maandag 12 december 2011

London Calling - Amsterdam : Paradiso : vrijdag 11 november 2011 (dag 1)

London Calling, de zoveelste editie. Ik ben de tel kwijtgeraakt, maar hoe dan ook, London roept weer. En behoorlijk vaak dit keer, want het festival is uitgesmeerd over drie dagen, samen goed voor meer dan dertig bands en artiesten. Het zwaartepunt ligt traditiegetrouw op de zaterdag- en zondagavond- en nacht. Aanvang 18.30 u en dan, als gevolg van opgelopen vertragingen, ergens na twee of drie uur ’s nachts is de laatste band gedaan. Als je dat haalt, heb je op een avond een band of dertien voor je kiezen gehad. En dat is veel en uiteindelijk ook vermoeiend, vooral als niet alles de toets der kritiek kan doorstaan. Een paar uitzonderingen daargelaten zijn het veelal beginnende acts, met soms nog niet eens een officiële release op hun naam. Spectrals, op het podium een kwartet, maar feitelijk een eenmansband bestaande uit Louis Jones uit Leeds, is voor mij persoonlijk iets om naar uit te kijken. De vorig jaar verschenen EP “Extended play” wordt met regelmaat geselecteerd op mijn iPod, vooral het wonderschone “I ran with love but couldn’t keep up” en het opbeurende “Peppermint”. Debuutalbum “Bad penny” is nog niet zo lang uit, en “Get a grip” is een van mijn kandidaten voor single van het jaar. Twee laatstgenoemde songs prijken op de setlist en daar ben ik alvast heel tevreden mee. De roodharige Louis, op bezoek geweest bij de coiffeur want zijn lange gekrulde lokken zijn vervangen door een ‘doe maar wat’ kapsel dat perfect past bij zijn ‘trek maar wat aan’ kleding, is niet de meest voor de hand liggende podiumpersoonlijkheid, om het zo maar te zeggen, doch dat compenseert hij met een talent voor het schrijven van liedjes die The Smiths en doowop koppelen aan zijn op Alex Turner gelijkende stem. Het optreden kan weliswaar niet voldoen aan mijn hooggespannen verwachtingen, en toch smaakt het naar meer. Maar ik ben dan ook bevooroordeeld.

Het is vast ironisch bedoeld, die naam Big Deal. Want zo’n ‘big deal’ is Big Deal namelijk niet. Een Amerikaan (Kacey Underwood) – die iets wegheeft van de nooit echt heel bekend geworden acteur Kevin J. O’Connor (Eh… wie? Kijk, dat bedoel ik dus) – en iets jongere Britse jongedame (Alice Costelloe) die ieder een gitaar voor hun rekening nemen en aan samenzang doen. Kacey heeft naar verluidt Alice het gitaarspel aangeleerd, en af en toe werpt hij een vluchtige blik in haar richting die erop lijkt alsof hij even wil checken of Alice het wel goed doet. Ik geloof best dat zowel Kacey als Alice weten hoe je een gitaar moet bespelen, liever had ik gehad dat ze zich wat meer hadden geconcentreerd op het schrijven van liedjes die blijven hangen. “All I wanna do is talk” zingen ze in slotnummer “Talk”, tevens hun eerste single, en in dat gevoel kan ik me na elke bloedeloze song steeds meer vinden. Weinig dingen zo irritant als door een concert heen praten, maar je moet er als band natuurlijk zelf geen aanleiding toe geven.

Op het Motel Mozaïque festival in Rotterdam in april jongstleden zag ik Dum Dum Girls (voor de tweede keer), en dat optreden was precies wat ik me er van tevoren van had voorgesteld en verlopend zoals ik had gehoopt. Pal tegen het lage podium geplakt met vrij zicht, een setlist met hoogtepunten van debuut “ I will be” en de toen redelijk verse EP “He gets me high”. Eentje voor mijn jaarlijst kortom. Ik ga er bij voorbaat van uit dat het zo goed als perfecte concert van een half jaar geleden vanavond niet zal worden geëvenaard, en daarin krijg ik gelijk. Een kwestie van andere omstandigheden, wat overigens niet wegneemt dat de vier in cool / sexy zwart gestoken dames (dumes?) een goed optreden neerzetten waarin logischerwijs veel ruimte is vrijgemaakt voor nummers van het nieuwe, tweede album “Only in dreams”. Hierop wordt wat vaker gas teruggenomen, en het garagerockgehalte is wat teruggeschroefd ten gunste van (indie) gitaarpop, wat misschien nog wel het beste wordt geïllustreerd door een vrij getrouwe cover van The Smiths’ “There is a light that never goes out”. Het betekent dat de band nu ook meer variatie kan aanbrengen in hun doorgaans monochrome geluid, en daarmee zetten ze een stap vooruit. Een fijne conclusie, want zo blijft een toch al door mij gekoesterde band de moeite waard. Tot de volgende keer, dames!


Het uit New York afkomstige koppel Exitmusic debuteerde onlangs op overtuigende wijze met een EP die muzikaal gezien raakvlakken vertoonde met Beach House en Esben And The Witch. Op de bühne krijgen zangeres Aleksa Palladino en haar partner Devon Church versterking van een bassist en een drummer, maar het meest in het oor springende element van het totaalgeluid is en blijft de doordringende, wat klaaglijke, dramatische stem van Aleksa. Het is zowel het sterke als het zwakke punt van de band, want wat in eerste instantie intrigeert begint na verloop van tijd aan impact in te boeten. Wellicht omdat Aleksa’s vocalen iets missen in warmte, sensualiteit en mysterie, waar de zangeressen van de twee eerder genoemde bands beter op scoren. Net als op plaat zijn het vooral “The sea” en “The modern age” die eruit springen, maar wat alle nummers gemeenschappelijk hebben zijn een sfeervolle en aangrijpende ambiance. Ze zijn er nog niet, maar er broeit wel degelijk iets.

Mannen met gezichtsbeharing die folkgetinte indierock maken. Kent u van die types? Mocht er niets te binnen schieten, dan noem ik Fleet Foxes. En na vanavond mag Other Lives ook als een goed antwoord gelden. Al zijn er wel verschillen aan te wijzen, te beginnen met het testosterongehalte. Dat is namelijk bij Other Lives minder hoog, te danken aan het enige vrouwelijke groepslid Jenny Hsu. Op het podium staan een hoop instrumenten uitgestald, en vrijwel iedereen bespeelt er meerdere van. Het kwintet is gefocust, geconcentreerd, vrij serieus. Ze doen hun best, maar de inspanningen ten spijt kan het me niet raken. In dat opzicht is die bandnaam wel zo toepasselijk. Het zijn andere levens, mij onbekenden, met wie ik niets deel. Kan gebeuren.


Het nummer “Beachy head” van het Britse Veronica Falls schopte het in 2010 tot de top drie van mijn singles jaarlijst. De song is ook te vinden op het alleraardigste debuutalbum van de band dat in september jl. het licht zag en dat overduidelijk is gestoeld op de C86 ‘sound’. Zanger / gitarist James Hoare lijkt er met zijn bloempotkapsel en overhemd met paisleymotief zelfs zijn looks op te hebben afgestemd. De samenzang tussen hem en zangeres / gitarist Roxanne Clifford is een belangrijk element binnen het bandgeluid, terwijl drummer Patrick Doyle het aanvult met achtergrondvocalen en een moeiteloze manier van drummen. Met liedjes als  “Beachy head”, “Right side of my brain”  en “Found love in a graveyard” krijgt de band het publiek mee, en vooral de (vele) Britten die vanavond aanwezig zijn, beginnen zich van opwinding te roeren. Na afloop kom ik Patrick en bassist Marion Herbain tegen bij de merchandisekraam waar ze gewillig voor me poseren nadat ik hun heb gecomplimenteerd met het goede optreden. Patrick lurkt aan een blikje bier, bepaald niet de laatste van de avond, want als ik hem ergens rond half drie weer tegenkom is hij behoorlijk in de olie. Hij geeft me een slap handje, gunt me de gelukzalige doch verre van nuchtere glimlach van een dronkaard en verdwijnt dan richting de garderobe. Een onbeduidend voorval misschien, maar het doet stiekem mijn sympathie voor dit leuke bandje toenemen.

Op Pukkelpop was hij een van de weinige acts, de eerste trouwens ook, die ik nog meemaakte voordat zoals bekend het festival tot een even tragisch als abrupt einde kwam. OK maar niet voor herhaling vatbaar, iets van die strekking dan toch, was de indruk die het optreden van Wolf Gang toen op mij achterliet. Mijn verwachtingen op London Calling zijn dan ook niet hooggespannen. Waar het aan ligt, of hoe het komt, weet ik niet, maar vanavond weet Wolf Gang – alias Max McElligott – wel te overtuigen. De indie pop liedjes spatten van het podium af en missen hun impact niet. “Lions in cages” klinkt in weerwil van de titel ontketend , en “The king and all of his men” is als een signaal dat het weekend is begonnen. Het uur van de wolf.


