhebber ben ik eerlijk gezegd nooit geweest, maar goed, medio jaren negentig heb ik ze een aantal keren gezien, onder andere op Pinkpop dus, en dan stond ik toch vooral te wachten op “Miles iz ded”, zodat ik “Don’t forget the alcohol, ooh baby, ooh baby” kon meezingen. Dat moment besluit ik ditmaal niet af te wachten, want de prangende vraag dringt zich op: hoe laat begint The Cure ook al weer? Tja, met het afhaken van Kasabian wegens ‘familieomstandigheden’ is dat de enige band voor mij die er toe doet vandaag. Niet alleen voor ondergetekende natuurlijk, wat onder meer blijkt uit de verlopen look-a-like van Robert Smith die zich wellicht tot de meest gefotografeerde bezoeker mag rekenen; is het niet in zijn eentje dan wel op verzoek met iemand anders. En ja, ook ik kan het niet laten om ome Rob vast te leggen. 

De laatste keer dat ik de echte ome Rob zag, moet in Ahoy zijn geweest, volgens mijn povere geheugen ergens rond de tijd van achtste album “Disintegration” (1989). Een tijd waarin Robert Smith, zo kan ik me dan weer wel herinneren, in de wekelijkse Britse muziekbladen die ik toen las (en nog steeds) spottend ‘Fat Bob’ werd genoemd. Want ja, hij was een beetje aangekomen. En nu is hij weer aangekomen, niet qua gewicht, maar op Pinkpop, een kleine 25 jaar later dus nadat ik Robert en vaste sidekick Simon Gallup voor het laatst zag optreden. Een soort weerzien met een oude vriend, die geen spat veranderd is. En dat maakt het wel zo vertrouwd en aangenaam: in het zwart, bleek gezicht, roodgeverfde lippen en zwart omrande ogen. Ook nieuwkomer Reeves Gabrels, zijn eerste optreden met de band, moet eraan geloven. Nou ja, alleen de zwarte kleding dan. Afijn, de ‘look’ die rond “Pornography” gestalte kreeg, toen The Cure een piek van zwartgalligheid bereikte en Smith liet weten dat hij spelen voor een natgeregend publiek prefereerde omdat zij zich dan precies zouden voelen als de band.

Dertig jaar later mag het uiterlijk van de band dan hetzelfde zijn gebleven, doch de sfeer is verre van depressief. De zon schijnt, in het voorste vak heb je alle ruimte van de wereld – waardoor tussentijds een biertje scoren bij de bar geen probleem oplevert – en Smith is opgewekt en dankbaar. Opvallend hoe vaak ik niet het woordje ‘happy’ voorbij hoor komen in de gespeelde songs. Goed, het enige van “Pornography” geplukte nummer “One hundred years” mag dan beginnen met “It doesn’t matter if we all die”, maar des te meer contrasteert dat met de rest. Uit de hele oude doos worden alleen “Boys don’t cry”, “Play for today”, “A forest” en het al genoemde “One hundred years” opgedoken – album “Faith” blijft helaas buiten beschouwing – terwijl de rest van de set (bijna dertig songs lang, terwijl het zoveel langer had kunnen en mogen zijn) uit de grabbelton van de jaren daarna stammen. Niet alles uit de meest recente geschiedenis ken ik of kan me boeien, maar wat geeft het, want de setlist biedt voor elk wat wils, de hitjes ontbreken niet, de sfeer is gemoedelijk en de band mag dan oud zijn (in jaren) maar toont zich verre van versleten. Een hele dikke pleister, wat zeg ik, een complete verbanddoos op een verder weinig spannende programmering deze dag. En daarmee doet de band haar naam alle eer aan. 

Meer foto’s hier!

woensdag 4 juli 2012

London Calling (dag 2) - Amsterdam : Paradiso : zaterdag 19 mei 2012

Na een drukke dag is me amper tien minuten rust gegund voordat ik alweer de deur achter me dichttrek om op weg te gaan naar Paradiso, ten behoeve van de twee avond van het London Calling festival. De eerste band, China Rats, heb ik dan al gemist, maar volgens het tijdschema geven ze rond 02.15 u een tweede optreden. Hopelijk ben ik dan al niet gaar… Gelukkig haal ik het nog wel om het concert van Willis Earl Beal mee te maken, al val ik er wel pas halverwege in. Dat is echter genoeg om de goede man – meer dan een microfoon en een oude bandrecorder heeft hij niet nodig – in ieder geval te bestempelen tot het meest eigenzinnige talent van dit festival. Hij zingt en schreeuwt op een tussen soul en gospelachtige hangende wijze, maar niet zoals gebruikelijk. Willis Earl gaat op een stoel staan, maakt heftige bewegingen en komt op zijn zachts gezegd excentriek over. De bandrecorder doet ondertussen zijn werk en voorziet de met onrust, smart en emotie vervulde stem van Willis Earl van een aparte ondergrond van soul, blues en lo-fi. Een beetje vreemd maar wel gekker. 

Aangenaam verrast word ik door Clock Opera. Ergens in mijn platencollectie moet zich een 7” single bevinden, misschien zelfs twee, die niet vaak uit de hoes is gekomen. Misschien wordt het tijd er op zoek naar te gaan, of anders het debuutalbum van Clock Opera een luisterbeurt te gunnen. “Ways to forget” heet die, maar de songs hebben niet de neiging snel te vervliegen. Er zitten constructieve elementen in van The Maccabees in hun huidige vorm – zoals in de sterke single “Belongings” – als ook Elbow en Radiohead. Met zorg gewoven, gelaagd, spannend en als zodanig uitgevoerd. Het moment om vroegtijdig naar de kleine zaal vertrekken in afwachting op de volgende band, weet de band zo met ieder nieuw nummer voor me uit te stellen. 

Wanneer je duo New Look bekijkt, denk je niet meteen dat zij (Sarah Ruba) en hij (Adam Pavao) behalve muzikale partners ook geliefden zijn. Sarah heeft de uitstraling en het figuur van een fotomodel – wat inderdaad haar beroep is geweest – terwijl Adam een typisch geval van een nerd is. Het feit dat hij een baret draagt in de stijl van André van Duin typetje meneer de Bock draagt niet bepaald bij om die beeldvorming weg te nemen. Sarah heeft iets ongenaakbaars over zich, bijna arrogant of verveeld, maar tussen de nummers door giebelt ze als een meisje. “I’m having so much fun!” zegt ze, waarop ik niet alleen denk “Ach, gut…” doch ook: “Me too”. Want New Look ontpopt zich als een frisse verrassing met hun delicate electropop, die vaak eenzelfde intimiteit en breekbaarheid heeft als The XX, maar dan voorzien van een subtiele, dansbare beat. Het mooiste voorbeeld daarvan is het sensuele “Nap on the bow”. De verleidelijke stem van Sarah op een canvas van elektronische pop met verfijnde house trekjes werkt als een koele bries op een zwoele zomeravond. “Buy our album, it’s really good!”, deelt Sarah aan het einde mee. En gelijk heeft ze. 

