THEE OH SEES – Carrion crawler / The dream
S.C.U.M. - Whitechapel
THEE OH SEES – Carrion crawler / The dream
S.C.U.M. - Whitechapel
Nadat Peter Hook And The Light in mei jl. de Effenaar
aandeden voor hun enige concert op Nederlandse bodem dat in het teken
stond van de integrale uitvoering van Joy Divisions debuutalbum “Unknown
pleasures”, is het een half jaar later de beurt aan “Closer”, volgens hetzelfde
recept. Hoe ik in de aanloop van het eerstgenoemde optreden aankeek tegen het
voornemen van Hook om het album op tournee te nemen en wat ik er uiteindelijk
van vond, kun je hier (terug)lezen. In het kort: de nieuwsgierigheid en de
uiteindelijke uitvoering won het van de aanvankelijke scepsis. Twijfels zijn er
zodoende vanavond niet meer, alleen het verheugende vooruitzicht op het
kortstondig tot leven wekken van “Closer”, hopelijk gevolgd door een aantal
extra, niet eerder gespeelde nummers. Dat de band een grote verrassing in petto
heeft, weten we dan nog niet. De kritiek op Hook mag dan inmiddels zo goed als verstomd
zijn, maar dat neemt niet weg dat de goede man me vanavond toch even de
wenkbrauwen doet fronsen. Als backdrop is logischerwijs gekozen voor een
uitvergroting van de “Closer” hoes. De afbeelding op de voorzijde, een foto van
de Appiani familietombe met een tafereel van rouwenden aan een sterfbed, met
daarboven de albumtitel, is niet alleen welhaast iconisch te noemen maar krijgt
in relatie tot de tragische zelfdoding van Ian Curtis een diepere betekenis.
Dus om daar nou ‘Manchester, England’ onder te zetten, alsof het een of ander souvenir
van de stad betreft, getuigt van weinig goede smaak en op zijn minst een
verkeerd inschattingsvermogen.
Minny Pops treedt aan met oprichter en boegbeeld Wally
van Middendorp, de enige constante van het gezelschap. De band kende in zijn
bestaan vele bezettingswisselingen, en ten behoeve van de reünie kon Wally niet
op alle oud-leden een beroep doen omdat ze naar zijn zeggen zijn verdwenen,
overleden of niet durfden. Niettemin is er uit het verleden een greep gedaan dat
heeft geresulteerd in lid van het eerste uur Wim Dekker op keyboards en de
ietwat op Nico Dijkshoorn gelijkende Pieter Mulder op bas. Het nieuwste Minny Pops bandlid betreft Mark
Ritsema op gitaar die zijn sporen onder meer verdiende in de Rotterdamse new
wave formatie Spasmodique. De vier heren zien eruit als een stel (hoog)leraren
met de nerdy, bewust houterig, staccato dansende en tussen de nummers door op
zakelijk informerende toon pratende Wally als letterlijk en figuurlijk
middelpunt. Er ging vroeger wel eens iets mis tijdens optredens, vertelt Wally
op droge toon, maar ook tegenwoordig wil dat gebeuren. Maar, zegt Wally,
hij heeft geleerd daar om te kunnen lachen. Doch dat doet Wally juist niet, het
blijft stil, en dat brengt het publiek juist ertoe om in de lach te schieten.
Waarop Wally, die zich opeens van de onbedoeld komische situatie bewust wordt,
alsnog begint te lachen. Muzikaal gezien is het een interessant optreden dat het
eigenzinnige karakter van de band onderstreept. Het is afstandelijk, kil,
mechanisch bijna, maar het intrigeert wel. Meer no wave dan new wave;
klinische, experimentele anti-pop met een nuchter Nederlands hart. Voor een
band die al zo lang niet heeft opgetreden, klinkt Minny Pops behoorlijk fris.
En wanneer er even iets mis gaat, maakt dat deze band met zijn zakelijke
uitstraling alleen maar menselijk. Kortom: welkom terug, Minny Pops!
