zaterdag 27 oktober 2012

Pukkelpop (dag 2) - Kiewit (Hasselt) - Een groot weiland : vrijdag 17 augustus 2012

Het is ergens rond een uur of acht in de ochtend wanneer ik wakker word. Ik lig in mijn tent op een weiland in Zonhoven. Het is nog uit te houden maar een half uur later voel ik me als een kip in een oven, klaar om te worden gegaard. Welkom op Pukkelpop, dag twee. Het belooft weer een hete dag te worden, wat zeg ik: dat is het al. Commando Billy, Wilms en ik beginnen de dag met een ontbijt in een binnenplaatsje van een naast onze ‘camping’ gelegen huis. De bewoners, een van typische Vlaamse vriendelijkheid overlopend jong gezin, zijn collectief in de weer om hun gasten een ontbijt mét (spek en ei) of zonder voor te zetten. Het gaat er gemoedelijk en niet waterdicht aan toe – op de tweede dag hadden we makkelijk kunnen ontbijten zónder te betalen, maar zo zijn we natuurlijk niet – en in de schaduw is het er goed uit te houden. De binnenplaats grenst aan een tuintje en daarin staan enkele tentjes, opgesteld in een cirkel. Het lijkt erop dat onze nieuwe ontbijtplek ook standplaatsen verhuurt. Nu nog een werkend toilet voor de grote(re) behoefte… Nadat we afscheid hebben genomen van Wilms, beginnen we aan onze voettocht naar het festivalterrein. Met een gematigd tempo weliswaar want teveel inspanning moet worden vermeden. Voor ons geen bloed, zweet en tranen. Nou ja, wel zweet. En water en muziek.

Bij sommige bandnamen denk ik wel eens: ‘Hadden ze nou niets beters kunnen verzinnen?” Dat heb ik bijvoorbeeld met Dog Is Dead, een naam die, zeker met de huidige temperaturen, associaties oproept met een hond die het loodje heeft gelegd in een afgesloten auto zonder water. Specifieker zou dat een naam opleveren als Dogs Die In Hot Cars, maar geloof het of niet: een andere Britse indie band is ze daar al mee voor geweest! Laten we die ongelukkige naamkeuze even buiten beschouwing laten en de focus verleggen op de vijf jongeheren uit Nottingham en hun indiepop die ik op dit blog eens omschreef als ‘levenslustig’, ‘uitbundig’ en verwant aan Vampire Weekend, Local Natives en Mystery Jets. Dat was op basis van hun eerste EP “Your childhood”. Sindsdien zijn er een stuk of wat singles verschenen en een album is niet ver weg. Het oogt allemaal fris – in elk geval frisser dan een dode hond – en slecht is het niet, maar het beklijft beduidend minder dan zweet op van douches verstoken lichamen. En dat zijn er nogal wat hier.  

Het lijkt wel de naam van een tekenfilmfiguur: Hong Kong Dong. In realiteit zijn het vier Gentenaren maar die zanger in zijn glimmend zwart plastic jack heeft wel Aziatische trekken. Hij blijkt Boris te heten. Of ‘Bolis’, zoals wij denken dat Chinezen het uitspreken. Ik had graag HKD gekoppeld aan het gezegde ‘een goed begin is het halve werk’ – ze zijn namelijk de eerste band in de Club vandaag – maar als mijn blikken halverwege elk liedje afdwalen naar het tentzeil, een voorbijlopende festivalganger die de tijd nu al rijp acht voor een frites stoofvlees, een vlek op mijn broek etc., dan lijkt Hong Kong verder weg dan ooit. In 2009 was ik zo slim om er in de warmste tijd van het jaar op vakantie te gaan. Nog nooit zoveel gezweet tijdens een stedentrip. Daarbij vergeleken is Pukkelpop een eitje. Maar ja, ik word er niet koeler van. 

Na onze eerste speciale bierensessie van de dag sjokken we terug naar de Club om de verrichtingen te volgen van de onnavolgbare Willis Earl Beal. De Wesley Snipes-lookalike is ongetwijfeld de enige artiest die zich op dit festival laat ‘begeleiden’ door een oude bandrecorder die spoelen met primitieve lo-fi brouwsels afdraait. De eigenaardige Willis zingt er met zijn rauwe, soulvolle stem overheen als een man die worstelt met innerlijke demonen. Eigenlijk houdt hij niet van optreden maar hij staat er toch maar, soms zelfs op een stoel. Het is geen zelfbewuste ‘act’, want het komt authentiek over. Alsof Willis, in zijn zwarte ‘Nobody’ T-shirt, niet helemaal spoort. En dat zou zo maar kunnen. Het levert muzikaal niet iets op waar ik enthousiast van raak, maar tot op zekere hoogte wel intrigeert. Hoe dan ook, goed dat er van die maffe loners als WEB rondlopen in de wereld der muziek. Al was het maar als een tegenwicht voor al die gladde, zielloze meuk waar de hitparades vol mee staan. Tip voor Chokri: nodig volgend jaar Harry Merry eens uit! En zet hem dan in de tent met de naam die gelijkstaat aan de gemiddelde reactie op deze artiest: Wablief? 

Ik wil mensen soms wel eens wat op de mouw spelden, en wanneer ik commando Billy wijsmaak dat het Amerikaanse kwintet O'Brother muziek maakt in de lijn van de soundtrack van speelfilm “O’Brother where art thou”, dan vind ik dat zelfs aannemelijk klinken. Het wordt echter al snel duidelijk dat het gezelschap meer thuis is in zwaar aangezette post-rock dan bluegrass en country. Niet slecht gedaan maar ik zie me er geen cd van kopen. “Water of bier?” vraag ik commando Billy wanneer we de tent weer verlaten. Het wordt water want de ‘twee voor de prijs van één’ deal blijft aantrekkelijk zolang we niet worden verlost van de warmte. Want O’Mother, wat is het heet! 

 

Het scheelt dat ik ze al twee keer eerder heb gezien, want daarom voelt het minder als een gemis wanneer ik voortijdig het optreden van Breton voor gezien houd. Hun electro-indierock is namelijk geen partij voor waartegen het moet opboksen: de hitte. Ja, ik verval in herhaling maar we staan dan ook in de Castello, het enige overdekte podium waar je tegen beter weten in naar binnenloopt om opnieuw te worden geconfronteerd aan het volledige gebrek aan een zuchtje frisse lucht of verkoeling. Hooguit als je bij de uitgang blijft staan. “Other people’s problems”, zo heet het debuutalbum van Breton, en de band lijkt als enige geen probleem te hebben met de onaangename temperaturen van hun tijdelijke omgeving. Op het zo goed als gelijktijdig plaatsvindende Lowlands heeft de organisatie ervoor gekozen om tenten te voorzien van airco. Dat zou ook op Pukkelpop geen overbodige luxe zijn geweest. 