Optimisme is iets wat de Noren wel kunnen gebruiken na het vorig jaar door Anders Breivik veroorzaakte bloedbad en het rechtbankproces dat nu gaande is, waarin de gruwelijke gebeurtenissen opnieuw (moeten) worden opgerakeld. Team Me is een zeskoppig gezelschap uit Noorwegen dat door hun uitbundigheid en enthousiasme dat optimisme vormgeeft. De band komt op mij nog het meest over als Arcade Fire in een kauwgomballenfabriek. De contouren zijn ongeveer gelijk, maar de invulling is speelser, kleurrijker en meer popgericht. Als ik heel eerlijk ben, is het aanvankelijk niet mijn ‘cup of tea’, maar gaandeweg begint Team Me vat op me te krijgen, en wordt me duidelijk waar ze hun vele loftuitingen aan te danken hebben. 

Asa Taccone is een klein opdondertje met een groot muzikaal hart. Hij, de helft van Electric Guest, beweegt zich springerig en enthousiast over het podium, als een veulen dat eindelijk weer de weide in mag. Nog een positief, en bepaald niet onbelangrijk punt, is dat de charismatische Asa, naast de energie die hij in zijn natuurlijke performance stopt, een stem heeft die prettig in het gehoor ligt en gevoed lijkt door het veelvuldig luisteren naar soul. Dat Brian Burton alias Danger Mouse de productie van EG debuutalbum “Mondo” op zich nam, is niet zo verwonderlijk, want er zijn muzikale verbindingen te maken met diens Gnarls Barkley. Genoemd album komt ruimschots aan bod, zoals de lekker dansbare pop van opener “Under the gun”, het naar hiphop neigende “American daydream” en het afsluitende hoogtepunt “This head I hold”, een snoepje Motown soul/funk dat naar mijn smaak tot een van de leukste singles van het jaar behoort. Deze gast mag vaker op bezoek komen. 

Net zoals het misser was om Grimes een dag eerder niet in de grote maar kleine zaal te laten optreden, mogen er ook vraagtekens worden gezet om Porcelain Raft op een ‘prime time’-achtig moment niet in de boven- maar benedenzaal te programmeren. Wat ik van tevoren al had vermoed / gevreesd is dat Porcelain Raft in de intiemere kleine zaal veel beter tot zijn recht zou zijn gekomen dan in de grote, waar het publiek het jammer genoeg gelaten over zich laat heenkomen. Het publiek moet je nu iets uptempo, dynamisch voorschotelen, niet een iets te statische man met een gitaar achter een microfoon geflankeerd door een drummer die ‘gewoon’ zijn werk doet, muziek voortbrengend die weliswaar mooi dromerig en ietwat zweverig van karakter is maar nu toch wat doodslaat en tot een schoolvoorbeeld mag dienen van goede band op de verkeerde plek. Je ziet het publiek in toenemende mate hun telefoon checken, gesprekken voeren, de zaal verlaten of het tijdschema bekijken. Tja…

In de categorie ‘kort maar krachtige garagerock albums’ die tot dusverre dit jaar zijn verschenen, voert Hooded Fang in mijn optiek voorlopig nog steeds de ranglijst aan met hun tweede worp “Tosta mista”. Enige toelichting of zo u wil nuancering met betrekking tot de categorieomschrijving is wel op zijn plaats, want de term garagepop zou eveneens mogen, van het kaliber opbeurend, simpel en effectief. En meezingbaar, niet te vergeten. Ik ben zodoende benieuwd of Hooded Fang in staat is om me ook live te overtuigen. Het antwoord is ‘ja’. Album “Tosta mista”, de titelsong incluis, wordt vrijwel geheel gespeeld, terwijl op de achtergrond iets ondefinieerbaars op een wit doek wordt geprojecteerd. Het Canadese kwartet, met een gevatte drummer, aandoenlijke bassist, talentrijke liedjessmid en eh… een gitarist in de gelederen, mag tijdens de soundcheck al op mijn sympathie rekenen en die is na afloop van het concert, nog geen half uur lang, alleen maar toegenomen. Het enige wat er nog aan ontbreekt, is de aankoop van mijn zoveelste T-shirt…

Vocalist Frederick Macpherson wil weten wie zijn band Spector op het vorige London Calling festival allemaal heeft gezien. Er klinkt wat geschreeuw en gegil, doch zelf kom ik niet verder dan het halfslachtig omhoog steken van mijn vinger. Ja, ik heb ze toen gezien, en slecht was het niet, maar zoals ik het zelf toen verwoordde: “Spector levert geen spektakel op”. Fred heeft een vlotte, bepaald niet van humor gespeende babbel, ze hebben een aantal aardige songs tot hun beschikking, maar niets van het niveau dat zich kan meten met het werk van de producer naar wie ze zich vernoemd hebben. Spector lijkt me daarnaast typisch zo’n band die buiten Engeland geen potten zal breken, en zelfs binnen de eigen landsgrenzen na enige gemiddelde succesjes geruisloos van het toneel verdwijnt. 

Iets tussen The XX en een melancholische Billy Bragg in, met een vleugje laidback jazz, dan heb je ongeveer wel een idee van de sound van King Krule alias Archy Marshall. Sinds zijn eerste kortstondige incarnatie onder de naam Zoo Kid, heeft deze talentvolle tiener mijn interesse weten op te wekken. Die nam alleen maar toe met de release van de eind vorig jaar verschenen debuut EP, onder zijn nieuwe, huidige alias. Zijn opvallende, volwassen stem contrasteert met zijn jochie-achtige, roodharige voorkomen, zelfs nog jonger lijkend dan hij feitelijk is; maar met zijn fraaie, sfeervolle en minimalistische liedjes, even breekbaar als zelfverzekerd – die iets meer body krijgen dankzij drie al net zo jong ogende bandleden – weet hij zodanig te overtuigen dat leeftijd of uiterlijk, als ze er al toe deden, volkomen irrelevant worden. Heerlijk, die onthaastende, reflectieve aard van “The noose of Jah City” of het al net zo mooie “Portrait in black and blue”. Waar King Charles een dag eerder faalde, gaat King Krule er deze avond met de kroon vandoor. Dat het debuutalbum maar snel mag volgen. 

Hoeveel lawaai kun je met zijn tweetjes produceren? Een hele hoop, zo leert ons het duo DZ Deathrays. Het tweetal uit Brisbane trekt namelijk flink van leer met hun recht toe recht aan rock waar de vonken van afspatten. Op het grote podium staan de twee eigenlijk te ver van elkaar af, maar de energie is er niet minder om. Met een nog warm uit de oven zijnde debuutalbum op zak, beschikt de band over voldoende munitie om de zaal in te vuren. En dat doen ze dan ook. De intensiteit waarmee het gebracht wordt is het bewijs dat het duo er helemaal voor gaat. Binnen het kader waarin DZ Deathrays opereert, met alleen zang, een gitaar en een drumstel als werktuigen, lopen ze soms tegen de beperkingen in variatie aan. Dan moet je wel gaan knallen om dat enigszins te kunnen maskeren. Ooit begonnen als sfeer verhogende act die alcoholrijke feestjes van vrienden en bekenden opleukten, nu een ver buiten hun thuisland Australië toerende band die precies hetzelfde doet, maar dan in zalen en op festivals. Misschien dat ze ooit weer eindigen als fuifnummers op feesten en braderieën, met mooie herinneringen aan een internationale carrière, maar dan gaan ze vast weer zo tekeer als nu. Gewoon, omdat ze niet anders kunnen. 