Als de laatste klanken van het elegante,
melancholische “Decades” zijn verstomd, verlaat de band onder applaus het
podium. Wat zouden ze als toegift gaan spelen, denk ik bij mezelf, een vraag
die al tot de nodige speculaties leidde. Het antwoord is niet alleen uitermate
verrassend maar ook een vroeg kerstcadeau. Peter Hook vertelt dat zoon Jack met
het briljante idee op de proppen kwam om als toegift de integrale setlist te
spelen van het Joy Division concert zoals dat in de Effenaar op 18 januari 1980
ten gehore werd gebracht. Een golf van opwinding gaat door me heen, te mooi om
waar te zijn, maar het gebeurt echt. En een mooi voorbeeld van waar voor je
geld krijgen, want we krijgen feitelijk twee concerten op rij, waarin zo’n
beetje de hele Joy Division songcatalogus aan bod komt en we zodoende mogen
spreken van een unieke avond. Voor één bezoeker geldt dat laatste nog net iets
meer, want die krijgt na de tweede toegift – de eerste toegift heeft dan al
langer geduurd dan de “Closer” uitvoering! – van een topless Peter Hook diens
bezwete T-shirt overhandigd. Een mooi aandenken, maar dat geldt voor dit fantastische
concert in zijn totaliteit waar ik met veel genoegen aan zal blijven
terugdenken.
Als het
aan de Chinese overheid ligt, zitten de weersverwachtingen er over drie jaar
nooit meer naast. Nog voor 2015 wil
Peking exact kunnen bepalen waar en wanneer hoeveel regen naar beneden komt.
China wil met vliegtuigen en raketten chemicaliën op wolken strooien zodat ze
meer regen loslaten. Kortom: Cloud Control. En laat dat nu ook de naam wezen
van een kwartet uit Australië, uit de buurt van Sydney om precies te zijn. De
bandnaam was er jaren eerder dan het plan van de Chinezen, want het kwartet is
al actief sinds 2007. Ik maakte begin
2011 kennis met de band, via hun debuutalbum “Bliss release” dat een jaar
eerder uitkwam in hun thuisland. Toen de kans zich voordeed om Cloud Control in
levende lijve op Nederlandse bodem te aanschouwen, viste ik door omstandigheden
twee achtereenvolgende keren achter het net. Volgens het principe driemaal is
scheepsrecht ben ik ditmaal wel van de partij, met de band als support act van
The Drums in de Effenaar te Eindhoven.
VERONICA FALLS – Veronica Falls
LANA DEL REY – Video games
London Calling, dag 2. Het is
18.30 u en de eerste van in totaal 14 acts staat op het punt om te beginnen in
de kleine zaal van Paradiso. Vijf jongemannen beklimmen het podium, maar de focus ligt op zanger / gitarist Jamie N Commons, want we hebben feitelijk te doen met een soloartiest, en wel een
22-jarige singer / songwriter uit Londen. Hij draagt een hoed die associaties
oproept met een rondreizende prediker in het Amerika van eind 19e
eeuw en die ook vaak opduikt in de folkhoek. Dat laatste klopt deels, aangezien
folk een inspiratiebron is voor Jamie, maar het is vooral bluesmuziek waar hij
de mosterd vandaan haalt. Dat blijkt nog het meest uit “Wade in the water”, een
traditional met ritmisch handgeklap als muzikale begeleiding. Zijn stem is wat
rasperig, de liedjes klinken gedegen, en het totaalpakket moet de serieuze
muziekliefhebber – ik noem een Leo Blokfluit – vast aanspreken. De kenner weet
dan genoeg.