Vers van de pers is Breton, een gezelschap jonge Britten wiens bandnaam me geen enkel belletje deed rinkelen. Ze hebben nog niets uitgebracht, vertelt iemand me, al zit een debuutsingle er wel aan te komen, dus ik laat me verrassen. Wat blijkt later overigens: Breton heeft al drie EP’s op hun naam staan. Wat ze vanavond laten horen, maakt nieuwsgierig naar die platen. De jongemannen gaan in eerste instantie goeddeels verscholen onder hoodies terwijl op de achtergrond artistiek bedoelde filmprojecties voor visuele ondersteuning zorgen. Wat ik hoor: een stukje Friendly Fires, een brok punkfunk, “dit lijkt op Foals”, hiphop beats, dub en elektronica met een twist. Niets dat ik zo direct zou kunnen nafluiten maar in het minder dan een half uur dat ze is gegeven, is mijn interesse voldoende gewekt..Afijn, ik ga die platen van Breton aan een nader luisteronderzoek onderwerpen.

Gaaf, anders kan ik het niet zeggen, is mijn hernieuwde kennismaking met The Rapture. Onze vorige ontmoeting stamt uit 2006, toen ze toerden in het kader van het album “Pieces of the people we love”. In Paradiso, waar ik ze ooit voor het eerst zag ten overstaan van anderhalve man en een paardenkop in de bovenzaal – in 2002 als ik me niet vergis – staan ze als hoofdact van de avond en ter promotie van de nieuwe plaat “In the grace of your love”. De eerste helft van het optreden is het, na de titeltrack van laatstgenoemde, punkfunk van de bovenste plank wat de klok staat, een soort ‘best of’ met onder meer “Get myself into it”, “Whoo! Alright – yeah uh-huh” en niet te vergeten doorbraaksingle “House of jealous lovers”. Kijk, daar krijg je mij mee aan het dansen en dat doe ik dan ook. “Olio” gaat er eveneens in als koek. Het nieuwe album levert onder meer een uitvoering van “Sail away” op en een swingende uitvoering van “How deep is your love?”. De vertrokken bassist Matty Safer wordt eerlijk gezegd niet gemist, want ook zonder hem – overigens probleemloos vervangen door een vooralsnog alleen live opererende nieuwe kracht – levert The Rapture het bewijs nog lang niet toe te zijn aan het verstrijken van de houdbaarheidsdatum. Whoo! Alright!


Kijk, daar is hij weer: Fred Macpherson. Met zijn vorige band, de progrock formatie Ox.Eagle.Lion,Man, stond hij al eens op de planken van London Calling, in 2007 om precies te zijn. Veel stelde het niet voor, kan ik uit eigen ervaring melden, al waren ze op plaat niet onverdienstelijk. Fred’s nieuwe band Spector – de naam refereert aan Phil Spector, maar dat niveau is nog lang niet voor ze weggelegd – is minder hoogdravend dan zijn vorige formatie, en zelfs uitgerust met een neusje voor popmuziek. Ongeveer in de lijn van The Killers, al moeten ze wel nog hun eigen “Somebody told me” of “Mr Brightside” schrijven. Al komt single “What you wanted” een heel eind in de goede richting. De band is gestoken in identieke pakken – ‘lijkt wel een boy band’, zegt iemand spottend, maar dat zie ik zelf niet zo – en Fred toont zich een geanimeerde frontman die niet om een woordje verlegen zit. Spector levert geen spektakel op, maar na Fred’s eerdere mislukte pogingen om met Ox.Eagle.Lion.Man en daarvoor Les Incompetents een deuk in het muzikale pakje boter te slaan, lijkt het gezegde ‘driemaal is scheepsrecht’ voor hem nu eindelijk op te gaan.

In de late uurtjes, na een ietwat murw makende bandjescarrousel, heb ik wel trek in een potje chillwave. Dan komt Washed Out oftewel Ernest Greene als geroepen. Zijn nieuwe album “Within and without” ken ik (nog) niet maar ik heb me laten vertellen dat het voortborduurt op EP “Life of leisure”. Ernest doet het niet alleen vanavond, want hij is in gezelschap van vier hulpkrachten. Tezamen op een niet al te verlicht podium brengen ze de songs van Washed Out in een opgepoetste vorm ten gehore, meer ‘thrill’ dan ‘chill’. Ernest staat achter een keyboard, zijn stem echoot door de microfoon. Om in de juiste ‘chill mood’ te komen, ben ik er maar bij gaan zitten, afijn, na tien bands en bijna zeven uur, begin ik me namelijk ook nogal ‘washed out’ te voelen. Het is de reden dat het optreden als een soort waas aan me voorbijtrekt, niet onaangenaam trouwens, maar het doet me op dit late uur niet opveren.


In de categorie ‘nooit eerder van gehoord’: An Horse. Een bandnaam die bij mij bevreemding opwekt. An Horse? Moet dat niet ‘A Horse’ zijn? Of betreft het een zangeres die An Horse heet, eh.. An Paard dus. Het is dus wel degelijk An Horse, een duo uit Australië volgens de samenstelling meisje (de androgyne tomboy Kate Cooper met Justin Bieber kapsel, doet wat denken aan Sarah Bettens) op gitaar en jongen (Damon Cox) achter de drumkit. Komt dat bekend voor? Mij doet het namelijk denken aan Blood Red Shoes, en de muziek van An Horse heeft er bij vlagen ook wel iets van weg, al komen ze bij een vergelijkend onderzoek als de mindere uit de bus. Het duo komt integer en enthousiast over, is goed op elkaar ingespeeld, ze hebben een paar aardige liedjes maar over de gehele linie beschouwd is hun indierock niet van uitzonderlijk niveau.

Het liefst zou ik na twaalf bands op rij onder de wol willen kruipen, maar vooruit, ik besluit in ieder geval te blijven totdat Wise Blood begint. Als het me niet bevalt – de naam zegt me overigens niets – kan ik nog altijd na een nummertje of wat mijn biezen pakken. Wise Blood is het alter ego van ene Chris Laufman (uit Tennessee, zoals hij zelf zegt) die indachtig zijn familienaam veel heen en weer lauft, en dan het liefst tussen het onderhand flink uitgedunde publiek. Over bonkige beats en samples (onder andere The verve’s “Bittersweet symphony”) rapt / zingt Chris en hij laat weten dat ‘ie Amsterdam zo tof vindt. Twee wise bloedbroeders bemannen op de bühne een keyboard / laptop en een drumstel en een jongedame in mouwloos T-shirt en baseballpet op wiegt ritmisch van voor naar achter op de muziek. Ik verwacht dat ze nog iets gaat bespelen of een mopje gaat zingen, maar kennelijk staat ze er alleen onder het motto ‘want het oog wil ook wat’. Wat haar feitelijke functie ook moge zijn, voor zover daarvan sprake is, de vrouw lijkt als in trance door de muziek. En die trance roept blijkbaar om verkoeling, want opeens trekt ze haar shirt uit. Gehuld in een zwarte BH gaat ze verder met haar wiegendans. Hmm, misschien kan dat onder de wol kruipen nog even wachten. Afijn, om een lang verhaal kort te maken, ‘spannender’ dat dit, en dat geldt trouwens ook voor de muziek, wordt het niet, en dus staat er niets meer in de weg om mijn vaste ritueel (broodjes tartaar speciaal en jonge kaas) uit te voeren en daarna onder de behaaglijke wol te kruipen.


Meer foto’s hier!

zaterdag 3 december 2011

Oktober 2011

CD’s

EEFJE DE VISSER – De koek

Waar zappen al niet goed voor is. Want zo stuitte ik in de late uurtjes op een live optredende, mij  onbekende Nederlandse band die onmiddellijk mijn aandacht trok. Ze speelden slechts één nummer, maar aan de hand van de titel (“Genoeg”) en een Google zoekactie later, ontdekte ik dat het de singer / songwriter (en Grote Prijs Winnaar van 2009) Eefje de Visser betrof. Nog hongerig van dit ene smaakvolle kaakje, ging ik voor de hele koek, een interessant, fragiel en intiem album. Het al genoemde “Genoeg” smaakt het best, en ook het lieflijke “Naast me”, “Hartslag”,  “Trein” en “Huis” zijn een bewijs van haar talent. Eefje, die bij De Wereld Draait Door indruk maakte met haar cover van Blondie’s “Call me”, beschikt over een oor strelende, aangename stem en schrijft beeldende, haar ziel blootleggende teksten die het Nederlands als ‘poptaal’ recht doet.

LADYTRON – Gravity the seducer
Soms vergeet je wel eens dat sommige bands nog bestaan, totdat ze weer van zich laten horen met een nieuw album. En die koop ik dan weer trouw, omdat ik de band nog nooit op een slechte plaat heb kunnen betrappen. Zo is mijn relatie tot Ladytron, het viertal uit Liverpool dat met “Gravity the seducer” aan album nummer vijf toe is. De elektronische (synthesizer)pop wijkt in stijl niet zo gek veel af van wat op eerdere platen te horen was, maar ditmaal zijn de songs meer gelaagd, nog iets toegankelijker en erg consistent in kwaliteit. Denk aan een fusie tussen Kraftwerk en Abba, en dat geldt meteen ook als compliment. Mijn persoonlijke smaakmakers zijn single “White elephant”, het instrumentale “Ritual”, het engelachtige “Ambulances” en de melancholische weldaad van “90 degrees”. Mag Ladytron na 12 jaar eindelijk eens echt doorbreken?