Eén van de leukste acts op het London Calling festival afgelopen mei was Oberhofer, vernoemd naar zanger / gitarist Brad Oberhofer, die dit jaar aangenaam verraste met zijn debuutalbum “Time capsules II”. De energieke krullenbol maakt aanstekelijke en makkelijk meezingbare gitaarpopliedjes met ‘ooh ooh ooh’ koortjes, waar ik met een natte vinger – niet van het zweet, maar van het speeksel – een soort kruising in hoor van een vrolijke Strokes, The Drums in een al net zo jolige bui en collega jonge honden Howler, die we overigens een dag later op Pukkelpop mogen verwelkomen. De joviaal zingende Brad is een spring in ’t veld en zijn songs hebben een zonnig karakter. En dan niet zonnig op de wijze waarop wij die momenteel ervaren natuurlijk, want dan waren we al lang afgehaakt. 

De teller stond op tien: het aantal keren dat ik Maxïmo Park live heb mogen meemaken. Op zich al bijzonder, maar minstens zo opmerkelijk is dat het altijd in gezelschap was van blogparty en headmusic. Een aantal malen betrof het op zichzelf staande concerten in binnen- en buitenland, voor het overige ging het om festivals waar MP ‘toevallig’ op het affiche stond. En zo ook nu weer, op Pukkelpop, waar ik de band al tweemaal (of was het drie keer…?) eerder heb zien optreden. Ik verkeer in vertrouwd gezelschap en samen trotseren we de hitte want MP is het waard. Nieuwe album “The national health” blaakt van gezondheid, de band heeft er zin in, Archis betrap ik op een brede grijns, Lukas doet hakketak met zijn handjes, Duncan zwiept zijn gitaar omhoog, Paul draagt een kek hoedje en Tom eh.. drumt. Koppel dat aan een setlist die rijkelijk strooit met niet stuk te krijgen publiekslievelingen met namen als “Graffiti”, “Girls who play guitars” en “Limassol” en een geslaagde ‘nummer elf’ is een feit. Of dit de eerste is van een nieuw tiental valt door een combinatie van factoren te bezien, maar zolang MP zichzelf vitaal en relevant blijft houden, zal het aan de band niet liggen…    

Ik weet niet of hij het uit de beschrijving van het Pukkelpop programmaboekje heeft afgeleid, maar commando Billy dirigeert ons naar de Club tent omdat hij eventjes ‘een neger’ namens Willy Moon wil zien. De naam zegt me vaag iets, er wordt gerept van blues en mijn brein is van mening dat de naam Willy Moon gevoelsmatig die van een neger is. Het zal vast de hitte zijn… Afijn, Willy blijkt een slanke, blanke jongeman in een pak van goede snit te zijn. Dat hebben we alvast fout. Met de blues zitten we goed, maar wel een variant vermengd met rock’n’roll en hiphopachtige beats (met dank aan een drumster van vlees en bloed). Een aparte vogel, deze Willy, en ik snap waarom Jack White hem tekende voor zijn Third Man platenlabel.

We lopen naar de Marquee dus hoe toepasselijk is het dat we daar op The Walkmen stuiten. En onze aankomst is nog goed getimed ook: de band staat op het punt hun in ieder geval meest bekende, en na al die jaren (2004) hun stiekem nog steeds beste nummer te spelen: “The rat”. Een toffe song, maar daarna is de koek snel op, simpelweg omdat de set bijna ten einde is. Ik zal het verder onbesproken laten, want ik krijg ze later dit jaar toch nog een keer te zien, en wel op het London Calling festival in november a.s. We besluiten weer een pauzemoment in ons dagprogramma te creëren en derhalve besluiten we ons geluk te beproeven op het hoofdterrein bij de speciale bierentent, in de hoop dat we daar de ideale combinatie schaduw / zitplaats / koele consumptie / goed uitzicht kunnen vinden. Van Walkmen naar Sitmen. 

Het is bepaald geen bioscoopweer en dus laat ik Two Door Cinema Club aan me voorbijgaan. Althans, ik heb er de puf niet voor en geen zin in om me voor het schaduwloze hoofdpodium te begeven. Commando Billy en ik weten een plekje te bemachtigen aan een tafel van waaruit we in ieder geval de band in kwestie kunnen horen en af en toe zelfs zien, al was het maar via de naast het podium gehangen grote videoschermen. Het is opmerkelijk hoe snel de drie jonge Ieren zo enorm aan populariteit hebben gewonnen. De band pretendeert niet met iets nieuws op de proppen te komen, want inspiratiebronnen als Bloc Party en Franz Ferdinand zijn evident. Maar dat neemt niet weg dat het songmateriaal bijzonder ‘catchy’ is, vlot, opbeurend en je kunt er nog op dansen ook. Gezeten aan een bank kom ik wat het laatste betreft niet verder dan het tappen van een voet en het ritmisch schudden van een leeg plastic bekertje, maar dat is op zich ook al een verdienste. Nieuwe album “Beacon” ken ik (nog) niet maar wat daar aan onbekends naast publieksfavorieten als “Undercover Martyn” en “Something good can work” voorbij komt schuiven, klinkt even vertrouwd als prettig.  

Het is aangenaam vertoeven op mijn relaxte plek maar ik besluit toch op te staan voor Sam Sparro. Commando Billy blijft liever nog even zitten. In de behoorlijk volle Marquee tref ik een uitbundige sfeer aan. Dat komt op conto van Sam Sparro die je even het gevoel geeft dat dansen de beste remedie is tegen plakkende kleding en verhitte gezichten. Het publiek gaat uit zijn dak op single “Happiness” – blijkbaar een grote hit hier – terwijl ik zelf er wat extra zweetdruppels uitpers met een dansje op “Black & gold”, één van de beste singles van 2008. Met zijn funky electro disco zorgt Sam (en zijn band niet te vergeten) voor een heuse ‘party vibe’ van het soort dat ik nog niet eerder heb gevoeld tijdens deze festivaleditie. Met een mopje van de house klassieker “Gypsy woman” (“Ladadi ladada”, u kent het vast wel) van Crystal Waters, een jaar of drie geleden door Sparro gecoverd, gooit hij de extraverte zanger nog wat olie op het feestvuur. Vraag die man volgend jaar terug a.u.b.!