Het is één uur geweest, ik heb inmiddels tien bands achter de kiezen, de volgepropte dag – een bruiloft – begint zich onderhand ook wat te wreken, dus als het tijd wordt voor The Big Sleep, dan denk ik in eerste instantie aan een welverdiende nachtrust. Maar The Big Sleep staat vanavond voor een trio uit New York waar ik in eerste instantie niet bepaald chocolade van kan maken, of beter uitgedrukt: het is niet mijn smaak in cacao. Maar het is slechts als een eerste, op goed geluk gekozen bonbon uit een gevarieerd assortiment waarvan de inhoud niet is omschreven, want bij nummer twee is er sprake van een andere, maar vooral smakelijke vulling. Indierock met noise en een groove, die zich laat optrekken als een muur waar tegen het goed leunen is, en die gaandeweg steeds beter wordt. En bovendien: me mijn slaap doet vergeten.

London Calling? Misschien had deze editie beter Canada Calling genoemd kunnen worden. Want In 2010 zag ik Japandroids (voor het eerst) op het Metropolis festival in Rotterdam. Ik stond erbij en keer ernaar, zo meen ik me te herinneren. Mijn eigen woorden van destijds maar weer eens opgezocht: “Slecht is het niet, de gitarist verdient punten vanwege zijn enthousiasme, maar wanneer zich opeens in mijn hoofd de spontane omschrijving aandient: ‘een mindere variant op Hüsker Dü’, gebeurt er weinig op het podium dat zich aan dat label kan onttrekken.” Mag ik daar deze keer ook weer van uitgaan? Natuurlijk mag dat, maar het is gelukkig niet (meer) van toepassing. Waarom de band me deze keer een stuk positiever stemt, zo vermoed ik, zal vast voor een deel te maken hebben met het op stapel staande nieuwe album “Celebration rock”. Een titel die vanavond van toepassing is op het energieke optreden waarbij een deel van het publiek zich niet onbetuigd laat. Jammer van de technische mankementen maar dat kun je moeilijk de band kwalijk nemen die hun nummers erdoorheen jast alsof er nog een bus moeten worden gehaald. Zelf heb ik geen haast, maar na Japandroids vind ik het wel welletjes. Nou ja, eerlijk gezegd glip ik toch even de bovenzaal in, om het tweede optreden van China Rats deze avond mee te pikken, maar op het podium is geen enkele activiteit meer te bespeuren. Die zijn dus waarschijnlijk al pleite, de stad in of liggen op één oor. Geeft niks, want ook zonder hun mag deze London Calling editie als geslaagd worden bestempeld. Tot over een half jaar dan maar weer…

Meer foto’s hier!

vrijdag 15 juni 2012

London Calling (dag 1) - Amsterdam : Paradiso : vrijdag 18 mei 2012

London Calling, editie 38, en wederom was ik van de partij. Met zoveel bezochte festivalafleveringen mag ik mezelf met recht een hardcore veteraan noemen, en het aantal bands dat ik sinds 1992 in de loop der jaren op London Calling heb gezien, loopt in de honderden. Zeker de laatste vijf jaar loopt dat aantal per het tweemaal jaarlijks georganiseerde festival flink op, want elke editie telt al gauw om en nabij de 25 bands. En die probeer ik ook allemaal te zien, liefst van begin tot eind, al valt en staat dat natuurlijk ook met de kwaliteit van het gebodene. De eerste editie van 2012 – ergens in november volgt de tweede – telt in totaal 27 bands, zoals gewoonlijk uitgesmeerd over twee avonden in Paradiso. Het is altijd maar afwachten wat je voor de kiezen krijgt, maar alvast vooruitlopend op de zaken, kan ik stellen dat er deze keer veel te genieten viel. Het spits wordt afgebeten door Foe. Je spreekt het uit als ‘foo’, maar laat ik het nou op zijn Nederlands zeggen, want dan kan ik er een korte treffende rijm op maken. Foe ben ik al gauw moe. Foe (het alias van Hannah Louise Clark) is een blonde, langharige zangeres in een witte jurk met op de rugzijde haar naam en op de voorkant twee ogen ter hoogte van haar borsten. Dat moet dan visuele stimulatie voorstellen. Interessanter kan Foe, met rugdekking van drie jongemannen, het niet maken. Dit is van die indierock waar kraak noch smaak aan zit. Hier en daar doet het me denken aan medio 90er jaren band Sleeper, niet alleen wat betreft de muziek maar ook omdat Sleeper, net als Foe, eigenlijk nooit de middelmaat wist te ontstijgen. Conclusie: exit Foe, want dit gaat het niet worden.


Gelukkig wordt de valse start al gauw goedgemaakt door Kassidy: vier Schotten (uit Glasgow) die allemaal gitaar spelen, gebroederlijk naast elkaar staan, gezamenlijk – in harmonie of individueel – de vocalen voor hun rekening nemen en tevens, met uitzondering van Hamish Fingland, al geruime tijd kapper noch scheermes hebben gezien. Vier kapiteins op één schip, gaat dat geen problemen geven? Klaarblijkelijk niet, want dit is een democratie waarin iedereen zijn sterkste punten voor het voetlicht mag brengen. In gebundelde vorm leidt dat tot solide folk / pop / rock liedjes die blijven hangen zoals “Night in the box”, “There is a war coming” en “Stray cat”. Een gezette, gedrongen bassist met een soort Afrokapsel contrasteert met de vier mannen op de voorgrond, waar ik voorafgaande aan het optreden naast stond, zowel bij de bar als kijkend naar Foe. Zonder te weten wie ze waren, herkende ik er meteen leden van een Britse band in. Het charisma hebben ze in ieder geval, zo concludeer ik, en na afloop weet ik dat ze ook over de liedjes beschikken. O ja, en zanger Barrie-James O’Neill beschikt sinds enige tijd ook over een bekend liefje: Lana Del Rey. Weet u dat ook weer. 

Je kunt geen recensie of artikel over Citizens! uit Londen lezen zonder dat er gerefereerd wordt aan Alex Kapranos, zanger/gitarist van Franz Ferdinand. Alex heeft dan ook als producer achter de knoppen gezeten tijdens het opnameproces van het debuutalbum van Citizens! getiteld “Here we are”. Hier zijn ze dus, met een muzikale stiel die de interesse van Alex in de band verklaart want niet bepaald mijlenver uit de buurt van zijn eigen band verwijderd. Alleen, en daar wringt de schoen, dit is het toch allemaal net niet, met uitzondering van het lekker in gehoor liggende “Reptile”. Mijn persoonlijke struikelblok is de stem van zanger Tom Burke, waar ik geen klik mee heb, en op den duur zelfs als storend begin te ervaren. Bij vlagen aardig, maar niet bijzonder genoeg om de aandacht tot en met het einde vast te houden.