Kom je als band uit
Manchester dan werkt dat zowel in je voor- als nadeel. Gegeven de muzikale
reputatie van de stad die invloedrijke bands voortbracht als Joy Division, New
Order, Buzzcocks, The Smiths, The Stone Roses en Oasis, ben je geneigd om extra
aandachtig te zijn wanneer zich weer een nieuwe loot aan de Manchester boom
aandient. Tegelijkertijd wordt je als beginnende band vanwege je afkomst bewust
of onbewust altijd afgemeten aan genoemde, grote voorbeelden, vooral wanneer je
muziek er duidelijk door is geïnspireerd. Dat laatste is dus het geval bij All The Young, uit Manchester, die op de lijn zitten van Oasis. Of eigenlijk van
stadsgenoten The Courteeners die op hun beurt hebben geroken aan Oasis, maar
ook The Smiths en Elbow (eveneens uit Manchester…). Een afgeleide van een
afgeleide dus. Dat levert potentieel een stuk of twee de moeite waard zijnde
songs op zoals single “Welcome home”, maar verder lukt het All The Young niet
om boven het maaiveld uit te steken.
Een
aantal maanden geleden kocht ik de fris klinkende debuut EP “Your childhood”
van Dog Is Dead.
Het meest memorabele moment
van het optreden van Caged Animals, een band uit New York rondom vocalist
Vincent Cacchione, vindt plaats wanneer laatstgenoemde, na het publiek in
spanning te hebben gehouden wat hij met die koker in zijn handen doet, een ruk
geeft aan het object met een lullig grappige confetti ‘explosie’ tot gevolg.
Daarna gaat hij over tot de orde van de dag wat helaas neerkomt op indie
poprock van het pieken noch dalen soort. Ik ga me geen moeite geven te bedenken
waar het op lijkt. Er verschijnt nog net niet een denkbeeldige, collectieve
tekstballon boven het publiek waarin te lezen valt: dit schiet niet op,
hopelijk is de volgende band beter… Het is een veeg teken aan de wand wanneer
de kleine zaal al ruimschoots gevuld is wanneer de band in de grote zaal pas
halverwege zijn set is. Caged Animals hadden ze vanavond beter gekooid gelaten,
want op vrije voeten lopen ze alleen maar in de weg.
Friends. Nee, het is niet de
cast van de ooit zo populaire tv-serie die vanavond Paradiso komt bezoeken,
maar een nieuwe band uit New York. Blikvanger is zangeres Samantha Urbani die
ofwel teveel gedronken heeft, of iets heeft geslikt, of er gewoonweg heel erg
veel zin in heeft. Friends? Ja, ze maakt de indruk graag vriendjes te willen
worden met het publiek. Ze poseert meer dan gewillig (camerageil, heet dat
geloof ik), maakt uitbundig contact met het publiek en hangt de ietwat
aangeschoten party girl uit. O ja, zingen doet ze ook nog, je zou het bijna
vergeten. Haar friends op het podium zijn in vergelijking met Samantha minder
uitbundig. Afijn, de drummer staat met gekromde rug achter het drumstel, en dat
lijkt me behalve niet bepaald ARBO-waardig ook geen positie om enthousiast van
te worden. Maar goed, dat is zijn keuze, net zoals dat geldt voor dat kleurige
petje op het hoofd van de bassist. De popfunkdisco van Friends wil een
dansfeestje op gang brengen – in de geest van bijvoorbeeld New York Pony Club
of CSS – maar daar klinkt het te rommelig voor. Vriendjes worden op Facebook
stellen we zodoende nog maar even uit.