In de categorie ‘even kijken en dan weer snel wegwezen’ valt Skindred. Zanger Benji ken ik nog van zijn vorige band Dub War. Ergens medio jaren negentig stonden ze op London Calling en in mijn platenkast huist – vermoedelijk onder een laagje stof – hun EP “Mental” (1994), een kruising tussen metal en dub / reggae. Niet zo heel vaak gedraaid, als ik me goed herinner, en daarna geloofde ik Dub War wel. En dat geldt nu ook voor Skindred, alleen een stuk sneller. Dat is inherent aan een festival waar genoeg valt te kiezen, inclusief de keuze om even juist geen band te kijken. En dat gaat vandaag dus nog een aantal malen gebeuren. 

Een aantal jaren geleden was de Club te klein voor het eerste Pukkelpop optreden van Band Of Skulls en aangezien we geen zin hadden om ons naar binnen te proppen, vingen we hooguit wat flarden op buiten de tent totdat we verkasten naar een andere locatie. Dat laatste geldt nu ook voor de band die voor de tweede maal zijn opwachting maakt op Pukkelpop. De Marquee is een maatje groter maar ook hier wordt het allengs drukker. De stevige indierock van het trio uit Nottingham is niet consistent van aard. Zodra de eerste tonen van bijvoorbeeld “I know what I am” en “Death by diamond and pearls” worden ingezet of een nummer als “You’re not pretty but you got it goin’ on” zich aandient, begint het publiek zich opgewonden te roeren. Maar even zo vaak is de ontvangst wat lauw en wordt er vooral uit beleefdheid geapplaudisseerd. Wat dat betreft had de titel van hun tweede album niet beter gekozen kunnen worden: “Sweet sour”. Zoet en zuur dus.  

Dat we Keane meekrijgen ligt aan het simpele feit dat ze op het hoofdpodium spelen en wij wederom zijn neergestreken aan een tafel nabij de speciale bierentent waar we in ieder geval de muziek kunnen horen. Af en toe zie ik het bezwete gezicht van Tom Chaplin op het videoscherm verschijnen. In principe hoeft hij zich weinig moeite te geven want de band heeft geopteerd voor een set zonder risico’s met alleen het saaie “The starting line” als inzakmoment. Aan commando Billy is dit allemaal duidelijk niet besteed maar net als op Pinkpop, een paar maanden eerder, heb ik nog steeds een klik met hun ‘best of’ waartoe vandaag gespeelde liedjes als “Somewhere only we know”, “Everybody’s changing”, “This is the last time”, “Bend and break” en “Bedshaped” behoren. En laten die nou allemaal op het eerste album staan… 

Op bezoek bij opa. Over onze tijd bij Grandaddy kan ik niet zoveel zeggen, want langer dan tien minuten duurt het niet dus om basis daarvan iets te gaan roepen… In ieder geval wordt in het korte tijdsbestek, zoals grootvaders plegen te doen, een anekdote uit het verleden opgevist, en laat dat nou iets zijn waar ik op zat te wachten: hitje “A.M. 180” (1998), instant herkenbaar dankzij een memorabel keyboardmotiefje. “Dat was het hitje, nu kunnen we weer aftaaien”, zeg ik gemakzuchtig. Mijn festivalpartner sputtert niet tegen, net als ik met de gedachte dat we het liefst weer zouden bankhangen met een witbiertje of een kriek voor onze neus. Via een omweg die ons langs de club voert waar de Britse singer / songwriter Fink ons welgeteld een half liedje bij de les houdt, komen we derhalve weer aan bij de schaduwzone waar we opnieuw neerzijgen als door de hitte gevelde oude mannen. Eén van deze mannen zal nog even een blik werpen in de tent waar Joy Orbison (interessante woordspeling) zich in nevelen hult en vanachter zijn laptop en knoppendozen een mengeling van house, dubstep en minimale techno ten beste geeft. Visueel gezien valt er niets te beleven, voor het muzikale had ik best nog wat langer willen blijven, maar helaas: ik bevind me in de Castello waar het wederom zeer onaangenaam warm is. 

Een aantal jaren geleden zag ik het optreden van Lykke Li (haar laatste drie nummers spelend, wil dat zeggen) – als eerste act in een – mede vanwege het tijdstip – niet bepaald gevulde Marquee toen ze nog tot de categorie ‘opkomende artieste’ behoorde. En dat was pas één album (“Youth novels”) geleden. Drie jaar na laatstgenoemde is de Zweedse zangeres gepromoveerd naar het hoofdpodium met alleen de hoofd-act boven zich. Wat precies de oorzaak is van deze ‘rise to fame’ durf ik niet te zeggen, al zullen singles “Little bit” en “I follow rivers”, in Nederland vooral bekend geworden in de succesvolle coverversie van Triggerfinger, er vast mee te maken hebben. Het succes heeft haar blik niet op vrolijk gezet, maar tweede album “Wounded rhymes” is dan ook een serieuze en donkere aangelegenheid, met de titel als hint naar de inhoud. Van de in zwart gestoken zangeres gaat een droefgeestige schoonheid uit, wat haar aantrekkelijk maakt. De setting op het podium is sfeervol. De pulserende elektronica, de soms op tribale danspassen gelijkende bewegingen van Lykke Li, haar slagen op een alleenstaande trom en cymbal zijn enkele opvallende elementen binnen een optreden dat best aardig is, maar niet als echt memorabel de boeken in zal gaan. 

Wel gedenkwaardig is het optreden van The Stone Roses. In de jaren negentig maakte ik voor het eerst een concert mee van TSR, vervolgens viel het doek voor de band, en nu zie ik ze na zeventien jaar maar liefst twee keer binnen een tijdsbestek van evenzoveel maanden. In juni jl. gaven ze een soort try-out in de Heineken Music Hall die kippenvelmomenten teweegbracht (hier te lezen), maar vanavond gaan ze ‘voor het echie’. De band is inmiddels nog beter op elkaar ingespeeld, en waar de HMH het nog zonder sfeer verhogende achtergrondprojecties (kunstschilderwerken van John Squire, bekend van de platenhoezen) en toegift “I am the resurrection” moest stellen, krijgen we ditmaal het totaalpakket. Inbegrepen daarbij zijn een zich helemaal aan gitaarsolo’s – bijna nummers op zich – verliezende Squire en een voor de camera met poppetjes spelende en met papieren vliegtuigjes in de weer zijnde Ian Brown. Het uitmuntende drumwerk van Reni bewijst waarom zijn vertrek destijds het begin van het einde van de band inluidde, en Mani heeft de mooiste basgitaar van het hele festival. Vanaf het moment dat hij openingsnummer “I wanna be adored” inzet, maakt zich (weer) een gevoel van euforie van mij meester dat vooral naar boven komt tijdens songs van het klassieke debuutalbum zoals “Shoot you down”, “She bangs the drums”, “Made of stone” en “Waterfall” (inclusief de psychedelische achterwaartse rit “Don’t stop”. En even dansen op “Fools gold” natuurlijk. O ja, en cool’s gold, want het is gelukkig afgekoeld wat na weer zo’n hete dag voor een aangename gevoelstemperatuur zorgt, en dat maakt deze concertbelevenis extra prettig. Al is prettig misschien wat minnetjes uitgedrukt voor deze triomf die alle warmteontberingen de moeite waard heeft gemaakt en voor ondergetekende een onbetwist hoogtepunt van dit festival betekent. Na afloop word ik aangeklampt door uitgaanstijger Rob J die verklaart dat hij tijdens het concert zelfs heeft gehuild van emotie. Een mooie onthulling om mee te eindigen.