 

Oberhofer is een band geformeerd rond bandnaamgever Brad Oberhofer. Ook live is dat evident want het is de kleine, energieke, hyperactieve krullenbol die alle aandacht naar zich toetrekt. Hij ziet een nachtelijk boottochtje door Amsterdam wel zitten, maar helaas is er niemand in het publiek die hem dat kan aanbieden. En ik al helemaal niet, want ik heb geen boot, laat staan dat die in de hoofdstad is aangemeerd. Jammer, want ik had samen met Brad en zijn muzikale maten graag door de grachten gevaren, onderwijl lurkend aan flesjes bier in toenemende mate van dronkenschap en leut. Zulke gedachten borrelen als vanzelf op, geïnfecteerd als ik raak door de vrolijke surfpoppunk, een jolig strandfeestje met Howler, The Strokes, Beach Boys en The Drums rond het kampvuur of vooruit dan maar, op die denkbeeldige boot van me, gretig de ijskast plunderend terwijl we onderweg obsceniteiten schreeuwen naar mensen op de kade. We nemen dan de xylofoon mee, die gitarist Matthew Scheiner nodig heeft voor “Away frm you” en “oOoO”, want die twee liedjes mogen niet ontbreken. Net als de rest trouwens. 

In Engeland moet prins Charles nog even wachten voordat zijn moeder aan hem de scepter overdraagt, maar vanavond in Amsterdam heeft Charles Costa alias King Charles alvast een voorschot genomen op de eretitel. Nou had ik graag gezegd dat de indiefolk van Charles – uiterlijk een kruising tussen een dandy, piraat en toreador – een bijbehorend kroontje verdient. Echter, ik kom al vrij snel tot de conclusie dat deze Charles dan wel opwindender is dan de Britse troonpretendent met de grote oren – niet zo heel moeilijk natuurlijk – maar op muzikaal gebied niet meteen een koninklijke onderscheiding waard is. Er wordt inzet getoond, en de koning en zijn gevolg trachten een sfeer van uitbundigheid te creëren waarvan ze hopen dat die overslaat op het publiek. Doch het volk beslist anders. 

London Calling heeft een reputatie op te houden als festival waar onbekend talent zich voor het eerst in Nederland laat zien, om niet veel later op kleinere dan wel grotere schaal door te breken. Bekende voorbeelden uit het verleden zijn Franz Ferdinand, Editors en Placebo. Niet elke festivaleditie kan het waarmaken, maar als ik dan toch een band moet aanwijzen die best hoge ogen zou kunnen gooien, dan is dat voor deze avond Zulu Winter. Mede dankzij het aan Chris Martin verwante stemgeluid van Will Daunt hangt er een zweem van Coldplay in de lucht, al lijkt me dat niet ingecalculeerd. Zulu Winter kan bogen op solide songs die makkelijk kunnen worden opgepikt en meegezongen zoals singles “We could be swimming” en “Silver tongue”. Het doet weliswaar soms iets te gepolijst aan, maar waarom zou elke band naar bier, zweet en rock’n’roll moeten ruiken of zichzelf scherpe randen moeten aanmeten, als dat nu eenmaal niet in de aard ligt? 

Op herhaling: Breton. Verdiend ook, want een half jaar geleden, toen niemand – ja, en daar reken ik mezelf ook toe – ze nog kende, maakten ze een goede beurt in de bovenzaal met hun interessante mix van electrorock, Foals en Friendly Fires. Inmiddels hebben ze een goed ontvangen debuutalbum op hun CV staan, en qua naamsbekendheid zijn ze er op vooruit gegaan. Hun ‘promotie’ naar de grote zaal is verdiend, en ook voor wie de band pas voor de eerste keer op London Calling meemaakt, zal moeten beamen dat Breton een zelfverzekerd en overtuigend optreden neerzet. “Other people’s problems”, zo luidt de titel van hun eerste album, want zelf lijken ze nergens last van te hebben. 

Opmerkelijk: nadat het optreden van Zulu Winter is beëindigd, stroomt niet zoals gebruikelijk de zaal langzaam leeg omdat iedereen de act in de grote zaal wil zien (of weggaat om te roken, te plassen, aan de bar te gaan hangen etc.) maar komt er juist een stroom bezoekers op gang die naar binnen wil. En dat terwijl pas over veertig minuten de volgende artiest haar opwachting maakt. Het zegt iets over de populariteit van Grimes – het alter ego van Claire Boucher – waar ik me in ieder geval niet van bewust ben geweest. Al ruim voor aanvang is er dan ook geen doorkomen meer aan. De mensen die in de zaal staan, zitten gevangen als haringen in een ton, en wie er nog bij wil, heeft eenvoudigweg pech. Ik weet me nog via de bar een weg te banen totdat ik de toog in mijn rug heb en op mijn tenen staand diverse glimpen kan ontwaren van de artieste. De temperatuur loopt dankzij de opeengepakte mensenmassa ondertussen steeds verder op, en mijn gedachten beginnen zich meer te focussen op een verfrissende douche dan op de lichtelijk ontvlambare en zich op een eigen pad begevende electropop van Grimes. Sommigen geven de moed op omdat ze niets zien, een ander spreekt verzuchtend de hoop uit dat Grimes naar Lowlands komt. Wat ik vooral hoor en bij vlagen zie, wekt mijn interesse, dus voor mij en al die anderen des te jammer dat de organisatie de foute keuze heeft gemaakt door Grimes niet in de grote zaal te laten spelen. Dat zou menigeen een hoop teleurstelling en zweetdruppels hebben bespaard. 

In februari jongstleden reisde ik naar Amsterdam om het Nederlandse podiumdebuut van Howler bij te wonen. De vraag die ik mezelf vooraf had gesteld of het een hype of hoogtepunt zou worden, kon ik na afloop met overtuiging in het voordeel van de band beantwoorden. Vanavond is dat niet anders, zelfs met een man minder, want bassist Jay Simonson is niet van de partij. Zijn afwezigheid wordt niet verklaard, maar het gemis wordt muzikaal zodanig opgevangen door de voor de gelegenheid op basgitaar overgeschakelde toetsenist Max Petrek dat je het verschil eigenlijk niet eens merkt. In veertig minuten jaagt de band er het grootste deel van hun repertoire doorheen, zonder een steek te missen of in te kakken, met het effect van een energiedrankje of de spreekwoordelijke peper in de reet. Hun mix van Ramones, The Strokes, The Jesus And Mary Chain, garage- en vijftiger jaren rock doet vlot, aanstekelijk en opwindend aan. Ik verheug me erop ze weer op Pukkelpop te zien! 