WOODEN SHJIPS – West
Als je de twee singles compilatiealbums niet meerekent, is “West” de derde plaat van het psychedelische spacerock kwartet uit San Francisco voor wie het eeuwig 1967 lijkt te zijn. Op “West” is dan ook niet gesleuteld aan de formule die eruit bestaat dat elke song zich in een zelfhypnose – en de luisteraar daarin meetrekkend – blijft herhalen. ‘Trance jams’ is een term die ik speciaal voor deze gelegenheid verzin om de muziek van Wooden Shjips te duiden, trippend op vervlogen maar niet vergeten voorgangers als Loop en Spacemen 3. Als trouw koper van hun oeuvre mag ik beamen dat de inwisselbaarheid van hun songs groot is, maar dat is eigenlijk niet echt bezwaarlijk want deze geestverruimende klanken kun je het beste als geheel ondergaan en dan snap je waarom, te beginnen met hoogtepunt / openingsnummer “Black smoke rise” en eindigend met de achterwaarts opgenomen klanken van “Rising”.

THIS MANY BOYFRIENDS – Getting a life with
“I don’t like you (‘cos you don’t like the Pastels)” is de even grappige als veelzeggende titel van de eerste van in totaal zeven songs tellende EP. Wie bekend is met de wat stuntelige doch charmant rammelende indie poprock vande Schotse band met een zekere cultstatus, weet dus meteen waar This Many Boyfriends voor gaan.  Types die met gym altijd als laatste werden gekozen, en nu hun gram halen met en ‘getting a life with’ hun eigen bandje.  Vernieuwend is het niet, leuk is het wel zoals het uptempo “Trying is good” en “Diaries” (“we all got bullied at school, some of us just took it better”). Hoe het in de toekomst met de band zal gaan, is even onduidelijk want eind september overleed hun gitarist Peter Sykes aan de gevolgen van een hersenbloeding.

Met terugwerkende kracht

THE JESUS AND MARY CHAIN – Psychocandy

Wat ik eigenlijk met een plaat van een gospelband moest, wilde de verkoper van de nu niet meer bestaande platenzaak Disco Limburg weten, nadat ik de 12” “Never understand” uit de bakken had gevist. Nee, echt bekend waren TJAMC toen nog niet, en gospel allesbehalve. Alhoewel, gospel betekent eigenlijk ‘goede boodschap’ en dat was het voor mij zeker. Een boodschap die dankzij dit type door mij nooit eerder gehoorde klassieke popsongs bedolven onder feedbacklawaai luid en duidelijk overkwam en stevig werd omhelst. Een souvenir van een studietrip naar Londen bestond uit een manshoge bandposter die jarenlang op een slaapkamermuur prijkte, en T-shirts werden gekocht nog voordat ik ze live mocht aanschouwen. Deze heruitgave van “Psychocandy”, toe aan zijn 25e verjaardag, brengt weer menige goede herinnering naar boven (“In a hole”, “You trip me up”, “The living end”), ook dankzij de toevoeging van onder meer toffe noisy B-kantjes (o.a. “Just out of reach”, “Head”), debuutsingle “Upside down” en John Peel sessies. Verplichte kost & de volumeknop omhoog!

NIRVANA – Nevermind
Over de betekenis en impact van deze doorbraakplaat, niet alleen voor de band maar ook voor alternatieve rock, hoef ik het niet meer te hebben want dat is algemeen bekend. Wat mezelf aangaat: dit was het album dat me de blik weer eens richting Amerikaanse bands deed richten na een lange Britse indie georiënteerde periode die eerlijkheidshalve niet vrij was van oogkleppen en muzikaal-cultureel snobisme. Om “Nevermind” kon echter niemand heen, en ik ook niet, want dit is een geval van ‘alle twaalf goed’. Alle twaalf klassieker, wil ik zelfs beweren, wat natuurlijk met name opgaat voor het welbekende ‘volkslied’ van de Amerikaanse alternatieve gitaarrock “Smells like teen spirit”. Of het nu gaat om het moshpit vuurwerk “Territorial pissings”, het ingetogen “Something in the way” of single “Come as you are”, voor alles geldt een uitstekende productie, ijzersterke songs, kortom, een ‘nirvana’ van een 20 jaar oude en nog steeds belangrijke plaat.

Singles

EXITMUSIC – From silence

Vrouw / man duo – ook de sponde delend, als ik me niet vergis – uit New York dat met hun eerste officiële release soortgelijke contouren vertoont als Beach House en Esben And The Witch. Zangeres Aleksa Palladino doet mij soms denken aan folkzangeres Melanie op de gothic toer. Deze EP bevat vier songs die alleen al dankzij “The sea” en “The modern age” de moeite van aanschaf waard is.

ELECTRICITY IN OUR HOMES – Aching, breaking, shaking for you
Ik blijf ze volgen, dit art rock trio uit Londen die wat mij betreft onderhand wel eens met een debuutalbum op de proppen mogen komen. Binnen hun tegendraadse oeuvre is deze single redelijk toegankelijk, al zullen ze er nooit de hitparade mee halen. Maar dat hoeft ook niet, zolang ze maar hun scheve, nerveuze muziek blijven maken.  

NOVELLA – The things you do
Debuutsingle van drie jongedames uit Brighton maar nu gehuisvest te Londen die sinds februari 2010 samen Novella vormen. “The things you do” is een heel aardige poging tot My Bloody Valentine shoegazepop, Pale Saints en aldus qua sound meer geworteld in begin jaren negentig dan het heden. 

SISSY AND THE BLISTERS – We are the others
The Horrors hebben hun garagerockverleden al twee albums geleden van zich afgeschud, maar SATB denken dat er nog genoeg leven in zit om er een reanimatie op los te laten. De band slaagt erin om het lijk zo’n 2,5 minuut uit de dood te doen herrijzen en op onderhoudende wijze te laten rondhuppelen alsof “Strange house” nog bewoond wordt. “We are the others”, zingen ze en iedereen weet wie ze daarmee bedoelen. 

SPECTOR – What you wanted
Na twee mislukte pogingen met Les Incompetents (what’s in a name…) en Ox.Eagle.Lion.Man probeert Fred Macpherson het opnieuw met een vers stel jonge muzikanten en een meer popgerichte aanpak. Geen ‘wall of sound’ à la Phil Spector, waar de bandnaam vandaan komt, maar meer in de trant van The Killers als die niet in Las Vegas maar in Londen zouden zijn ontstaan. Songtitel “What you wanted” is een gedurfde claim, maar vooruit, dit wil ik wel.

THEME PARK – A mountain we love
Het was me na het beluisteren van deze eerste single van Theme Park – een kwartet uit Londen – niet duidelijk van welke berg ze nou eigenlijk houden, maar vanaf de begintonen is wel evident van welke band ze gecharmeerd zijn: Talking Heads. O, en als je goed luistert, hoor je zelfs een koebel. Punkfunk met de punk vervangen door pop en indierock. Best leuk, best zomers. 

ALL THE YOUNG – Welcome home
‘Home’ is in dit geval Manchester, de thuisbasis van dit viertal mannen. Ze zijn er verknocht aan, net als aan de bands die er vandaan komen, en dan Oasis en The Courteeners in het bijzonder. Je hoort het in alles terug bij All The Young, hoezeer ze schatplichtig eraan zijn maar ook niet anders lijken te willen. Alsof iets eigens of iets origineels uit den boze is, misschien wel omdat ze daar niet toe in staat zijn. Best aardig gedaan, maar niet om voor thuis te blijven.

woensdag 30 november 2011

Sinner's Day - Hasselt : Ethias Arena : zondag 30 oktober 2011


Het is de derde editie van Sinner's Day en ik ben er voor de derde maal bij. Ook dit jaar is er weer gesleuteld aan het concept en dat levert een verbetering op ten opzichte van vorig jaar. Alle concerten in de Ethias Arena te Hasselt vinden dit jaar plaats in de grote zaal (‘Main hall’) en dat betekent dat de kleine zaal, dat het vaak nadelig uitpakkende ‘vol is vol’ principe hanteerde, is geschrapt. Het podium in de grote zaal is nu opgedeeld in drie secties (rechts, midden en links) en wie zich enigszins strategisch opstelt, hoeft in theorie geen stap te verzetten om alle optredens te kunnen zien en horen. Wij (commando Billy, Jeanette en ondergetekende) kiezen ervoor om af en toe een wandelingetje te maken, soms omwille van primaire behoeftes (hapje eten, toiletbezoek) of anders wel omdat de band / act ons niet aanstaat. Een kluisje biedt handig uitkomst om onze spullen in op te bergen, dansen op new wave plaatjes van weleer kan in de Elektropedia en wie zich de moeite neemt om in de rij te gaan staan voor een kopje koffie, krijgt niet alleen iets lekkers te drinken maar ook te zien…


Het spits wordt afgemeten door het Britse electropop duo Blancmange. Het tweetal is weer bijeen, heeft zelfs een nieuw album uit, maar in live gedaante mag vocalist Neil Arthur het opknappen, terwijl partner Stephen Luscombe thuis op deze zondagmiddag wellicht zijn auto staat te wassen. Helemaal alleen hoeft Neil het niet te doen: een onbekend heerschap achter een keyboard zorgt voor de deuntjes en een meneer in een soepjurk van Indiase of Pakistaanse komaf neemt de percussie voor zijn rekening. Het publiek reageert af en toe wat lauwtjes, wat Neil de cynische uitspraak doet uitlokken: “Maybe you should have stayed at home.” Het nieuwe werk wordt voor kennisgeving aangenomen, want op Sinner’s Day zit iedereen te wachten op een nostalgietrip. Die krijgen we in de vorm van “Living on the ceiling”, het meest bekende en daardoor best ontvangen “Don’t tell me”, en de sterke afsluiter  “Blind vision”. Een aardige start van het festival.