De Club sluit af met Charles Bradley & His Extraordinaires, een soulneger die bijna de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Na eerder dit jaar een aantal oudgedienden uit eveneens het soul- en funkgenre overtuigend live aan het werk te hebben gezien – refererend aan Sharon Jones & The Dap Kings (Pinkpop) en Betty Wright (North Sea Jazz) – hoop ik dat zich opnieuw een revelatie aandient. Laat ik vooropstellen dat Charles uitstraalt meer dan genoeg soul en funk in zijn toges te hebben, maar op de een of andere wijze wil het – de strakke band ten spijt – niet echt vlammen. En dat voor een man die in het verleden zijn brood heeft verdiend als James Brown imitator. Wanneer hij na een omkleedpauze terugkeert in een mouwloos vest en van een ruigere, rock’n’rollachtige uitstraling blijk geeft, en ook het tempo wat wordt opgeschroefd, lijkt het tij te keren. Maar dat houdt niet lang aan en zodoende valt al snel het besluit om achter onze tweede Pukkelpop dag een punt te zetten. 

Meer foto’s hier!

 

 

zaterdag 20 oktober 2012

Pukkelpop (dag 1) - Kiewit (Hasselt) : Een groot weiland : donderdag 16 augustus 2012

Heet? Wat heet! Want tergend warm is het dit jaar op Pukkelpop. Met ruim boven de 30 graden Celsius stijgende temperaturen leent het festival zich niet om zoals gebruikelijk van band naar band te hoppen. Dat gebeurt weliswaar, echter minder vaak en alleen als de behoefte c.q. noodzaak groter is dan het gevecht tegen de hitte. Vorig jaar hadden we de storm die een even abrupt als tragisch einde maakte aan Pukkelpop 2011, maar dat was hoogstwaarschijnlijk een even unieke als bizarre eenmalige gebeurtenis. Doden vallen dit jaar gelukkig niet, hooguit van het dak vallende mussen. Het zijn vooral zwetende lijven, puffende gezichten en het zoeken naar schaduw en verkoeling die in 2012 het festivalbeeld bepalen. Natuurlijk gaat het ook om de muziek, maar daarover later meer. Want eerst moeten commando Billy, Wilms (mee voor één dag) en indindo en plekje zoeken voor tenten en auto. De geïmproviseerde camping waar we in 2011 voor het eerst onze haringen in de grond sloegen, blijkt dit jaar geen optie. Men viert namelijk een huwelijksfeest dus de camping is alleen voor genodigden. Begrijpelijk. Onze reguliere camping is eigenlijk al volzet, al weet headmusic een plek te regelen waar we uiteindelijk toch maar geen gebruik van maken. Het staat er reeds hutje mutje. En niet alleen daar, want wanneer we ons geluk beproeven bij het volgende kampeerterrein, blijkt die ook al vol te zijn. Na een stukje te zijn doorgereden, komen we terecht bij de laatste camping die Zonhoven scheidt van niemandsland en waar nog volop plek te vinden is. Het is van hier een stuk verder lopen naar het festivalterrein maar we hebben tenminste ruimte en rust. Nou ja, relatieve rust dan. Onze vaste brasserie (ontbijt-, was- en schijtgelegenheid) is gesloten (!) doch gelukkig is er een vlakbij gelegen alternatief. Voor het ontbijt althans. Nadat ik tijdens het tent opzetten en inruimen een liter zweet uit het lijf heb gegutst (Zonhoven? Zonneoven!), en dat enigszins heb kunnen aanvullen met een flesje Radler uit een serie van twaalf (thanks headmusic!), kunnen we onze eerste trektocht van dit jaar maken naar het festivalterrein. 

Eerste band: Cloud Nothings. Althans het staartje van hun optreden. Wel een ideale band om mee te beginnen, want die naam van ze leent zich uitstekend voor mijn hittethematiek. Cloud Nothings, wolken van niks. Als in: geen wolken, een correcte weergave van de weersomstandigheden. Waren er maar wolken, en dan zou ik het niet eens erg vinden als daar net zo’n kortstondig, onstuimig buitje uit zou vallen als op het podium valt waar te nemen. Indie rock met een rafelrandje, zo stel ik op het eerste gehoor vast. Doe rustig aan jongens, denk ik bij mezelf, het is veel te warm voor dit soort fratsen. Tijd voor een speciaal biertje, al zou een bekertje water nu beter zijn. Maar dat zal ik in de loop van dit festival vaak genoeg naar binnen gieten. 

Nietsvermoedend betreden we de tent die Castello heet. De plek van de tent is die waar eertijds de Wablief? Stage te vinden was, maar die is verplaatst naar de plek waar eerst de Chateau stond. De Chateau bestaat niet meer, uit piëteit met de slachtoffers van vorig jaar die daar gevallen zijn. Maar eigenlijk staat daar dus gewoon dezelfde tent. Kunt u het nog volgen? Hoe dan ook, de Castello. De naam suggereert een kasteel maar het is een tent waar de temperatuur hoog genoeg is om op je buik een eitje te bakken. Afijn, de naam Magnetron was beter geweest. Maar dat weten we nog niet wanneer we de tent binnenlopen. Ik wil een band uit Manchester zien genaamd Stay+. Eerste domper: in het halfduister staat een man achter een laptop dus dat is visueel gezien al niet zo interessant. Domper twee: de muziek – ik noem het even heel algemeen ‘dance’ – kan me niet bekoren. Maar eigenlijk is dat ook een meevaller want dat betekent dat we hier hoeven te blijven. Stay? Dacht het niet! 

Next stop: The Jezabels. Daar valt toch geen woordspeling op te maken die hitte-gerelateerd is, toch? Klopt. Maar ze hebben wel een single getiteld “Endless summer”. Een eindeloze zomer, zie je het al voor je? Dat je drie maanden lang moet zwoegen onder de terreur van een genadeloze zon. Dat valt uit te houden met een strand, privé-zwembad of permanente airco bij de hand, maar niet op een tot festivalterrein omgetoverd groot weiland waar ze uitgerekend die schaduwrijke bomen hebben neergehaald. The Jezabels moeten qua hitte wel wat gewend zijn, als Australiërs zijnde. Van hun muziek krijg ik geen koude rillingen – was nu wel fijn geweest – maar hun radiovriendelijke indierock met epische en ‘feel good’ trekjes lijkt me gesneden koek voor Amerika. Zangeres Hayley Mary is de onderscheidende factor. Niet omdat ze geen pondje teveel weegt, maar vanwege haar stem. 