Jong, fris en sprankelend. En uit Brisbane. Ziedaar in het kort mijn oordeel over Last Dinosaurs. Wat ik ‘ter voorbereiding’ op internet aantrof, bezorgde me geen kippenvel, maar live toveren deze vier jongens een brede, tevreden grijns op mijn gezicht. Het is vrolijk, funky en dansbaar. Hun in elkaar gevlochten covermedley van “Lady” (Modjo) en “Groovejet” (DJ Spiller en Sophie Ellis-Bextor) spreekt in dat opzicht boekdelen. Songtitels ontgaan me, maar dat geeft niet, want Last Dinosaurs staat garant voor een onderhoudend, heerlijk ongecompliceerd half uur. In de muziek ontdek ik plukjes Vampire Weekend en The Rapture, doch vooral een sound bepaald door jeugdig elan en onbevangenheid gekoppeld aan een oor voor leuke, koolzuurhoudende liedjes. Op deze wijze behoeden Last Dinosaurs zich met gemak voor uitsterving.  

De late uurtjes zijn aangebroken en die worden op overtuigende manier ingevuld door trio Austra, die me hun wereld binnenzuigen met bij vlagen betoverende electropop. “Spellwork”, een van de songs die ze spelen, is dan ook toepasselijk getiteld. “Spellbinding”, zou ik eraan willen toevoegen. De drie jongedames bewegen zich, af en toe theatraal gebarend, als bosnimfen over het podium, en hun zang heeft een zalvende werking op mijn lijf dat lekker onderuitgezakt op een houten stoel vanaf het balkon de intrigerende muzikale verrichtingen volgt van deze band uit Toronto. “Beat and the pulse” en “Lose it” zijn ook van die titels die je letterlijk op Austra mag stempelen: liedjes met een kloppende pols om jezelf in te verliezen. Het kan mede aan het tijdstip en mijn gemoedstoestand liggen, maar Austra komt voor mij als geroepen.  

Ik wil en kan het niet al te laat maken, want mijn vooruitzicht bestaat uit een korte nachtrust, om me vervolgens in een nette outfit te hijsen ten behoeve van een bruiloft die, inclusief de ermee gepaard gaande heen en weer reisbewegingen, het grootste deel van de zaterdag in beslag zal nemen. En dan heb ik nog niet eens weet van de salsa / merengue workshop die me op de bruiloft te wachten staat. Hoe dan ook, het afsluitende gedeelte van mijn eerste dag van London Calling heet Au Palais, een duo dat na Grimes en Austra de derde band uit Canada is die op de planken staat. Het is een sympathiek stel, deze broer (David) en zus (Elise), dat electropop met eenzelfde karakter maakt. De cover van “Some velvet morning” haalt door technische problemen het einde niet en dus maakt Elise het maar a capella af, nadat een mislukte, lacherige poging is ondernomen om de boel toch weer draaiende te krijgen. Het klinkt best aardig maar zeker op dit late uur met de al genoemde vooruitzichten, is er beduidend meer voor nodig om mij te doen willen blijven. Zodoende geen au palais maar á l’hotel. En morgen part deux.

Meer foto’s hier!

woensdag 23 mei 2012

Indiestad - Amsterdam : Paradiso : maandag 14 mei 2012

Tien dagen lang, van14 t/m 23 mei, organiseert Paradiso onder de naam Indiestad op meerdere locaties in de hoofdstad optredens van indie bands / artiesten en indie initiatieven. “Bijzonder, grensverleggend, hip en hartverwarmend”, zoals men zelf beweert. Of dat inderdaad zo is, kan ik op de eerste dag van het meerdaagse festival aan den lijve ervaren. Wat locaties betreft, kom ik niet verder dan Paradiso zelf, maar daar spelen dan ook deze avond de bands die ik wil zien. Met elkaar telkens in de grote en kleine zaal opeenvolgende optredens, ervaar ik het als een soort voorbereiding op het tweedaagse, binnen het Indiestad geheel opgenomen London Calling festival, dat al sinds jaar en dag hetzelfde concept hanteert. Vanavond is het gelukkig minder uitputtend, want ‘slechts’ acht bands maken de totale line-up uit. Van die acht zie ik er bovendien maar zes want er moet eerst nog gewerkt en daarna een stuk gereisd worden. Bij mijn eerste band van de avond val ik zo’n beetje halverwege binnen. Op het podium staat een band met de naam Francois And The Atlas Mountains, een gemengd gezelschap van Fransen en Britten. Een verenigd Europa staat in huidige tijden onder druk maar deze samenwerking biedt perspectief. En dat schijnbaar al vijf albums lang, terwijl ik slechts één nummer ken (“Piscine” van een NME Radar compilatie). Geen idee hoe de stemming was in de helft die ik heb gemist, maar wanneer ik de zaal binnenkom, maakt FATAM op het podium een energieke, uitgelaten indruk met muziek waarin ritmische, Afrikaans aandoende percussie een belangrijke rol speelt, en flarden Animal Collective en Vampire Weekend voorbij zweven. Het publiek hebben ze mee en ik zie na afloop dan ook diverse mensen met hun laatste cd “E volo love” in de hand.

Als Milk Music dertig jaar eerder was ‘geboren’, dan hadden ze goede kans gemaakt te zijn ingelijfd door SST Records, het in Amerikaanse indie gitaarrock gespecialiseerde label dat gedurende zijn hoogtijdagen bands als Hüsker Dü, Sonic Youth, Black Flag, Dinosaur Jr. en Bad Brains onderdak bood. Dat maakt meteen duidelijk waar het uit Olympia (Washington) afkomstige viertal de inspiratie vandaan haalt, maar wat vanavond ook aan het licht komt is dat Milk Music nog een lange weg heeft te gaan om ook maar enigszins in de buurt te komen van hun voorbeelden. Aan het enthousiasme van het langharige gitaartandem ligt het niet, wel aan de songs die geen enkele keer aangekondigd worden alsof ze ongetwijfeld niet letterlijk maar wel figuurlijk geen naam mogen hebben. Wat zanger / gitarist Alex Coxen wel doet is na bijna ieder nummer op zijn horloge kijken want de toegestane speeltijd is beperkt. In het geval van Milk Music vind ik dat niet zo’n punt want de songs zijn allemaal nauwelijks van elkaar te onderscheiden en beklijven doen ze ook niet. De positieve berichtgeving die ik tot nu toe over Milk Music heb gelezen, kan ik dan ook moeilijk plaatsen. Of het moet zijn dat hun lijden voor hun ‘kunst’- de band heeft lucratieve deals afgeslagen om zo onafhankelijk en puur / punk mogelijk te blijven, waardoor ze geen cent te verteren hebben – mee wordt genomen in de beoordeling van hun muziek. Hoe dan ook, Milk Music heeft voorlopig weinig in de melk te brokkelen.  