Als er één band is waarvan de vlag de lading niet meer dekt, dan is het wel Gene Loves Jezebel. Gene en Jezebel zijn de respectievelijke bijnamen van de tweelingbroers Jay (John) en Michael Aston. Ooit was er ‘love’ tussen het tweetal maar sinds 1997 is de liefde over, en hebben ze elkaar eigenlijk alleen nog maar in de rechtbank gezien. Gene Hates Jezebel kortom. Misschien kan iemand ze eens opgeven voor EO’s “Het familiediner.” Hoe dan ook, de broers toeren sinds jaren elk met hun eigen versie van de band, en in Hasselt krijgen we die van Michael te zien, die uit viervijfde bestaat van de meest succesvolle bezetting. In 2006 gaf Gene Loves Jezebel (samen met Theatre Of Hate, overigens een prima kandidaat voor dit festival, toch?) een optreden in jongerencentrum Fenix te Sittard. Ik had met ze te doen want ze stonden er voor anderhalve man en een paardenkop te spelen. Ondanks die circa 25 betalende bezoekers zette de band zijn beste beentje voor, en toonde Michael zich een sympathieke, optimistische en praatgrage frontman. Ik gunde ze een groter publiek en dat krijgen ze nu – als ‘last minute’ invaller voor John Foxx die een hoofdwond opliep, gelukkig niet à la Kurt Cobain – maar helaas vergooien ze die kans. Ze gaan goed van start met “Upstairs” en “Over the rooftops”, daarna wordt het allengs minder, met als dieptepunt het suffige “Who wants to go to heaven”. Hitje “Desire” is bedoeld als uitsmijter, doch er lijkt amper iemand op te reageren en sorteert dus niet het gewenste effect, en Michael gooit er daarom maar wat grappig bedoelde, doch uit lichte frustratie voortkomende, aan het publiek gerichte opmerkingen doorheen. Volgend jaar de GLJ versie van Jay eens uitproberen? Ik ben bang dat die net zo weinig, zo niet nog minder respons oplevert. Boodschap aan de broers: maak het nou weer gewoon goed met elkaar!


En ik altijd maar denken dat KMFDM stond voor Kill Motherfucking Depeche Mode. Dat had ik immers in de NME gelezen – iets van twintig jaar geleden overigens – en het kwam me even grappig als plausibel over. Maar goed, het goede antwoord luidt Kein Mehrheit Für Die Mitleid, wat ik toch minder opmerkelijk /grappig vind. Deutsch Englische Freundschaft was gezien de samenstelling van de band meer op zijn plaats, en meteen een knipoog naar die andere band die we hopelijk ook nog eens op dit festival gaan meemaken. Ik weet niet goed wat ik er van moet verwachten, maar zodra de band de bühne betreedt, wordt er massaal naar fototoestellen en mobieltjes gegrist om toch maar vooral zangeres / toetsenist Lucia Cifarelli in haar spannende pakje met gespijkerde boezem vast te leggen. Wat eronder verscholen zit prikkelt ongetwijfeld de fantasie maar het blijft hoe dan ook binnenboord. Keine Möpse Für Die Männer kortom. Muzikaal vaart de band op grofweg dezelfde koers als Rammstein, al moet daarbij aangetekend worden dat dit industrial rock gezelschap al sinds ’84 actief is, dus tien jaar eerder dan hun veel succesvollere evenknie uit voormalig Oost-Duitsland. Na een nummertje of drie geloven we het wel, tijd om ons naar het eetgedeelte te begeven. Sinner’s Day is er om te zondigen en die mogelijkheid wordt volop geboden met ongezond voedsel – de gebruikelijke bouletten, shoarma, frites en andere vetmakers – maar wij houden het voorlopig op koffie. Alleen jammer dat het jonge meisje die mijn bestelling afhandelt het verschil niet weet tussen latte machiato en cappucino. Ach ja, Beginner’s Day.

“Er is een DJ aan het draaien”, zeg ik bij het binnenkomen van de zaal. Dichterbij komend zie ik dat er twee mensen op het podium staan, en dat blijken geen DJ’s te zijn, maar de band Recoil. Recoil, is dat een band uit het verleden? Nee, maar het herbergt een oud-employee van Depeche Mode (Alan Wilder) en dat is kennelijk al genoeg om voor plaatsing op Sinner’s Day in aanmerking te komen. Alan staat met een compagnon achter laptopjes en lapknopjes. De nummers die ze de zaal in slingeren zeggen me vrij weinig. Wie kan zich erop beroepen een song van Recoil te noemen of te herkennen? Ik niet in elk geval. Even een moment van herkenning als we “Reach out and touch me!” horen, een stukje

“Personal Jesus” dus van zijn voormalige broodheren. Op het scherm zie ik op een gegeven moment ‘Nitzer Ebb’ verschijnen, maar de betekenis ervan ontgaat me. En eigenlijk gaat dat ook op voor de aanwezigheid van Recoil. Het klinkt niet verkeerd, maar de grenzen zijn naar mijn mening iets te ver opgerekt om de aanwezigheid van Recoil te rechtvaardigen binnen het concept van het festival. Maar goed, het biedt natuurlijk wel mogelijkheden voor de toekomst wanneer de bodem van het blik nog bestaande / toerende alternatieve bands en artiesten van weleer in zicht begint te raken. Het bandje van een voormalige Joy Division roadie of oud-manager van The Sisters Of Mercy is dan zo geboekt.

Het is twintig jaar geleden dat ik voor het laatst The Exploited heb gezien (in de Melkweg te Amsterdam). De bandbezetting is sindsdien diverse malen gewijzigd – getuige talloze versleten bassisten en gitaristen – met als enige constante de onverwoestbare Wattie Buchan, de man met de blik van een door een vormfout vrijgekomen TBS-er. Wattie’s broer Wullie zit trouwens ook al jaren achter de drumkit, maar heeft bij lange na niet dezelfde staat van dienst als de frontman. Die had twintig jaar terug geen hanenkam meer maar een soort van roze dreadlocks omdat zijn haren de dagelijkse spuitbusbeurt niet meer trokken. Fijn om de man dan toch weer met het punk handelsmerk bij uitstek op zijn authentieke hoofd te zien rondlopen, alsof het de dag van gisteren was. En ook de muziek doet weer vertrouwd aan, geen modieuze uitstapjes naar voor, achter, links of rechts, maar ‘gewoon’ de betonpunk zoals The Exploited ze sinds jaar en dag onvermoeibaar blijft afvuren. Wat dat betreft is er geen betere uitdrager van zowel motto als lijflied “Punk’s not dead”, een van de vele gouwe ouwe naast onder meer “Army life”, “Fuck the USA”, “Cop cars”, “Alternative”, “Troops of tomorrow” en het hardop meegezongen “Sex & violence”, dat op de bühne bijval krijgt van een enthousiast punkwijf van middelbare leeftijd uit de entourage van de band die bij mij niet meteen de associatie ‘sex’ oproept… Niettemin, mocht mijn volgende ontmoeting met The Exploited pas weer over twintig jaar plaatsvinden, dan koester ik de geruststellende gedachte dat het weer als vanouds zal zijn. Met of zonder hanenkam.

Voor de Britt Dekkers onder ons: Visage is het Franse woord voor gezicht. En het is tevens sinds begin jaren 80 de ‘nom de plume’ van Steve Strange die op basis van zijn wanprestatie zich voortaan beter ‘Pas De Visage’ (geen gezicht) zou moeten noemen. Omdat het dus geen gezicht is, deze nicht die vals is in meerdere betekenissen van het woord. “I’m getting old, my memory has gone”, zegt Steve, maar dat is niet het enige dat hij kwijt is. De weg, bijvoorbeeld. En zijn stem, wat zangeres Sandrine Gouriou mag trachten te maskeren. Steve heeft een hip uitziend ensemble om zich heen verzameld, zoals de reeds genoemde Sandrine en bassist Rosie Harris die met hun kapsels de tachtiger jaren weer tot leven proberen te brengen. Maar veel leven zit niet meer in Visage, want het aanzien van het optreden is hetzelfde als de ramptoerist uithangen. “Nighttrain”, “Pleasure boys” en “Madman” (“a song about me”, luidt de overbodige introductie van Steve) reutelen op tenenkrommende wijze voorbij. Of we liever weer The Exploited willen zien, vraagt Steve op een gegeven moment, ongetwijfeld zelf aanvoelend dat niemand op zijn Blamage zit te wachten. De langverwachte finale bestaat uit “Fade to grey”, wat deze verlepte Barry Stevens der old romantics eindelijk de kans geeft om zijn enige grote hit voor het voetlicht te brengen. Maar ja, de echte Barry – moge hij rusten in vrede – zou hier natuurlijk nooit zijn credo “Vooral doorgaan!” (met vet Brits accent) aan hebben gegeven. “Vooral doodgaan!”, dat dan hoogstwaarschijnlijk weer wel…


“The best song you’ll hear all day”, kondigt de grijs geworden Wayne Hussey “Butterfly on a wheel” aan.
Ach ja, staaltje van zelfoverschatting, het blijft een Britse rockartiest natuurlijk. Maar dan wel eentje die met zijn band The Mission aan zijn laatste missie bezig is, gevat onder de titel “The final chapter”, een soort van knipoog naar het in 1987 verschenen verzamelalbum “The first chapter”, waar  onder meer de Neil Young cover “Like a hurricane” van wordt geplukt. De band, die al een jaar geleden (!) werd bevestigd voor Sinner’s Day, treedt aan in nagenoeg dezelfde originele bezetting want alleen drummer Mick Brown verkoos ervoor deze kortstondige reünie aan zich voorbij te laten gaan en zijn zegen te geven aan een jonge, enthousiast meppende vervanger. De glimmend kale Craig Adams hanteert de bas en Simon Hinkler, na wiens vertrek het eigenlijk nooit meer echt goed kwam met de band, is ook weer even terug op het oude nest. De aftrap wordt genomen met “Beyond the pale”, en al gauw speelt de band een gewonnen wedstrijd met onder andere “Wasteland”, “Deliverance”, “Tower of strenght” en persoonlijke favoriet “Severina”. De missie wordt sterk afgerond met een cover van The Stooges “1969”, ooit net zo sterk geïnterpreteerd (en op plaat vastgelegd) door Wayne en Craig’s vorige band The Sisters Of Mercy. Mission accomplished!