En toen waren we weer terug bij de Magnetron alias Castello. Je gaat er niet voor je lol in, hadden we al kunnen vaststellen, maar nu sluiten we zelfs aan in een (korte) rij. Hebben die wachtenden het nog niet warm genoeg dan? Vast wel, maar de reden voor deze drukte is het feit dat Alt-J hier staat te spelen. Gelet op het succes van het album “An awesome wave” was een plek in de Marquee – om mee te beginnen – een meer voor de hand liggend podium geweest voor deze vier folktronica jongemannen uit Leeds. Ik heb zelf genoemd album aangeschaft maar het kost me moeite om me te warmen (!) aan meer dan een handvol nummers. De nummers zitten vernuftig in elkaar, het is origineel maar wat me op afstand houdt is dat stemmetje. Ik denk iedere keer: zingt Joe Newman met opzet zo of gaat dat vanzelf? Veel tijd om daarover na te denken gun ik me eigenlijk niet, want het zweet kringelt van mijn rug in mijn bilspleet. Alt-J, was het maar Kalt-J. Hoog tijd voor een koude jongen dus.  

“Wat zullen we drinken, zeven dagen lang? Wat zullen we drinken, wat een dorst”, zong de Nederlandstalige band Bots in de jaren zeventig. Hoe toepasselijk, ook al duurt Pukkelpop maar drie dagen. En wat we zullen drinken begint steeds meer duidelijk te worden: water. Veel water. Dat ik met Bots aan kom zetten, is niet toevallig, want het vormt een mooi bruggetje naar The Bots, een chocoladekleurig duo (twee broers) die tevergeefs proberen om met de simpele combinatie gitaar en drumstel iets te verzinnen wat de beperkingen van genoemd instrumentarium doet overstijgen. Sorry jongens, The White Stripes, The Black Keys en Blood Red Shoes – om de meest bekende maar even te noemen – zijn jullie al voor geweest. Ze spelen een soort punkrock, mocht u het echt iets interesseren. Ik zeg: breng Jack & Meg weer bij elkaar. Of alleen Meg voor mijn part. Laat haar een uur soundchecken en je krijgt de tent vol, hittegolf of niet. The Bots? NotS! 

Het heeft even geduurd maar eindelijk valt er vandaag een muzikaal hoogtepunt te noteren. Het was te verwachten dat The Horrors daar voor zorg zouden dragen. Met een albumscore van drie uit drie en goede ervaringen in het verleden – met hun optreden in Doornroosje in 2010 als mijn persoonlijke hoogtepunt – kon het eigenlijk niet misgaan. Bovendien krijg ik dit keer live uitvoeringen van derde album “Skying” te horen, want daar was bij eerdere optredens nog geen sprake van. De nadruk vandaag ligt op genoemde plaat, met een paar uitstapjes naar voorganger “Primary colours”, terwijl de fase “Strange house” een gesloten boek blijft. Zoals gezegd vormt de Krautrock – psychedelica – 80s new wave marinade van The Horrors het eerste lichtpuntje op muzikaal gebied van de dag, met prima uitvoeringen van onder meer “I can see through you”, “Still life” en het lange, afsluitende “Moving further away”. Het doet je bijna even de warmte vergeten. Want ja, die hitte zijn we voorlopig nog niet kwijt. Een ware horror. 

Oké, het wordt even zoeken met die bruggetjes naar warmte, hitte, zon en aanverwanten. Bij Django Django, want daar zijn we nu aanbeland, mag ik graag verwijzen naar de hoes van hun debuutalbum waar een niet nader te bepalen creatuur – of is het slechts een ‘vorm’ – zich voortbeweegt door een woestijn. U bent bekend met de weersomstandigheden in een woestijn tijdens kantooruren? Mooi, mijn punt is gemaakt. De vier heren hebben zich in identieke overhemden gehuld – waar zich ongetwijfeld van die zweetzoutkringen in hebben gevormd, of praat ik nu gewoon voor mezelf? – en hun meerstemmige liedjes, waarbij niet valt te ontkomen aan een vergelijking met The Beta Band, gaan erin als koek. Jammer dat er een overlap zat tussen DD en The Horrors want ik had graag meer van die koek gegeten. Zeker wanneer je een hap hebt genomen van “Default”, een van hun leukste liedjes, zoals te merken aan de publieksreacties. 

OK, de volgende woordspeling kwam spontaan voorbij gewaaid, zonder er over hoeven na te denken: Sunblock Party. Ik weet het, een briljante ingeving. Op de camping had ik me al goed ingesmeerd, maar als ik sommige hoofden en lijven om me heen zie, dan heeft dat niet voor iedereen prioriteit. Dat zij maar een pijnlijke en slapeloze nacht tegemoet mogen gaan. Maar eerst genieten van Bloc Party, ook al is nieuw album “Four” zo vers van de pers dat het nog niet is ingeburgerd bij de volle zon trotserende toeschouwers die zich voor het hoofdpodium hebben verzameld, ondergetekende incluis. Maakt niet uit, want tegenover elke onwennig ontvangen nieuwkomer (“Kettling”, “Team A”, “Octopus”) staan in verhouding drie vertrouwde publiekslievelingen die met het nodige enthousiasme worden omarmd. De setlist is een pick & mix uit de BP catalogus, en je merkt: hoe ouder de song (“Banquet”, “So here we are”, “Helicopter”), des te luider het gejoel. De grijns van Kele Okereke (kleurig shirt, korte broek) spreekt boekdelen. O ja, mag ik tenslotte ook even vermelden dat drummer Matt Tong een zonnebril over zijn eigen, gewone model droeg. Ik zou toch eens van die klepjes overwegen, Matt. Het ziet er niet sexy uit maar verscholen achter je drumstel valt dat amper op. 