Rich Aucoin is voor mij een grote onbekende en ’s mans optreden doet me beseffen dat ik eerlijk gezegd ook niet op zijn vriendschap zit te wachten. En dat terwijl Rich, op het podium geassisteerd door een staande drummer, zo graag een band met het publiek wil opbouwen. De show gaat van start met een visuele presentatie waarin iedereen in het zonnetje wordt gezet: de andere bands die vanavond optreden, de mensen die meewerken aan Indiestad en natuurlijk het publiek. De lovende teksten worden afgewisseld met een authentiek schokkerig filmpje, vastgelegd tijdens een of ander openluchtfestival zo lijkt het, waarin een eenling een maf, bijna bezeten dansje doet. Even later krijgt hij gezelschap van een tweede, een derde enzovoorts, totdat een sneeuwbaleffect ontstaat en iedereen staat mee te bewegen. Dit is wat Rich wil bewerkstelligen, nog maar eens onderstreept door teksten als “Let’s get loud”. Helaas heeft zijn electropop niet hetzelfde effect. Misschien wel omdat wat in het filmpje gebeurt een spontane actie lijkt, terwijl Rich veronderstelt dat je euforie kunt regisseren. Afijn, met het juiste songmateriaal zou het best kunnen, maar laat Rich die nou niet hebben. Het lijkt me verder wel een sympathieke gozer, en hij probeert het tenminste maar het publiek gaat niet uit zijn dak. Leuk dat er telkens een serie gekleurde lampjes oplicht, elke keer wanneer de drummer de snare of een bekken mept, maar eh… echt veel leuker dan dat wil het niet worden. 

Mijn verwachtingen voor Pond zijn op zijn zachts gezegd hooggespannen. Hun album “Beard, wives, denim” is een geheide kandidaat voor mijn cd eindejaarlijst en vooruitgesnelde berichten over hun goede live performance hebben me nog meer op scherp gezet. Niet alleen mij, want in de zich snel vullende bovenzaal hangt een bijna tastbare, gezonde spanning. Niemand wordt teleurgesteld, want Pond lost de verwachtingen moeiteloos in. Opener “Leisure pony” vliegt erin als een stormram, en ja, je voelt het gewoon aan je water dat zich hier een piek in de avond aandient. Zanger / toetsenist / gitarist / dwarsfluitist Nick Allbrook en gitarist Jay Watson zijn tevens collega’s in Tame Impala als respectievelijk bassist en drummer. Pond is beslist geen nevenhobby of een uitstapje maar een volwaardige, zelfstandige band en het zou me niet verbazen als Nick en Jay, gedwongen tot een keuze en niet eens met het mes op de keel, eerder voor Pond dan voor Tame Impala zouden kiezen. Dit lijkt me meer hun eigen ‘ding’, een vriendenclub die met zichtbaar plezier in psychedelische kleuren geverfde rock maakt. Ook zonder kennis van de connectie met Tame Impala valt iets van die band in Pond terug te horen, maar live is dat marginaal. Dan hoor ik toch eerder Pink Floyd – zowel post-Syd als de speelse versie met Syd voordat drugs de overhand kregen – vermengd met MC5. In “You broke my cool” haalt Nick de dwarsfluit tevoorschijn, gevolgd door – als ik me niet vergis! – “Frond” van het vorige album. Blikvanger is Nick, de kleinste en ielste van het stel, met het uiterlijk en lichaam van een dertienjarige inclusief de tegendraadse gezichten die zo’n puber soms kan trekken. Zijn haar knipt hij waarschijnlijk zelf en ik schat dat hij per jaar slechts zo’n 50 euro kwijt is aan kleren. Waarmee ik maar wil zeggen: dit is niet iemand die geeft om uiterlijk vertoon, en des te meer om muziek. De toegestane speeltijd bepaalt helaas dat na “Eye pattern blindness” een einde komt aan een veel te kort maar o zo overtuigend optreden – veertig minuten is niks voor een band als Pond – wat alleen maar doet hopen dat ze alsnog opduiken op het affiche van een der zomerfestivals die ik nog ga bezoeken. 

 Yacht is het geesteskind van Jona Bechtold die zichzelf en zijn drie bandleden met behulp van een groot projectiescherm aan het publiek voorstelt. Woonplaats en sterrenbeeld zijn daarbij inbegrepen. Een speciale vermelding krijgt Steve, de man die in de foyer T-shirts, cd’s en ander Yacht spul verkoopt. Steve heeft het niet druk gekregen, vermoed ik zo. De band stond al eerder in Paradiso, samen met LCD Soundsystem, waar Jona de aanwezigen even aan herinnert. Daarmee kan een bruggetje worden gemaakt naar het van LCDS bekende DFA label waar Yacht deel van uitmaakt en de vaarkoers van dit muzikale jacht. Het concert, onderdeel van een tournee ter promotie van laatste album “Shangri-la”, bevestigt waarom Yacht een DFA band is. Elektronische pop met een 80s floppy disk, new wave & no wave, beetje punkfunk, afijn, het behoort onmiskenbaar tot de muzikale familie die James Murphy als stamvader heeft. Zangeres Claire L. Evans – lang en in het wit – en koersbepaler Jona maken qua aanwezigheid op het schip de dienst uit. Het is niet allemaal van hetzelfde kaliber als LCD Soundsystem maar wel redelijk onderhoudend. 

Eigenlijk geloof ik het wel zo’n beetje maar vooruit, nog even een minuut of tien wachten, en dan kan ik de laatste band nog even meepikken : The Sheepdogs. Net als Rich Aucoin eerder op de avond voor mij een totaal onbekende band, maar ik weet snel genoeg of het uitdraait op een snelle exit dan wel een langer verblijf wegens aangenaam verrast. Het draait gelukkig uit op het laatste. Tijdens de soundcheck staat de voltallige band al op het podium, en het uiterlijk – baarden, snorren, lange haren, no nonsense kledij en een haarband om een krullenbol, door mij voor het eerst gezien op een albumhoes van Jethro Tull in de jaren zeventig, ahem – zijn een goede indicatie van wat er te wachten staat. Het vermoeden klopt als een bus want vanaf de eerste noot is het volvette seventies (southern) rock’n’roll met een beetje psychedelica wat de klok slaat. Het is dat ze uit Canada komen, want anders hadden ze zomaar “Sweet home Alabama” kunnen inzetten, terwijl in het hoogtepunt “Learn & burn” de geest van The Doors rondwaart. Zanger Ewan Currie zingt met gevoel en soul, en The Sheepdogs – een naam die ze welhaast aan een uiterlijk te danken moeten hebben – tonen zich doorgewinterde, hardwerkende en uitstekende musici. De band is niet uit op vernieuwing, wel op een solide show, roestvrije songs met harmoniezang en een groovy ritmesectie en vakmanschap. Hun aanstaande album schijnt te zijn geproduceerd door Patrick Carney, drummer van The Black Keys die na jarenlang ploeteren als een komeet omhoog zijn geschoten. Hopelijk zal die connectie The Sheepdogs meer bekendheid bezorgen want dat is ze gegund. De man die naast de zaaldeur, meteen na het optreden, een kartonnen doosje opentrekt met daarin cd’s à 10 euro het stuk, heeft in ieder geval met mij zijn eerste klant te pakken. Een puik slot van een Indiestadsbezoek. 