Een goede zet van de organisatie om Diamanda Galas te boeken. Je hebt namelijk ook acts nodig die je niet zo nodig of zelfs liever helemaal niet wenst te zien. Dat stelt je immers in staat om even wat te eten, te slenteren, een grote boodschap te doen of een sigaret te gaan roken. Of een combinatie daarvan. De vleugel van Diamada staat al geruime tijd opgesteld – en blijft tijdens het Exploited concert zelfs netjes onaangetast – totdat de zwarte feeksachtige verschijning haar opwachting maakt. Ze neemt plaats achter de vleugel, trekt haar scheur open en doet menigeen al gauw beseffen dat – om het netjes te zeggen – we toch te zeer cultuurbarbaar zijn om hier chocola van te kunnen / willen maken. Maar dat komt goed uit, want de innerlijke mens heeft zich gemeld en aangezien de rijen bij de frites binnenshuis moedeloos stemmen, beproeven we met meer geluk de kramen die buiten staan alwaar je zo aan de beurt bent voor een Bicky Burger of een zak patat. Berichten dat de Sinner’s Day catering het nog nooit zo druk heeft gehad als tijdens Diamanda Galas blijven vooralsnog onbevestigd.


En dan te bedenken dat ik me nog heb afgevraagd of ik Patti Smith wel goed zou vinden. Toegegeven, ik ken niet gek veel werk van haar, enkel de highlights uit haar 70s periode, en ofschoon hulde voor haar pionierswerk en antecedenten, kamp ik anno 2011 met een stiekem vooroordeel van een inmiddels oude vrouw (bijna 65) die waarschijnlijk niet meer in staat is tot een opwindende performance. Maar daar sla ik toch finaal de plank mis, want de zangeres blijkt nog steeds een gedreven, intense, oprechte en bevlogen artiest te zijn die samen met haar uitstekende band zonder meer het beste optreden van de dag neerzet. Wie zich nog mocht afvragen waar ze haar welhaast iconische status aan te danken heeft, krijgt deze avond het overtuigende antwoord. “Gloria” is het welluidende begin van een concert dat drijft op de passie van Smith. “People have the power”, zingt ze, aanhakend op een vlammend pro-Occupy betoog, en je gelooft haar. “Because the night” draagt ze op aan Fred ‘Sonic’ Smith, haar overleden echtgenoot en “the person who it was written for”, daarmee het nummer een emotionele lading meegevend. De band sluit af met een spetterende uitvoering van “Rock’n’roll nigger”. Patti molt een gitaar en waar dat bij andere artiesten soms als een obligate, vooraf bedachte en clichématige actie aanvoelt, lijkt dit voort te komen uit spontane emotie. Hier wordt niet geteerd op nostalgie, is geen sprake van een verlopen houdbaarheidsdatum en krijgen zowel jonge als oude honden een les in hoe het kan en moet. Een indrukwekkend optreden. 
 

“Das Original!” kondigt presentator Luc Jansen Karl Bartos aan, alsof het een Werther’s Echte betreft. Die originele status heeft Karl te danken aan het feit dat hij ooit deel uitmaakte van de klassieke Kraftwerk line-up. De informatie die Sinner’s Day erbij geeft is dat Karl de architect was van het gezelschap. Wat waren die andere drie dan, denk ik bij mezelf. Bouwvakkers? Hoe dan ook, Karl laat nog even op zich wachten, terwijl de intromuziek zichzelf maar blijft herhalen. Hoort dit zo of zit Karl ergens met zijn broek op de enkels een architectonisch monument eruit te persen? Of kan hij zijn floppy disks soms niet vinden? Uiteindelijk maakt hij zijn opwachting, geflankeerd door een langharige Duitser van middelbare leeftijd, die in het verleden hooguit een functie bij Kraftwerk als kabelsjouwer kan hebben gehad. In de wetenschap dat publiek snel uitgekeken raakt op twee oudere Duitse heren achter knoppen, beeldschermen en een batterij toetsen, heeft Karl opdracht gegeven om fraaie filmpjes te laten maken die aansluiten op de muziek. Met die muziek kan Karl natuurlijk weinig fout doen, het zijn immers (lichtelijk bewerkte) klassiekers uit de Kraftwerk catalogus waar hij als medecomponist aan bijdroeg. En dat zijn niet de minste nummers zoals “Das Model”, “Die Roboter”, “Neon lights” en “Computer world”. De show kan uiteraard niet tippen aan het visuele spektakel van het echte ‘Original’, maar ach, het is een goedbedoeld en redelijk onderhoudend alternatief.


The Cult, ik blijf er een zwak voor hebben. En als ik The Cult zeg, dan bedoel ik feitelijk Ian Astbury en Billy Duffy, al sinds het prille begin de onafscheidelijke tandem van de band. Hun meest succesvolle gloriejaren hebben ze al geruime tijd achter zich en ze zijn wellicht veroordeeld tot het in de lengte ter dagen blijven spelen van hun meest bekende songs, wetende dat interesse in nieuw materiaal beperkt zal blijven. Dat besef zullen ze ongetwijfeld hebben, maar ze laten het in ieder geval niet merken. Waarschijnlijk zijn ze daar te verknocht aan elkaar en aan hun muziek voor. Volgend jaar duiken ze zelfs de studio in voor een nieuw album, laat de nog immer stoere, op Jim Morrison in zijn nadagen, maar dan nuchter, gelijkende Ian weten. Middernacht komt in zicht wanneer de soundcheck eindelijk gedaan is, en de band met vertraging van de bühne bezit neemt. Voor wie The Cult de pakweg afgelopen drie jaar een aantal malen gezien heeft, en daar reken ik mezelf toe, komt de setlist niet als een verrassing. Maar dat geeft niets, want het lijstje sluit perfect aan bij de verwachtingen die je van een band op dit festival mag koesteren. The Cult doet wat er van ze verwacht wordt en vergast de aanwezigen zodoende op een soort van ‘greatest hits’ en publieksfavorieten zoals “Phoenix”, “Horse nation”, “Lil’ devil”, “Rain”, “Nirvana”, “Wild flower”, “Spiritwalker”, “She sells sanctuary” en “Love removal machine”. Ian is gevat en heeft nog wat snedige opmerkingen in huis, maar refereert ook aan het prima optreden van Patti Smith en complimenteert iemand uit het publiek die een Southern Death Cult T-shirt draagt. Zo ver terug in de tijd gaat de band niet – toen was Billy zelfs nog niet van de partij – maar een mens mag altijd hopen, toch?

Front 242 heeft iets te vieren op dit late uur – door vertraging bijna een uur later dan de bedoeling was – want de band zit namelijk 30 jaar ‘in het vak’. Geen band vandaag die zoveel merchandise aanbod heeft als Front 242. Twee jaar geleden, op de eerste editie van Sinner’s Day, waren ze ook al de afsluitende act, dus dit voelt voor mij als een herhaling. Na praktisch de hele dag te hebben gestaan, zit ik het optreden uit op de tribune, en laat ik het spektakel aan oog en oor voorbijtrekken, mijn benen en voeten de broodnodige rust gunnend. Het instrumentarium is kaal en rigide met alleen een drumstel en een keyboard, aangevuld met commanderende zang en meer duisternis dan licht. Dansen en bewegen doe ik slechts in gedachten, wat niet in de weg staat van het genieten van elektronische hoogtepunten “No shuffle”, “Headhunter”, “Welcome to paradise” en “Tragedy for you”. Voor de liefhebbers is er na afloop nog de afterparty in de Elektropedia maar tegen de tijd dat het daadwerkelijk 242 is (twee minuten voor twee uur ’s nachts dus) zitten we in de auto huiswaarts, moe doch voldaan, in de overtuiging dat we volgend jaar weer komen zondigen.