Op North Sea Jazz dit jaar had Lianne La Havas  menig hart gestolen met haar ontwapenende uitstraling en fijne liedjes. Net wanneer ik de tent binnenloop speelt ze mijn favoriete nummer, het lieflijke “Au cinéma”. Ik zou het er bijna warm van krijgen ware het niet dat dit reeds het geval is. Het wordt derhalve tijd om weer een beetje schaduw op te zoeken en dan liefst zittend met een speciaal biertje in de hand. Die gedachte wordt door velen gedeeld dus het is bij de met zeilen overdekte zitbanken geen eenvoudige opgave om een plekje te vinden waar je niet wordt gehinderd door de niet aflatende zonnestralen. We smachten naar het moment dat de zon ondergaat en de temperatuur naar verwachting zich gaat verlagen naar aangenamere omstandigheden. Weten wij veel dat de weergoden vanavond anders hebben beslist. Afijn, tot hier mijn hitte-bruggetjes want ondanks de aanhoudende warmte komen we op een gegeven moment op het onvermijdelijke punt dat we, voor vandaag althans, de zon eindelijk kwijt zijn.

Het had niet veel gescheeld of ik had met Björk een taxi gedeeld. Dat zit zo: in 1993 gaf de zangeres voor het eerst een aantal concerten in Nederland. Ik had een ticket gekocht voor haar optreden in Noorderligt (RIP) te Tilburg. Ik was aan de late kant dus een taxi leek de beste optie. Toen ik er eentje opmerkte, zag ik een aantal jongedames er naar toe hollen. Eén van hen was Björk. In de wetenschap dat we dezelfde bestemming hadden, hoefde ik maar te roepen of ik er nog bij mocht, konden we de kosten delen. Niet gedaan. “Too shy”, om Kajagoogoo te citeren. Sindsdien heb ik Björk tenminste één keer (Pinkpop) en hooguit twee keer (eh… weet ik niet meer) gezien. Hoe dan ook zitten er pakweg twintig jaar tussen Noorderligt en Pukkelpop en in de tussentijd heeft de eigenzinnige zangeres zich gemanifesteerd als een blijvend en altijd voor verrassingen zorgend individu in de popmuziek. Alhoewel popmuziek, dat is een veel te enge term voor het spectrum dat Björk bestrijkt, zoals ook vanavond weer blijkt. Samen met een dameskoor in futuristisch aandoende jurken kiest Björk – zelf gehuld in buitenissige kledij (een jörk) en een blauwe carnavalspruik – niet voor de makkelijkste weg door de ‘hitjes’ achterwege te laten, en veelvuldig te putten uit “Biophilia”, haar laatste album dat enige investering vergt van de luisteraar. Veel relatief voor de grote massa onbekend materiaal dus, waarbij single “Hunter” – van “Homogenic” (1997) – misschien het meest bekend in de oren klinkt. Enerzijds kan ik Björks niet voor de hand liggende setlistkeuze wel waarderen, anderzijds had het geen kwaad gekund het publiek wat meer tegemoet te komen. 

Tijdens eerdere optredens die ik van ze zag vond ik The Big Pink wat zwaar op de hand en serieus. Meer The Big Black dan The Big Pink. Zeker toen ik tijdens een concert in Paradiso weinig meer van ze zag dat wat schimmige contouren. Met het meer popgerichte tweede album “Future this” is er kleur op de wangen gekomen. Misschien lijkt het slechtst zo, maar de band, in ieder geval zanger / gitarist Robbie Furze, maakt de indruk er meer lol in te hebben. “Velvet” klinkt bijna vrolijk. Of ligt dat aan mij? Blogparty vindt het leuk maar besluit op een gegeven moment toch dat het bedtijd is. Bed zoals in ‘bed & breakfast’. Tja, als er nou op loopafstand een dergelijke slaapgelegenheid zou zijn, en niet al te duur uiteraard, dan hadden we het over een serieus alternatief voor het gehannes in een tent in de hoop dat je buren jouw rust respecteren. Commando Billy heeft het over het meenemen van een fiets volgend jaar. Dat scheelt in het lopen, maar beter slapen – The Big Sleep – doe je er niet van. 

Eén van de meest bijzondere optredens die ik ooit op Pukkelpop heb mogen meemaken is er eentje van (Leslie) Feist, de Canadese singer/songwriter. Zeker weten doe ik het niet, maar ik geloof dat het in 2004 was. Ik kende haar muziek niet, ze trad ’s avonds laat op in de Club en ze verraste me op aangename wijze. In mijn concerteindejaarlijst eindigde ze ergens in de top 5. Daarna zag ik haar nog een keer of twee en ook toen viel ik voor de charme van de liedjes en haar vertolkster. Ditmaal is dat niet anders, in de staart van de eerste Pukkelpop dag, waar ze met band en een driekoppig, rond één microfoon verzameld dameskoortje (hoe knus!) de Marquee naar haar hand weet te zetten. Bijvoorbeeld met het vrolijke, lichtvoetige “I feel it all” of de uitbundige aanstekelijkheid van “Sea lion woman”. Zo wordt het zelfs een beeste feest met Feist. 

Social Distortion bestaat al sinds 1978, maar alleen zanger / gitarist Mike Ness is de enige overgeblevene van de originele line-up. Wat ooit een punkband was, moet in de loop der jaren zijn verworden tot een standaard rock gezelschap waar wat mij betreft alle scherpe randjes vanaf zijn geschaafd. Ik begrijp dat de band op basis van hun veteranenstatus tot afsluiter op de Shelter stage is verkozen, maar liever had ik op dit late uur nog wat echt vuurwerk meegemaakt. Mijn gedachten gaan hierbij uit naar een band als Cerebral Ballzy die de boel lekker had kunnen wakker schudden met een after midnight moshpit en soortgelijke capriolen. Een potje échte distortion dus. 

Vorig jaar stond ze ook op het programma, net als diverse andere bands, maar om bekende redenen heeft haar optreden toen niet plaatsgevonden. Ik ben blij dat Tune-Yards (eigenlijk tUnE-yArDs) in 2012 is teruggevraagd want haar vrolijke, maffe, originele popliedjes, waar tweede album “Whokill” vol van staat, wil ik graag eens in een live setting meemaken. Merrill Garbus is een aparte jongedame met verfstrepen in het gezicht die de kunst van vocale acrobatiek beheerst (op een creatieve, onorthodoxe wijze) en liedjes in elkaar knutselt met afropop, ukelele, onverwachte overgangen, scheve indie, lo-fi en een gezonde dosis eigengereidheid, conform hoe ze haar artiestennaam typografisch spelt. Een beetje vreemd maar wel lekker, en een goede keuze om in de late uurtjes van de Club het publiek mee te verrassen.

Het wordt tijd om huiswaarts te gaan. Nou ja, wat dan voor enkele dagen voor ‘thuis’ moet doorgaan: onze tenten in een weiland te Zonhoven. We sjokken langs de Marquee waar Mark Lanegan en zijn band een poging doen om ons nog wat langer op het festivalterrein te houden. Hij doet zijn best maar we vinden het wel goed zo. Ik bedenk me opeens dat ik Mark, al dan niet op Pukkelpop, in diverse hoedanigheden heb gezien: solo, als lid van Queens Of The Stoneage, samen met Isobel Campbell en als helft van The Gutter Twins. Maar als zanger van Screaming Trees, want zo leerde ik hem voor het eerst kennen eind jaren tachtig, heb ik hem nog niet meegemaakt. Kijk, dat lijkt me wel een reünie waard. En met die gedachte zetten we koers naar Zonhoven, voorzichtig marcherend in relatieve koelte. 