Meer foto’s hier!

zaterdag 12 mei 2012

A Place To Bury Strangers - Maastricht : Muziekgieterij : donderdag 03 mei 2012

A place to bury strangers. Waar zou je zoiets normaal gesproken doen? In het centrum van een stad of toch op een meer afgelegen plek? Zeer waarschijnlijk het laatste. Dat komt dan goed uit. Want van de Muziekgieterij in Maastricht kun je een hoop zeggen, maar niet dat het centraal gelegen is. Toen ik een aantal weken geleden tot mijn even grote verbazing als aangename verrassing las dat A Place To Bury Strangers naar Maastricht zou komen, had ik me meteen voorgenomen ernaartoe te gaan. Kompaan commando Billy had er ook wel oren naar. Nu even nog uitzoeken waar die Muziekgieterij gelegen was. Volgens een gemeenschappelijke vriend was het vanaf het station goed te belopen. Dat bleek een misvatting. Want ANWB routeplanner kwam uit op een ‘wandeling’ van afgerond 36 minuten. En daar hadden we niet zo’n trek in. Met de bus dan maar, want vanaf de halte waar we moesten uitstappen, zou het dan nog slechts 9 minuten lopen zijn. Dan moet je wel weten welke kant je dient op te lopen natuurlijk. Helaas hadden we ons op dat punt wat minder goed voorbereid. Dan maar even vragen aan twee voorbijfietsende jongedames. “Bankastraat? Nooit van gehoord…” Gelukkig doet de naam Muziekgieterij wel een belletje rinkelen. “Daar doen ze toch van die muziekdingen en zo? Ben ik wel eens geweest.” Gelukkig waren we niet op zoek naar de Azijnfabriek, anders zou je zo maar naar een industrieterrein kunnen worden verwezen. Na een wandeling van toch iets meer dan 9 minuten herkent commando Billy een gebouw van een foto op de website van de Muziekgieterij. Als we naderbij komen, horen we muziek. Bij de ingang staat een caravan die dienst doet als kassa en even later zijn we een polsbandje rijker. Grappig, zoiets krijgen we normaal gesproken alleen op festivals. Eenmaal binnen is het een leuk weerzien met diverse vrienden en bekenden. Oftewel: a place to meet friends.

Voorprogramma Eins, Zwei, Orchestra laten we voor wat het is. Bijkletsen onder het genot van een alcoholische versnapering geniet de voorkeur. Opeens schiet een mij bekende figuur voorbij. Het is Oliver Ackermann, zanger/gitarist van A Place To Bury Strangers. Hij is net te snel om hem nog even te complimenteren met een simpele, omhoog gestoken duim. Er wacht een soundcheck die gelukkig redelijk snel wordt afgehandeld. Een kleine twintig minuten later dan aangekondigd wordt het zaallicht gedempt. Op het podium blijft het redelijk donker. Het meeste licht is afkomstig van de fragmentarische filmpjes die op een doek achter de band worden geprojecteerd. Het verschaft het concert een visuele meerwaarde. Niet dat het nodig is, want APTBS heeft een reputatie waar te maken op auditief gebied. Waarmee bedoeld wordt: knetterharde gitaarterreur. Gelukkig ben ik voorbereid want dit is de vierde keer dat ik de band live meemaak. De oordoppen zijn dan ook meegenomen…

Zo extreem hard als tijdens mijn eerste APTBS concert – de bovenzaal van Paradiso, mei 2008, hier te lezen in verminkte versie ‘dankzij’ weblog.nl – wordt het (gelukkig) niet, en dus, gekoppeld aan het feit dat ik uit voorzorg achterin de zaal sta, kunnen de oorbeschermers met enige voorzichtigheid uit hun tijdelijke onderkomen worden gehaald. Voor me zie ik echter nog diverse mensen die het er liever niet op wagen. Het heeft iets onmiskenbaars cool, stoer en rock’n’roll over zich om te worden betiteld als ‘the loudest band in New York’, maar als de reputatie van APTBS alleen maar gestoeld zou zijn op lawaai maken, dan waren ze niet meer dan een ‘novelty act’. En het publiek zou het kunstje dan snel genoeg gezien en vooral gehoord hebben. Gelukkig beseft de band dat zelf ook. Want net zoals hun twee belangrijkste invloeden – My Bloody Valentine en The Jesus And Mary Chain – dat voor hun deden, gebruikt APTBS de uit Ackermanns gitaar – via en met dank aan zijn zelfgemaakte / aangepaste pedaaleffecten – voort spuwende en ruimte vullende ‘noise’ als een extra instrument dat elk nummer van een eigen nieuwe dimensie voorziet. 

De zang golft door de geluidsmuur heen, met hier en daar herkenbare tekstflarden. Bassist Dion en drummer Jay zorgen voor de ritmische basis maar de aandacht ligt vooral op Ackermann die met zijn gitaar zwiept en zwaait, omhoog de lucht in houdt en flink laat razen. Zeker wanneer dat gepaard gaat met een flikkerende stroboscoop, levert dat fascinerende beelden op. De apotheose wordt gevormd door een lang uitgesponnen nummer, waarin Ackermann alle gelegenheid krijgt om zijn gitaar te geselen. Na een dik uur kunnen alle oordoppen terug in de zak, want ‘een toegift’, zo verzeker ik mijn buurman, ‘geven ze normaal gesproken niet’. Maar dit is geen normale avond, want de band komt terug om nog een nummer te spelen. Buiten de zaal zie ik – net als voorafgaande aan het concert – een mij bekend iemand voorbijsnellen. Het is Oliver Ackermann en ditmaal lukt het me wel hem aan te spreken, sterker nog, me even backstage in te lullen voor een kort praatje en een foto. “Awesome!” zegt hij in een opvallend jolige bui als ik hem het resultaat laat zien, en tevens een prima ‘in één woord’ samenvatting van het concert. Onze in onverminderd marstempo ingezette voettocht naar het station – gelukkig nog net op tijd voor de laatste trein – mag dan een stuk minder ‘awesome’ zijn, maar soms moet je wat over hebben, zoals een goede conditie, om in ‘the place to be’ te zijn geweest.

Meer foto’s hier!

April 2012

CD’s

PAUL WELLER – Sonik kicks sample
51 is hij inmiddels maar een gezapige ouwe lul is Paul Weller allesbehalve. Dat bewijst hij wel met “Sonik kicks”, zijn elfde album. De titel is veelzeggend want aan het songmateriaal valt af te horen dat Weller er als een jonge hond een kick van krijgt om zijn eigen muzikale spectrum te verbreden en daarbij het experiment niet te schuwen, en op de luisteraar slaat die kick over. Psychedelica duikt diverse malen op (“Drifters”, “Dragonfly”), al dan niet vermengd met andere stijlen zoals Krautrock (“Green”) of new wave (“Around the lake”). “Study in blue” klinkt dan weer als The Style Council op de reggae tour met een paddo achter de kiezen en single “That dangerous age” had uit de koker van Blur kunnen komen. Wie de albumversie koopt met extra tracks kan genieten van een stukje aangename discopop getiteld “Starlite”. Jammer voor degenen die hopen dat Weller ooit The Jam weer bij elkaar schraapt, maar in deze creatieve modus heeft de vijftiger daar geen enkele reden toe. 