Meer foto’s hier!   

woensdag 9 november 2011

New Order - Brussel : Ancienne Belgique (AB) : maandag 17 oktober 2011

Of ik wist dat New Order in Brussel een optreden zou gaan geven, vroeg mijn collega / secretaresse blogparty mij in september jongstleden. Dat was een zeer verrassend nieuwtje voor me. Ik checkte de website van AB, en daar stond het inderdaad zwart op wit. Opmerkelijk, want ik meende dat New Order sinds een jaar of vier was opgeheven, ook al lopen de meningen tussen Bernard Sumner en Stephen Morris enerzijds en Peter Hook anderzijds op dat punt sterk uiteen. Hoe dan ook, New Order was weer even actief, al was het slechts voor een tweetal optredens. De kortstondige reünie vond plaats uit financiële overwegingen, maar in dit geval niet om de zakken van de band zelf te spekken, maar die van de bevriende Amerikaanse filmmaker Michael Shamberg. De Amerikaan is namelijk ernstig ziek en de inkomsten van het concert, net als dat van een dag later in Parijs plaats te vinden optreden, zijn bedoeld om diens medische kosten te betalen. De vriendschap tussen New Order en Shamberg dateert van 1981, toen de band voor het eerst New York aandeed. De regisseur filmde dat jaar de groep tijdens een concert in het Ukrainian National Home en het resultaat werd officieel uitgebracht, eerst op videocassette onder de titel “Taras Shevchenko”, en sinds 2001 te vinden op DVD (“316”). In het verdere verloop van de carrière van New Order bleef Shamberg bij de band betrokken als producer of regisseur van hun videoclips. 


Op de dag van de voorverkoop zit ik om 10.00 u startklaar achter een pc met een credit card. De eerste inlogpoging mislukt, de tweede idem dito maar bij de derde keer is het raak. Ik vul mijn gegevens in en hoef alleen nog maar de betaling te regelen. Ik kan nog net een juichkreet onderdrukken, totdat ik besef dat ik mijn cardreader niet bij de hand heb. Nadat ik hardop op mezelf heb zitten te vloeken, klamp ik koortsachtig mensen in het gebouw aan met de vraag of ze het benodigde kleinood bij zich hebben. Bij de derde persoon is het gelukkig al raak en zo kan ik alsnog de transactie voltooien. Een dikke maand later rijden commando Billy en ik naar Brussel, waar we vlakbij onze bestemming ons toch weer verrijden – ditmaal een tunnel te veel – zodat we opnieuw de ‘in één keer goed’ score niet behalen. Na een bezoek aan achtereenvolgens een geldautomaat die het kleurrijke slachtoffer is geworden van een verfbom – twee dagen eerder vond in Brussel een grote betoging plaats tegen ‘de dictatuur van de financiële machten’ – en een Subway filiaal met zo ongeveer de langzaamste medewerker van het complete bedrijf, staan we met een kriekje in de hand in de uitverkochte AB. Bij de merchandisestand bestaat het aanbod uit slechts één en niet eens bijzonder ogend model T-shirt dat niet voor de bijzondere optredens van vandaag en morgen lijkt te zijn gemaakt.

Er is geen voorprogramma maar een DJ die niet met naam is genoemd. De aldus onbekende man, redelijk verscholen aan een zijkant van het podium, draait gedurende een half uur dance waarbij opvallend vaak Kraftwerk de revue passeert. Daarna volgt een korte filmvertoning die ingaat op werk van Shamberg. We zien onder meer een stukje van de al eerder genoemde “Taras Shevchenko” concertopname en fragmenten uit artistiek bedoelde films zoals lange, ononderbroken shots waarin weinig tot niets gebeurt. Ze voldoen helemaal aan het clichébeeld dat bestaat over kunstzinnige, experimentele filmprojecten. Commando Billy gaat al gauw liever even een sigaretje roken ondanks mijn verzekering dat zich zo meteen een functionele naaktscène aandient. Die er natuurlijk niet van komt… J. Hoe dan ook, van harte beterschap voor Shamberg en dat de benefietconcerten maar voldoende moge opbrengen, maar diens artistieke uitingen zijn niet aan mij besteed.


Het is handig dat op de AB website op de dag van het concert het tijdschema (begin- en eindtijden van optredens) bekend wordt gemaakt want zodoende weten we dat New Order anderhalf uur heeft uitgetrokken voor deze eerste van twee reünieconcerten. Net als een maand geleden, bij The Specials, is ook hier de term reünie van relatieve aard. Waar bij The Specials in de persoon van Jerry Dammers een belangrijke absentie viel te noteren, geldt dat bij New Order voor Peter Hook. Zijn plek is ingenomen door ene Tom Chapman die weliswaar diens karakteristieke basspel weet te dupliceren, maar niet diens ‘stage presence’ heeft. Hij staat dan ook wat meer op de achtergrond. Wat deze hereniging dan weer wel extra bijzonder maakt, is de terugkeer van toetsenist Gillian Gilbert, die in 2001 de band verliet terugtrok om zich te wijden aan de zorg voor haar twee dochters, van wie er een ernstig ziek is. Diverse toeschouwers roepen incidenteel haar naam bij wijze van blijdschap of enthousiasme, en dat ontlokt bij Gillian een verlegen glimlach. Daar blijft het bij, want het meest introverte bandlid doet verder niets anders dan onbeweeglijk haar partijen spelen, naar het keyboard turen en zo nu en dan een blik werpen op het publiek. Ze is de stille kracht van het gezelschap, wat nu des te meer opvalt omdat ze is opgesteld op de plek waar normaal gesproken de meer uitbundige, stoer met zijn ronkende bas in de weer zijnde Peter Hook stond. Gitarist Phil Cunningham is er sinds 2005 bij, en maakt samen met Bernard Sumner deel uit van de band Bad Lieutenant. Met de geconcentreerd drummende Stephen Morris op de achtergrond, is het Bernard die, uiteraard als zanger zijnde, de meeste aandacht trekt.

Nadat het instrumentale “Elegia” als introductie heeft gediend, gaat de band van start met single “Crystal”, het enige nummer dat van album “Get ready” wordt gespeeld. Niet dat ik daar rouwig om ben trouwens. Omdat er geen nieuw materiaal valt te promoten en met de wetenschap waar het publiek voor is gekomen, heeft de band een setlist samengesteld die zich leest als een ‘best of’, bestaande uit voornamelijk singles die de band door de jaren heen (1981-2005) uitbracht. Oudje “Ceremony”, dat geschreven werd toen Joy Division nog bestond, zorgt voor een golf van opwinding onder de aanwezigen, die we gezien hun leeftijd, ook geldend voor de band zelf trouwens, mogen aanduiden als ‘old order’. Het is opmerkelijk dat New Order ervoor gekozen heeft om alleen in Brussel en Parijs op te treden, en niet in hun thuisland. Dat neemt niet weg dat diverse Britten, waarvan sommige al aardig in de olie zijn (maar niet hinderlijk), de weg naar de AB hebben weten te vinden.


Voor een band die al vijf jaar niet meer heeft opgetreden, maakt New Order een fitte indruk, aangespoord door toeschouwers die elke ‘golden oldie’ spontaan in woord en gebaar begroeten. Bernard maakt grapjes en is goedgeluimd, zichtbaar blij om weer in het spotlicht te staan voor een schare welwillende fans. “1963!” schreeuwt er iemand, maar Bernard ontmoedigt hem meteen door te zeggen dat het nummer niet, zelfs nooit meer gespeeld wordt. Om enige tijd later met een grijns te melden: “Contrary to what I said earlier…”, ter aankondiging van “1963”. Een beetje dollen met de fans, Bernard heeft er wel schik in. Zoals gezegd komen vele hits voorbij, en de grootste c.q. meest bekende zitten in de tweede helft van het concert. “True faith”, “The perfect kiss”, “Temptation” en het uiteraard voor de toegift bewaarde “Blue Monday” kunnen rekenen op de grootste bijval en dansuitingen van zowel de krakkemikkige als de soepele soort. Ik kan zelf ook niet stilstaan. Naast me swingt een dikke man zich helemaal in het zweet. Zijn T-shirt is drijfnat. Als onverwachte traktatie sluit New Order af met de Joy Division klassieker “Love will tear us apart” dat ondanks de droefgeestige tekst wordt gebracht alsof het om het meest levenslustige lied ooit gaat. De zaal reageert overeenkomstig, want uit zijn dak. Dan neemt de band afscheid op deze zowel blauwe als gouwe ouwe maandag. Hopelijk tot ziens…

Setlist: Elegia (intro) * Crystal * Regret * Ceremony * Age of consent * Love vigilantes * Krafty * 1963 * Bizarre love triangle * True faith * 586 * The perfect kiss * Temptation * (toegift) Blue Monday * Love will tear us apart

Meer foto’s hier!

maandag 7 november 2011

September 2011

CD’s

S.C.U.M. – Again into eyes

Met “Again into eyes” stapt het gitaarloze S.C.U.M. definitief uit de schaduw van ‘grote broer’ The Horrors, met wie de band vrijwel altijd wordt vergeleken: ze zijn afkomstig uit dezelfde (Londense) muziekscène,  besmet door gelijksoortige invloeden (art rock, post punk, dark wave, psychedelica), en bassist Huw Webb is de jongere broer van Horrors basspeler Rhys. Single “Amber hands” vormt het hoogtepunt, met “Whitechapel” als overtuigende tweede. Net als in het uit hetzelfde hout gesneden “Faith untolds” en “Days untrue” worden ze gekenmerkt door wervelende synthesizerklanken en de omineuze stem van Thomas Cohen. In “Summon the sound” is de donkere mystiek terug te horen van debuutsingle “Visions arise”, “Sentinel bloom” herinnert aan shoegaze, de plechtige kant van Joy Division dringt zich op in “Cast into seasons” en “Reqiuem” valt te classificeren als een ambient soundtrack. Een veelbelovend debuut.