Meer foto’s hier!

woensdag 17 oktober 2012

Juli 2012

CD’s

MAXÏMO PARK – The national health
De vijf heren uit Newcastle zijn terug met een vierde album en de titel ervan roept bij mij meteen de vraag op: hoe is het gesteld met de muzikale gezondheid van de band? Niet dat MP nou een bedlegerige patiënt is geworden, maar feit is dat de perfect blakende toestand van debuut “A certain trigger” gevolgd werd door platen waar her en der kwaaltjes begonnen op te spelen. Kwalitatief minder dus, niet slecht maar met momenten van stilstand of erger: achteruitgang. Afijn, hoe luidt de diagnose van “The national health”? Na een kort, stemmig, door piano en cello begeleid begin (“When I was wild”), schiet de band met de titeltrack voortvarend uit de startblokken om uiteindelijk overtuigend en met gierende banden (knaller “Waves of fear”) de finish te bereiken. Tussen beide punten treffen we veel compacte, volgens beproefd (dokters)recept voorgeschreven tracks aan, vrijwel zonder uitzondering vlot en uptempo van aard zoals “Wolf amongst men”, “Hips and lips” en “Banlieue”. Conclusie: deze patiënt is volkomen genezen verklaard want “The national health” komt qua impact nog het dichtst in de buurt van genoemd debuut. Op hun gezondheid!  

GAZ COOMBES – Here come the bombs
Supergrass is dood, leve Gaz Coombes! Mag ik dat zo zeggen? Ja, dat mag ik zo zeggen. (copyright Mart Smeets). Want ondanks dat elk Supergrass album wel garant stond voor één of meerdere pakkende singles (koop vooral “Supergrass is 10”, hun hitscompilatie!) , werd met het oplopen van de discografie elke plaat als geheel net weer even wat minder dan de vorige, ook al was er steeds sprake van muzikale groei. Een moedig besluit om in 2010 de stekker eruit te trekken. Nu is zanger / gitarist Gaz (Gareth voor zijn moeder) op het solopad en daar is meteen die frisheid terug die het beste werk van zijn vroegere band kenmerkte. “Here come the bombs” barst van de creativiteit, vormt in al zijn diversiteit een eenheid en is stiekem het beste Supergrass album dat ze nooit maakten. Nou vooruit, na “I should coco” dan. Gaz is als een vis in het water, of het nou electrorock (“Break the silence”), psychedelische pop (“Universal cinema”), syntheziserpop (“Fanfare”), slaapliedjes (“Sleeping giant”) of eigentijdse indie (“Whore”) betreft. Laat die bommen maar vallen, Supergaz!

A PLACE TO BURY STRANGERS – Worship
Wie de vorige twee albums van APTBS heeft aangeschaft, kan met een gerust de aankoop van “Worship” doen. Aan de formule – noiserock volgens het My Bloody Valentine en The Jesus And Mary Chain principe – is namelijk niet zo gek veel gesleuteld. Gelukkig wel voldoende om niet te hoeven spreken van een simpele herhaling van zetten, want een aantal malen wordt het lawaai en/of het tempo teruggeschroefd als bewijs dat de band het niet alleen maar van herrie of snelheid hoeft te hebben om te kunnen overtuigen. Op zulke momenten sijpelen invloeden van The Cure en Joy Division meer door. Voor een stevige bak noise zijn we bij APTBS zoals gezegd nog steeds aan het goede adres. “Alone”, “Revenge” en “Why can’t I cry anymore” bijvoorbeeld zijn van die nummers die, live gespeeld, je rap naar de oordoppen doen grijpen.    

FIXERS – We’ll be the moon
Twee jaar geleden trok Fixers, een kwintet uit Oxford, mijn aandacht met het wonderschone “Amsterdam”. Dankzij YouTube overigens want het nummer werd maar niet officieel uitgebracht. Nu is het dan eindelijk te vinden op dit debuut, bijna ‘verscholen’ op driekwart van de plaat. Jammer, net als het feit dat de techno kant van de band (check “Egyptn aberration cult”, de B-kant van hun eerste single) een eenmalig uitstapje lijkt te zijn geweest. Waarmee niet gezegd is dat “We’ll be the moon” teleurstelt. Want het leeuwendeel van de plaat bestaat uit uitbundige Beach ‘Pet Sounds’ Boys pop via Animal Collective’s doorbraakalbum “Merriweather post pavilion” en dat levert dan niet misschien over de gehele linie iets moois op, maar beslist een aantal fonkeldiamantjes. Zo krijgt iemand met doodsdrift van “Crystals” weer levensvreugd, “World of beauty” doet vol weelderige gelukzaligheid zijn titel meer dan eer aan en wie zin heeft in een potje blijmoedige disco mag beslist “Swimmhaus Johannesburg” niet overslaan. 

FRIENDS – Manifest!
Op het London Calling festival in november 2011 maakte het uit New York afkomstige Friends nou niet de meest vertrouwenwekkende indruk, dus vriendjes worden zat er die avond niet in. Toch was er wel reden toe, vanwege het singles-duo “I’m his girl” en “Friend crush”, voorbeelden van het type punkfunk-disco-pop dat even aanstekelijk werkt op als buiten de dansvloer. Om gemakshalve met wat namen te strooien: Friends is bevriend met de muziek van Tom Tom Club, New Young Pony Club en Luscious Jackson. Genoemde singles zijn in het manifest opgenomen en daar bevinden ze zich in gezelschap van redelijk niveau. Beste maatjes zijn “Home”, “A thing like this”, “Va fan gör du” en postpunk track “Ruins”. Een aantal liedjes komen vriendelijk over, maar meer dan kennissen worden ze niet.

THE ENEMY – Streets in the sky
Na het artistiek mislukte, gezwollen “Music for the people” (2009) heeft The Enemy met album nummer drie iets goed te maken. Dat weet de band zelf als geen ander en dus is voor “Streets in the sky” gekozen voor pittige, Britse ‘working class’ indierock met meezingrefreinen, in de lijn van songs zoals die op het debuut te vinden waren (o.a. “Away from here”, “Pressure” en “Aggro”.) Voorbeelden te over, want luister maar eens naar “Saturday”, “1-2-3-4” (beiden met “Ooh ooh ooh” koortjes, doet het altijd goed) en het met blazers omlijstte “Turn it on”. Het is allemaal net zo vernieuwend, verfijnd en inventief als een gekookte aardappelen met doppertjes en een kipfilet maaltijd uit een bedrijfskantine, maar goed, het stilt de honger als je trek hebt en je eet het gelukkig ook niet iedere dag natuurlijk. “Streets in the sky” valt niet slecht, het is een geslaagde revanche op de voorganger maar om er enthousiast van te worden… nou, nee. 