ALABAMA SHAKES – Boys & girls sample
Deze tijd vorig jaar nog een onbekend bandje, doch anno 2012 staan alle schijnwerpers op ze gericht. En zangeres Brittany Howard, zij met de soulvolle Joplin Redding stembanden, hoeft voorlopig niet meer naar haar oude baantje van postbezorger terug te keren. Het viertal uit – jawel – Alabama presenteert nu het debuutalbum, waarop alle vier de tracks (o.a. “Hold on”, “On your way”) van een eerder verschenen EP te vinden zijn. De songs klinken allemaal even authentiek als de soul en ‘classic rock’ waar ze op geënt zijn, en wie niet beter weet zou de plaat in tijd plaatsen ergens tussen ’67 en ’73. Geen modernisme te bekennen dus, maar gelukkig evenmin een pastiche. “Boys & girls” doet niet moeilijk, is geloofwaardig, consistent, vrij van gimmicks en het zit solide in elkaar met Howard als degene die het verschil maakt. Lekkere plaat. 

HOODED FANG – Tosta mista sample
Eén van de bands waar ik naar uitkijk op het aanstaande London Calling festival is het uit Canada afkomstige viertal Hooded Fang. Dat is te danken aan dit lekkere kort (slechts 23 minuten) maar krachtige in 60s garagerock ondergedompelde plaatje – hun tweede na het in 2010 verschenen “Album” – dat precies de juiste mengverhoudingen bezit van gruizig, rammelend, charmant en opgewekt. Zanger / gitarist Daniel Lee is de belangrijkste leverancier van het songmateriaal, en hij lijkt de even in wezen simpele als ook aanstekelijke liedjes moeiteloos uit de mouw te schudden zoals het titelnummer, “ESP” en “Jubb”.

KILLING JOKE - MMXII sample
Dertig jaar geleden vertrok Killing Joke frontman Jaz Coleman naar IJsland om daar de door hem voorspelde Apocalyps te overleven. Zoals bekend bleef die uit, maar nu dient zich – als we de Maya kalender moeten geloven – een nieuwe ‘kans’ aan, en reden om het nieuwe album (opnieuw in de oorspronkelijke bezetting) naar dit jaar te vernoemen. De sombere tijden bieden Jaz genoeg inspiratie voor tekstmateriaal dat hij brullend dan wel zingend (zoals in de medio 80s periode) ten gehore brengt. Muzikaal ligt de plaat in het verlengde van voorganger “Absolute dissent”, maar KJ grijpt ook diverse malen terug op herkenbare motieven uit het eigen verleden met albums als “Night time” en “Pandemonium”. Het door postpunk, industrial en elektronische rock bepaalde resultaat maakt een geïnspireerde indruk en toont aan dat KJ ondanks zijn leeftijd nog uitermate vitaal is. Met nummers als “Pole shift”, “Glitch” en “Rapture” bijvoorbeeld gaat de band beslist 2012 overleven, of Jaz dat nou leuk vindt of niet…

NTJAM ROSIE – Elle sample
Met dank aan “De zwarte lijst” van NTR waar ik voor het eerste kennismaakte met het Rotterdams zang talent Ntjam Rosie. Ze timmert al een aantal jaren aan de weg, en “Elle” is haar vorig jaar verschenen tweede album waarop jazz, soul en ‘chill out’ elkaar op een aangename, lichtvoetige manier hebben gevonden. De stem van de geïnspireerd zingende Ntjam Rosie sluit daar naadloos op aan. Nieuwe wegen binnen het genre worden niet ingeslagen – Ntjam ruilt hooguit in twee nummers het Engels in voor het Frans – maar de plaat luistert van begin tot eind zo lekker (onbekommerd) weg dat je die constatering voor lief neemt. “Elle” is een plaat als een warm bad, gevuld met onder andere Sade, Eryka Badu, Stevie Wonder en exotisch fruit uit bijvoorbeeld Brazilië.  

A PLACE TO BURY STRANGERS – Onwards to the wall sample
“Onwards to the wall” mag dienen als een voorproefje van het binnenkort te verschijnen derde album “Worship” waarop het rond Oliver Ackermann geformeerde noise trio opnieuw van leer trekt met aan My Bloody Valentine, The Jesus And Mary Chain en in iets mindere mate Joy Division en The Cure schatplichtige gitaarterreur zoals opener “I lost you” ondubbelzinnig duidelijk maakt. Dat er een bezettingswisseling heeft plaatsgevonden, is niet van invloed geweest op het geluid, want dat verschilt niet wezenlijk van wat de band op eerdere releases liet horen. Vertrouwd lawaai dus, maar nog steeds de moeite waard.

Singles

FUTURE UNLIMITED – EP sample
Laat je niet op het verkeerde been zetten door vergelijkingen met bands als New Order, The Killers en Depeche Mode die her en der worden gemaakt als het gaat om het vastpinnen van de sound van Future Unlimited. Want waar FU – standplaats: Nashville – mij toch vooral aan doet denken is een beduidend minder hippe band uit het verleden (daar ga je dan met die aan de toekomst refererende bandnaam…): A Flock Of Seagulls. Zonder het in het oog springende kapsel van de zanger of die te grote bril van de gitarist van laatstgenoemde, maar wel met die typische, makkelijk verteerbare new wave meets (synth)pop sound. Toegegeven, stukjes en beetjes hebben trekjes van in de eerste zin genoemde bands, en soms, zoals in “Golden”, is FU bijna niet te onderscheiden van een heuse 80s act. Doch zolang dat goede muziek oplevert, is er eigenlijk geen reden tot klagen. En dan zou de ‘future’ voor deze band dus best eens geen grenzen kunnen hebben…

TROUMACA – The gems EP sample
De Pukkelpop line-up voor dit jaar begint steeds meer gestalte te krijgen en daarbij vind ik het altijd leuk om tussen de klein geletterde namen die van nieuwe bands te zien die mijn interesse hebben gewekt. Zoals Troumaca, een band uit Birmingham die debuteert met deze interessante EP die sterk van start gaat met het swingende “Fire”, aangestookt door een winnende combinatie van drum’n’bass en indie en de expressieve stem van zanger Sam Bayliss. Qua sfeer is er een zekere verwantschap met “Pala” van Friendly Fires. Ook de andere twee nummers (“Sanctify” en de ‘chille’ instrumental “Layou”) zijn de moeite waard. De titel van de EP (gems = edelstenen) is goedgekozen, want het zijn juweeltjes van songs. En helemaal mooi meegenomen is dat de EP gratis is te downloaden via hun website. Afijn, tot ziens in – naar ik vermoed – Club of Chateau!  

ALABAMA SHAKES – Be mine sample
Een single op het door Jack White opgezette “Third Man Records” label, en de eerste vinyl release voor de band. Geen studio-opnames, want zowel A (“Be mine”) als B-kant (“You ain’t alone”) zijn live – met publiek erbij – vastgelegd. En goed ook, want je krijgt het idee alsof je erbij bent. De songs staan allebei ook op het album, maar hun live incarnatie maakt pas echt nieuwsgierig naar het zien en horen van de band op een podium.