KASABIAN – Velociraptor!
Kasabian heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een van de beste Britse (indie) bands, behorend tot de top. Serge Pizzorno heeft zich doen gelden als een talentvolle songschrijver, verantwoordelijk voor een overtuigende reeks aan singles sinds 2003. Op albumniveau toont hij zijn veelzijdigheid, deze keer switchend van electropop (“I hear voices”) naar The Beatles (“La fee verte”) en van dance rock / big beat (“Switchblade smiles”) naar klassieke 60s pop met een western tintje (“Let’s roll like we used to”). Ook cool / de moeite waard: “Re-wired”, “Days are forgotten” en de titeltrack, die een goed tegenwicht bieden voor mindere tracks als “Goodbye kiss” en “Man of simple pleasures”. Al met al scoort Kasabian (wederom) een dikke voldoende.

THE RAPTURE – In the grace of your love
Vijf jaar na “Pieces of the people we love” is The Rapture terug, met een bandlid minder (bassist Matty Safer), persoonlijk leed achter de kiezen, en de punkfunk revival lang en breed voorbij, net als het moment waarop de band een doorbraak had kunnen forceren. Het had een voedingsbodem kunnen zijn voor een sombere, eenzijdige en achterhaalde plaat, maar “In the grace of your love” is in grote lijnen fris en positief van toon, dansgericht en gevarieerd. “Miss you” is lekker poppy met glamrock drums, Talking Heads komen om de hoek kijken in “Can you find a way”, “Blue bird” is een geval van artrock, albumpiek “How deep is your love” gaat voor house en de titelsong is sensueel funky. Een nieuwe “House of jealous lovers” mag er dan niet tussen zitten, maar de band – terug op het DFA label – is nog steeds levensvatbaar.

THE DUKE SPIRIT – Bruiser
Goed om te weten dat ze er nog zijn, ook al laten ze niet zo heel vaak van zich horen. Hun derde album zit in hetzelfde muzikale vaarwater als voorgangers “Cuts across the land” (2005) en “Neptune” (2008), met hier en daar een verschuiving richting rustiger, balladeachtig materiaal. Dus ja, meer van hetzelfde eigenlijk, maar wel weer goed gedaan met als vertrouwde rode draad het instant herkenbare, lichthese, even stoere als sexy stemgeluid van Leila Moss. Ter indicatie, je hoort flarden van The Kills, Queens Of The Stone Age en Black Rebel Motorcycle Club, maar de band heeft inmiddels een zodanig eigen indierock signatuur ontwikkelt, dat ze vooral als zichzelf klinkt. Aan toffe songs geen gebrek, zoals single “Everybody’s under your spell” (een singles jaarlijst waardig), “Cherry tree”, “Surrender”, “Procession” en “Northbound”.

Met terugwerkende kracht

POP WILL EAT ITSELF – Now for a feast

Bij een breder publiek zal PWEI misschien beter bekend zijn als een indierock band met rap-, hiphop- en industrialinvloeden, maar mijn eerste kennismaking met het (toen nog) viertal uit Stourbridge stamt uit de tijd toen ze nog charmant rammelende, van simpele en niet van humor gespeende teksten voorziene punkpop liedjes maakten (à la Buzzcocks) die zelden langer dan twee minuten per stuk duurden. “Now for a feast” bevat louter materiaal uit de ‘grebo’ periode ’86-’87 zoals de destijds door mij grijsgedraaide “Poppiecock” EP (een bundeling van hun eerste twee singles, samen goed voor tien songs!) met o.a. “Black country chainstore massacree” en “There’s a psychopath in my soup”. Interessant is dat er zelfs terug wordt gegaan naar het pre-PWEI tijdperk, toen ze nog Wild And Wandering heetten en anonieme gothic pop maakten. Geeft niks, want die andere 25 tracks zijn allemaal een lust, nee: een ‘feast’ voor mijn oren! 

Singles

THE VACCINES – Norgaard

Met een duur van anderhalve minuut is het nummer gedaan voordat je er erg in hebt. Maar het gezegde ‘Haastige spoed is zelden goed’ gaat hier niet op, want “Norgaard” is net als zijn iets snellere broeder “Wreckin’ bar (ra ra ra)” een kort maar hevig indiepunk precisiebommetje.

MILES KANE – Come closer EP
“Come closer” werd al eens eerder uitgebracht, maar blijkbaar vond de platenmaatschappij dat het niet voldoende aandacht had verdiend. Een tweede poging dus, en dan maar meteen als een (7”) EP met drie andere nummers. “Do I want you?” is in de stijl van The Last Shadow Puppets, aardig doch niet opmerkelijk. Dat zijn de twee songs op de B-kant wel, te weten de psychedelische garagerockers “Kaka boom” en “The responsible” (een Jacques Dutronc cover), ideaal voor een stel sixties go go danseressen. 

SPECTRALS – Extended play
Indien “Extended play” dit jaar zou zijn verschenen, had het mijn jaarlijst gehaald. En stiekem alleen al vanwege “I ran with love but couldn’t keep up”, een melancholisch pareltje dat me telkens weet te raken. Deze EP is echter al een klein jaar oud, maar ik wil het toch in de schijnwerpers zetten, als voorproefje van het debuutalbum. De combinatie doo wop, The Smiths en surfrock klinkt op papier misschien als een mismatch, maar Spectrals weet er iets mooi droevigs van te maken. Aanrader!  

zaterdag 5 november 2011

The Specials - Brussel : Ancienne Belgique : woensdag 28 september 2011

Het zal je maar gebeuren. In slaap gevallen tijdens een concert. En nou zijn er vast wel concerten te bedenken tijdens welke dat kan voorkomen, maar toch niet bij The Specials. De feestvreugde die de band teweegbrengt, de uitbundige sfeer die bijna tastbaar aanwezig is in de uitverkochte Ancienne Belgique (AB) zaal te Brussel: het zijn allesbehalve slaapverwekkende taferelen. Maar goed, het overkomt toch iemand. We zitten ergens op driekwart van het optreden wanneer bandleden Terry Hall en Neville Staples in de gaten krijgen dat er iemand op het balkon zit te pitten. “Wake him up!” roepen ze geamuseerd zijn buren toe, onder luid gelach en gejoel van het publiek. Ach ja, wie weet was het wel zo iemand die The Specials zo raak wisten neer te zetten in “Stereotype” en “Man at C&A.” Een kleurloze Europarlementariër die de hele dag in zijn grijze pak oeverloos heeft zitten te vergaderen over eurocrisis gerelateerde kwesties en vuistdikke, dodelijk saaie dossiers heeft doorgenomen met betrekking tot de landbouwpolitiek in Slovenië. Of het was iemand die lijdt aan narcolepsie. Hoe dan ook, het moeten wel heel bijzondere omstandigheden zijn geweest om in slaap te vallen, maar The Specials gaven daar zelf geen enkele aanleiding toe.


We – commando Billy, ik en 1798 anderen, 1800 is althans de maximumcapaciteit van de AB – zijn vanavond aanwezig om een reünieconcert van The Specials bij te wonen, deel uitmakend van een tournee door Europa, die later zal worden gecontinueerd in Amerika. Reünie is overigens een relatief begrip want Jerry Dammers – toetsenist, medeoprichter, songschrijver, kortom niet de minste – is niet van de partij. Wel gevraagd overigens, maar om onbekende reden heeft hij voor de eer bedankt. Zonde, want dit is toch ook zijn feestje. Tegelijkertijd gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat hij tussen en vanwege het feestgedruis niet echt wordt gemist. Zijn vervanger, wie het ook moge zijn, speelt de orgelpartijen van Jerry in ieder geval naadloos bij de rest aansluitend in. De ‘we hebben er zin in’ houding van de heren Specials straalt over op het publiek en vice versa. Alleen Terry Hall kijkt met de blik van een man die liever ergens anders was, bijvoorbeeld thuis op de bank, maar dat mag eigenlijk niet als een verrassing komen. Terry is nou eenmaal geen lachebekje, nooit geweest ook. Op zijn manier doet hij wel degelijk mee, en wie goed oplet, ziet af en toe zijn mondhoeken omhoog krullen bij de aanblik van de taferelen die zich voor het podium afspelen.

Ofschoon The Specials zeven studioalbums op hun naam hebben staan, wordt alleen rijkelijk geput uit het eerste invloedrijke tweetal (“Specials” – 1979 en “More Specials” – 1980), toen de band in de ultieme bezetting actief was. Daar staan immers ook hun meest bekende nummers op die als klassiekers mogen worden aangemerkt: “Gangsters”, “Rat race”, “A message to you Rudy” en het met luid gejuich onthaalde “Too much too young”. Maar dit is geen concert waar het publiek alleen staat te wachten op de ‘hits’ of dat te lijden heeft onder momenten dat de boel indommelt. Zo sta ik zelf erg te genieten en mee te zingen met de relatief minder bekende songs “Friday night, Saturday morning”, “Stereotype” en “Man at C&A” die elkaar als een hattrick opvolgen. Het is echter ronduit merkwaardig dat in de 22 (!) songs tellende setlist nou net het nummer ontbreekt waar deze reünietournee zijn naam aan te danken heeft: “Ghost town”. Het is nota bene één van hun meest bekende liedjes en ook de commercieel meest succesvolle, want in 1981 een nummer één hit in Engeland. Naar de reden van het weglaten blijft het slechts gissen, jammer is het wel. Ook opvallend, al heeft dat met de band zelf niets te maken, is het nagenoeg ontbreken van toeschouwers met de typische skinhead (en verwanten) look. Kale koppen zijn er zat, maar dat heeft meer met leeftijdgerelateerde haaruitval te maken…


Na anderhalf uur komt de party tot een einde. “Enjoy yourself”, zo zongen Terry en Neville Staples nog voor de toegift, en daar werd massaal gehoor aan gegeven. Wat de toekomst zal brengen voor The Specials nadat hun tournee is afgerond, dat is nog onduidelijk, zoals de tekstregel “You’re wondering now, what to do, now you know this is the end” in het allerlaatste nummer lijkt te bevestigen. “I won’t return, forever you will wait”, klinkt het in diezelfde song, maar laten we hopen dat dit niet het geval zal zijn. Dan citeer ik toch liever “More Specials”, de titel van hun tweede album. Want een speciaal feestje als dit concert, dat vraagt om meer! 