Hé, een metal band op London
Calling, constateer ik, na een Google zoekactie te zijn gestuit op de website
van een kwartet uit Leeds namens Shields. Nooit van gehoord, maar klinkt best
vet en het zorgt voor variatie binnen het festival aanbod. Echter, ik blijk de
verkeerde Shields te pakken te hebben – helaas is het evenmin Kevin Shields… –
want de band die voor deze avond is geboekt, blijkt een viertal uit Newcastle
te zijn. Newcastle, de stad van Maxïmo Park, waarmee ik eigenlijk het meest
interessante stukje informatie weggeef. Shields is namelijk geen band die je
bij de kladden pakt, kippenvel geeft of stof tot nadenken geeft. Nou, misschien
dat laatste toch wel. Maar dat zijn dan gedachten zoals ‘Wat plakt die vloer
hier toch’, ‘Hoe hoog zou het balkon eigenlijk zijn?’ en ‘Die knul naast me
heeft overduidelijk teveel gedronken’. Kortom, de kraak noch smaak indierock
van Shields doet mijn gedachten behoorlijk afdwalen. Hadden ze nou toch maar
die band uit Leeds gevraagd…
Hard-Fi: ik krijg er geen
harde meer van. Ik vond ze nog leuk ten tijde van debuutalbum “Stars of CCTV”,
mede dankzij de singles “Cash machine”, “Living for the weekend” en “Hard to
beat”. Maar dat is al zes jaar geleden, en ofschoon ik het twee jaar later
verschenen “Once upon a time in the west” braaf heb gekocht, zou ik daar zelfs
met het mes op de keel nu niets meer van voor de geest kunnen halen. Ik meen de
band pas een keer eerder live te hebben gezien (in Brussel), en dat was eerder
‘niet slecht’ dan ‘best goed’. Veertig minuten na de geplande aanvangstijd komt
de band pas het podium opgelopen. Ze zijn, volgens zanger / gitarist Richard
Archer, eigenlijk nog maar net in Amsterdam aangekomen, en hebben dus geen
enkele andere band op het festival gezien. Hard-Fi mag een uur spelen, doch
voor mijn gevoel kruipen de minuten voorbij. Hun ‘British indie rock’ heeft,
voor mij in ieder geval, zijn glans verloren, een band die is ingehaald door de
tijd.
London Calling, de zoveelste
editie. Ik ben de tel kwijtgeraakt, maar hoe dan ook, London roept weer. En
behoorlijk vaak dit keer, want het festival is uitgesmeerd over drie dagen,
samen goed voor meer dan dertig bands en artiesten. Het zwaartepunt ligt traditiegetrouw
op de zaterdag- en zondagavond- en nacht. Aanvang 18.30 u en dan, als gevolg
van opgelopen vertragingen, ergens na twee of drie uur ’s nachts is de laatste
band gedaan. Als je dat haalt, heb je op een avond een band of dertien voor je
kiezen gehad. En dat is veel en uiteindelijk ook vermoeiend, vooral als niet
alles de toets der kritiek kan doorstaan. Een paar uitzonderingen daargelaten
zijn het veelal beginnende acts, met soms nog niet eens een officiële release
op hun naam. Spectrals, op het podium een kwartet, maar feitelijk een
eenmansband bestaande uit Louis Jones uit Leeds, is voor mij persoonlijk iets
om naar uit te kijken. De vorig jaar verschenen EP “Extended play” wordt met
regelmaat geselecteerd op mijn iPod, vooral het wonderschone “I ran with love
but couldn’t keep up” en het opbeurende “Peppermint”. Debuutalbum “Bad penny”
is nog niet zo lang uit, en “Get a grip” is een van mijn kandidaten voor single
van het jaar. Twee laatstgenoemde songs prijken op de setlist en daar ben ik alvast
heel tevreden mee. De roodharige Louis, op bezoek geweest bij de coiffeur want
zijn lange gekrulde lokken zijn vervangen door een ‘doe maar wat’ kapsel dat
perfect past bij zijn ‘trek maar wat aan’ kleding, is niet de meest voor de
hand liggende podiumpersoonlijkheid, om het zo maar te zeggen, doch dat
compenseert hij met een talent voor het schrijven van liedjes die The Smiths en
doowop koppelen aan zijn op Alex Turner gelijkende stem. Het optreden kan
weliswaar niet voldoen aan mijn hooggespannen verwachtingen, en toch smaakt het
naar meer. Maar ik ben dan ook bevooroordeeld.