Setlist: Do the dog * (Dawning of a) new era * Gangsters * It’s up to you * Monkey man * Blank expression * Doesn’t make it alright * Rat race * Hey little rich girl * Stupid marriage * Concrete jungle * Friday night, Saturday morning * Stereotype * Man at C&A * Do nothing * A message to you Rudy * Nite klub * Little bitch * Too much too young * Enjoy yourself * (toegift) Guns of Navarone * You’re wondering now

Meer foto’s hier!

Primal Scream / Little Barrie / Sultans Of Slide - Amsterdam : Paradiso : maandag 05 september 2011

Ik heb even moeten zoeken, maar ik vond uiteindelijk dan toch de twee foto’s die ik heb gemaakt tijdens het concert van Primal Scream in Paradiso op zaterdag 11 januari 1992, als onderdeel en zelfs het begin van hun Europese tournee ter gelegenheid van het een jaar eerder verschenen album “Screamadelica”. Het zijn nogal vage kiekjes (foto links: de minste vage van de twee), maar dat is wel zo toepasselijk aangezien ik me zo goed als niets meer van het optreden voor de geest kan halen. In mijn herinnering ging het pas laat van start, rond middernacht of zo, doch met zekerheid zeggen durf ik dat niet. Ik weet nog met wie ik was, waar ik me in de zaal bevond (wat uit de foto valt te herleiden) en dat ik na afloop een T-shirt met lange mouwen en het ‘hoeslogo’ op de voorkant moet hebben gekocht want dat ligt netjes opgevouwen tussen mijn andere, alfabetisch gerangschikte (!) band shirtjes. Maar verder is me er weinig van bijgebleven. Dat de band in de min of meer originele bezetting weer op tournee is gegaan om het twintigjarige jubileum van “Screamadelica” te vieren, komt me dan ook goed uit. Het biedt me de kans om nieuwe herinneringen op te doen, en nota bene in dezelfde zaal – niet uitverkocht overigens – waar ik ze twee decennia geleden voor het eerst zag.


Wachtend op het voorprogramma, pik ik in de bovenzaal een aantal nummers mee van Sultans Of Slide, een bluesformatie waar ik nooit eerder van gehoord heb. Blues is dan ook niet mijn ding, en op de vraag wat de status is van de Amerikaanse band (met Nederlandse inbreng) binnen de blues scène, zou ik geen antwoord kunnen geven. Evident is wel de ervaring die van het clubje uitstraalt, een veteranenstatus zelfs, als ook het plezier en vakmanschap. Dat dit zich vaak vertaalt in de zoveelste, langdurige gitaarsolo is eigen aan het genre (en tevens mijn grootste struikelblok) maar de sultans slagen er niettemin in om mijn te overbruggen wachttijd te veraangenamen.

In de grote zaal mag Little Barrie het publiek gaan opwarmen en dat doet de band met verve. Gitarist Barrie Cadogan, naar wie het trio – verder bestaande uit bassist Lewis Wharton en drummer Virgil Howe – is vernoemd, heeft vanavond een dubbelrol want hij speelt ook in de live bezetting van de hoofdact. Bij Primal Scream is hij ‘slechts’ een ingehuurde kracht in een bijrol, maar in zijn eigen band is hij de coole frontman die overtuigt als zanger en gitarist. Virgil – zoon van Steve Howe, de gitarist van progrockers Yes! – is een extraverte hippiedrummer die eveneens om de goede redenen de aandacht op zich gevestigd weet te houden. Ik zag de band één keer eerder, in 2005 op het Motel Mozaïque festival in Rotterdam. Ik had toen al hun eerste album, maar eerlijk gezegd staat me er amper iets van bij. Het moet iets van ‘aardig maar niet gedenkwaardig’ zijn geweest. Dat is dan ook mijn verwachting van Little Barrie vanavond. Vanaf het begin tot en met het einde (een half uur in totaal) word ik echter aangenaam verrast door de solide, pakkende songs die het beste combineren van stijlen als sixties rock, soul en blues. Ik hoor een muzikale verwantschap met Miles Kane, 22-20’s en Paul Weller, acts waar Little Barrie, op basis van wat ze hier laten zien en horen, niet voor onder doen. 


“Screamadelica” was en is een gelauwerd album, een eclectische mengeling van house, dub, gospel, rock en country, dat de definitieve doorbraak voor de band betekende, al was dat meer in eigen land dan daarbuiten. Voor mij heeft de plaat nooit de mythische status gehad die sommigen eraan toekennen, zeker destijds niet, al moet gezegd worden dat ik twintig jaar na dato en diverse luisterbeurten later, me grotendeels kan vinden in zowel de loftuitingen op als het belang van de plaat binnen de muzikale context van begin jaren negentig. Dat ik de band en “Screamadelica” toen niet volledig omarmde, had te maken met een bepaalde scepsis. Op de een of andere manier had ik wat moeite met het zelfopgelegde, clichématige ‘rock star’ imago van de band, Bobbie Gillespie en gitarist Robert Young voorop. Het kwam op mij over als het gretig spelen van een rock’n’roller in plaats van het echt te zijn. Niet authentiek dus. En daarmee stond het – voor mij – lange tijd in de weg van
hun geloofwaardigheid. Dat ik mettertijd anders tegen de band aan ben gaan kijken, ligt aan de muzikale progressie, diversiteit en kwaliteit die Primal Scream met de achtereenvolgende albums  “Vanishing point”, “XTRMNTR” en “Evil heat” aan de dag wist te leggen.

Zoals eerder gezegd is de bandsamenstelling in vergelijking met die van 1991 min of meer hetzelfde. Robert Young is niet meer van de partij, want vijf jaar geleden vertrokken omwille van een langdurige sabbatical, maar gitarist Andrew Innes (grijs geworden), toetsenist Martin Duffy en uiteraard Bobby Gillespie maken wel deel uit van de line up. Bassist Mani was destijds geen bandlid, want pas sinds 1996, en ik weet vanavond nog niet dat hij een maand later Primal Scream zal verlaten. De band, aangevuld met huurlingen, wordt in de rug visueel ondersteund door oogstrelende, al dan niet bewegende beeldprojecties, vaak met een psychedelische inslag. Bijna vijftiger Bobby – die jonger oogt, mede dankzij een jongensachtige slungeligheid – doet zijn best om het publiek mee te krijgen. Hij klapt, danst en beweegt zich over het podium, althans vooral tijdens de dansbare nummers waar het concert mee opent. “Movin’ on up” is een oproep om met de heupen te schudden, de 13th Floor Elevators cover “Slip inside this house” continueert deze ritmische modus, en mijn persoonlijke favoriet, de funky housetrack “Don’t fight it, feel it” (een betere titel had ’t niet kunnen krijgen) doet er nog een schepje bovenop.


Van tevoren had ik me al wat zorgen gemaakt over de rustige nummers op “Screamadelica”, in het bijzonder de countryachtige ballads “Damaged” en “ I’m comin’ down”, toch al mijn minst favoriete songs uit het rijtje. Zouden die, zeker na een trio dansgerichte nummers, niet de boel doen inzakken. Het antwoord is helaas ‘ja’. Ook de fraaie chillout tracks “Inner flight” en “Higher than the sun” lijken aan het publiek voorbij te gaan. Pas bij de eerste klanken / Peter Fonda sample van doorbraaksingle “Loaded” beginnen toehoorders weer op te veren. Die lijn wordt voortgezet met de gospelachtige extase van “Come together”. Ironisch genoeg laat het publiek zich nog het meest onbetuigd tijdens de toegiften die allemaal stammen uit het post-“Screamadelica” tijdperk. Singles “Country girl” is nota bene uit 2006, dus 15 jaar na het gelauwerde album, en “Jailbird” en “Rocks” stammen van “Screamadelica” opvolger “Give out but don’t give up” die veel traditioneler van opzet was, minder eclectisch en zowel creatief als muzikaal gezien een stap terug. Maar goed, over een stap terug gesproken, dat is iets wat we – de meesten dan toch, gelet op de gemiddelde leeftijd van de aanwezigen – vanavond als collectief doen. Jammer dat “Screamadelica”, de gelijknamige track van de aan het album stilistisch verwante EP “Dixie-Narco”, niet op de setlist prijkt, het zou namelijk wel zo logisch zijn geweest. Doch dat is slechts een te verwaarlozen smetje op deze avond waarop “Screamadelica” op gepaste wijze in hetzelfde soort bonte zonnetje wordt gezet zoals die op de albumcover is te vinden.

Setlist: Movin’ on up * Slip inside this house * Don’t fight, feel it * Damaged * I’m comin’ down * Inner flight * Higher than the sun * Loaded * Come together * (toegift) Country girl * Jailbird * Rocks

Meer foto’s hier!