Op het Motel Mozaïque
festival in Rotterdam in april jongstleden zag ik Dum Dum Girls (voor de tweede
keer), en dat optreden was precies wat ik me er van tevoren van had voorgesteld
en verlopend zoals ik had gehoopt. Pal tegen het lage podium geplakt met vrij
zicht, een setlist met hoogtepunten van debuut “ I will be” en de toen redelijk
verse EP “He gets me high”. Eentje voor mijn jaarlijst kortom. Ik ga er bij voorbaat
van uit dat het zo goed als perfecte concert van een half jaar geleden vanavond
niet zal worden geëvenaard, en daarin krijg ik gelijk. Een kwestie van andere
omstandigheden, wat overigens niet wegneemt dat de vier in cool / sexy zwart
gestoken dames (dumes?) een goed optreden neerzetten waarin logischerwijs veel
ruimte is vrijgemaakt voor nummers van het nieuwe, tweede album “Only in
dreams”. Hierop wordt wat vaker gas teruggenomen, en het garagerockgehalte is
wat teruggeschroefd ten gunste van (indie) gitaarpop, wat misschien nog wel het
beste wordt geïllustreerd door een vrij getrouwe cover van The Smiths’ “There is
a light that never goes out”. Het betekent dat de band nu ook meer variatie kan
aanbrengen in hun doorgaans monochrome geluid, en daarmee zetten ze een stap
vooruit. Een fijne conclusie, want zo blijft een toch al door mij gekoesterde
band de moeite waard. Tot de volgende keer, dames!
Mannen met gezichtsbeharing
die folkgetinte indierock maken. Kent u van die types? Mocht er niets te binnen
schieten, dan noem ik Fleet Foxes. En na vanavond mag Other Lives ook als een
goed antwoord gelden. Al zijn er wel verschillen aan te wijzen, te beginnen met
het testosterongehalte. Dat is namelijk bij Other Lives minder hoog, te danken
aan het enige vrouwelijke groepslid Jenny Hsu. Op het podium staan een hoop
instrumenten uitgestald, en vrijwel iedereen bespeelt er meerdere van. Het
kwintet is gefocust, geconcentreerd, vrij serieus. Ze doen hun best, maar de
inspanningen ten spijt kan het me niet raken. In dat opzicht is die bandnaam
wel zo toepasselijk. Het zijn andere levens, mij onbekenden, met wie ik niets
deel. Kan gebeuren.
Op Pukkelpop was hij een van
de weinige acts, de eerste trouwens ook, die ik nog meemaakte voordat zoals
bekend het festival tot een even tragisch als abrupt einde kwam. OK maar niet
voor herhaling vatbaar, iets van die strekking dan toch, was de indruk die het
optreden van Wolf Gang toen op mij achterliet. Mijn verwachtingen op London
Calling zijn dan ook niet hooggespannen. Waar het aan ligt, of hoe het komt,
weet ik niet, maar vanavond weet Wolf Gang – alias Max McElligott – wel te
overtuigen. De indie pop liedjes spatten van het podium af en missen hun impact
niet. “Lions in cages” klinkt in weerwil van de titel ontketend , en “The king
and all of his men” is als een signaal dat het weekend is begonnen. Het uur van
de wolf.
Gaaf, anders kan ik het niet
zeggen, is mijn hernieuwde kennismaking met The Rapture. Onze vorige ontmoeting
stamt uit 2006, toen ze toerden in het kader van het album “Pieces of the
people we love”.
In de late uurtjes, na een
ietwat murw makende bandjescarrousel, heb ik wel trek in een potje chillwave.
Dan komt Washed Out oftewel Ernest Greene als geroepen. Zijn nieuwe album
“Within and without” ken ik (nog) niet maar ik heb me laten vertellen dat het voortborduurt
op EP “Life of leisure”.
Het liefst zou ik na twaalf
bands op rij onder de wol willen kruipen, maar vooruit, ik besluit in ieder
geval te blijven totdat Wise Blood begint. Als het me niet bevalt – de naam
zegt me overigens niets – k
EEFJE DE VISSER – De koek
THE
JESUS AND MARY CHAIN – Psychocandy
EXITMUSIC
– From silence