Met terugwerkende kracht

MY BLOODY VALENTINE – Loveless
Voor een plaat die de titel “Loveless” meekreeg, kreeg het oorspronkelijk in 1991 uitgebrachte album ironisch genoeg alle aandacht en lof. Terecht, want het werd meteen herkend als een mijlpaal, een plaat waarop Kevin Shields, die nagenoeg alle muziek zelf maakte en daarmee de rest van de band in het wordingsproces nagenoeg buitenspel zette, als een ware geluidskunstenaar de grenzen opzocht van ‘shoegaze’. De plaat is als een collage van bewerkte gitaarlagen, in elkaar overvloeiend, smeltend, zweverig, onaards, hypnotiserend. Tijdloos pionierswerk waar anderen dankbaar inspiratie uit hebben geput. De persoonlijke hoogtepunten heten “To here knows when”, “Only shallow”, “I only said” en misschien wel mijn favoriete dansplaat ooit “Soon”.

Singles

OUTFIT – Another night’s dreams reach earth again
Ze waren al genoemd voor deelname aan het London Calling festival in mei jl. maar helaas vielen ze op een gegeven moment om mij onbekende redenen af. Zonde, want ik had ze graag gezien. Debuut “Two islands” was een smaakmaker en met deze uit vier songs bestaande EP worden de verwachtingen van de band uit Liverpool verder opgeschroefd. Vooralsnog staan ze niet zo in de schijnwerpers als collega nieuwkomers Peace, Savages of Palma Violets maar dat verdienen ze wel. Uitschieters zijn de gestroomlijnde, fluwelen, dansbare pop van “Drakes” die als stroop is voor de oren, en “Everything all the time”, een track die Friendly Fires wel had willen maken.

THE DALAÏ LAMA RAMA FA FA FA – You make me crazy
Zeg nou zelf: is bovenstaande bandnaam niet een van de grappigste die u de laatste tijd heeft gelezen? Ik vind althans van wel. En de immer goedlachse Dalai Lama himself zou er vast ook zijn duim voor opsteken. Het ligt misschien voor de hand te denken dat bij die naam grappig bedoelde muziek bij hoort, maar dit in Parijs huizende viertal is geen ‘lollige’ Band Zonder Banaan maar een serieus ingestelde Band Met Spacecake. Of andere geestverruimende middelen. Want zo klinkt “You make me crazy”, evenals B-kant “Sun”. Psychedelische rock met een trippende Eifeltoren. 

TOY – Motoring
Eén van de ontdekkingen van het jaar is het Britse Toy dat vorig jaar sterk debuteerde met single “Left myself behind”. Deze opvolger, Krautrockpop met psychedelische rafels, laat horen dat we niet met het speeltje van de week te maken hebben. 

DIRTY BEACHES – Dune walker
Een wandeling door de duinen met Dirty Beaches. Dan moet je op je hoede zijn. “Dune walker” is donker, onheilspellend en de schaduw van Suicide hangt als een gitzwarte wolk over het smerige, verlaten strand. In de verte wordt een saxofoon gewurgd, een gitaar zwelt aan als een storm die net op tijd gaat liggen maar elk ogenblik weer kan gaan oplaaien.

FLATS – Country
Of schreeuwzanger Daniel Devine nog steeds in de bajes zit vanwege een drugsvergrijp weet ik niet, maar voorlopig hoeven we van anarchopunkkwartet Flats nog geen oversteek van het Kanaal te verwachten richting country The Netherlands. Jammer, want op plaat spuit de woede en energie er vanaf, laat staan live.

DEVIN – You’re mine
Een vlot, met rasperige stem gezongen garagerock nummer dat aan komt gevlogen, met veel bravoure zijn punt maakt en zich weer snel uit de voeten maakt, als een ramkraak op een vinylshop gespecialiseerd in plaatjes gemaakt door snotapen. Het opsporingsbericht gaat uit voor Devin (Therriault).   

MILES KANE – Rearrange
“Rearrange”, dat bekend mag worden geacht van zijn vorig jaar verschenen album “Colour of the trap”, laat ik hier buiten beschouwing ten gunste van “Morning comes”, een snedig, uptempo nummer op het snijvlak van Arctic Monkeys en The Coral. Eigenlijk te goed om als B-kant door het leven te gaan.

THEME PARK – Two hours
Vanaf de begintonen is wel evident van welke band ze gecharmeerd zijn: Talking Heads”, zo schreef ik op dit weblog naar aanleiding van hun eerste single “A mountain we love”. Die omschrijving kan met “Two hours” de prullenbak in, maar ik liet destijds ook de termen ‘pop’ en ‘indie rock’ vallen. Daarmee druk ik me juist heel algemeen uit, en die vlieger gaat dan weer wel op. Want “Two hours” is een leuk liedje, daar niet van, maar als algemeenheid een rechte lijn is, dan gaat Theme Park links noch rechts.  

SHINIES – Shola
“Shola” is de tweede release van dit trio uit Manchester, dat qua sound weinig, zeg maar gerust niets, van doen heeft met de voorlopige muzikale erfenis die hun thuisstad heeft nagelaten. Shinies zou je eerder plaatsen in Amerika met hun bijna op maat gemaakte, door gitaar gedomineerde indie rock voor de radiostations van universiteiten aldaar. Vooralsnog met name geschikt om daar een minuut of drie aan zendtijd te vullen, meer ook niet.

dinsdag 16 oktober 2012

Savages - Nijmegen : Valkhofpark (festival De Affaire) : donderdag 19 juli 2012

Heel af en toe, zo om de paar jaar, dan komt er een band voorbij die me, bijna vanuit het niets, meteen weet te raken en opwindt. De laatste keer dat dit gebeurde was een paar maanden geleden, toen ik – zoals wel vaker – nieuwsgierig geworden door een paar regeltjes in NME, op internet op zoek ging naar muziek van de vanuit Londen opererende band Savages. Op YouTube stuitte ik op een tijdens hun eerste live optreden (in januari jl.) opgenomen nummer getiteld “City’s full”, professioneel gefilmd in zwart/wit. Die avond zou ik als een nieuwbakken verslaafde de clip nog diverse malen opnieuw afspelen. Ik kon er maar geen genoeg van krijgen. De combinatie van gedreven muziek waarin de beste elementen samenkomen van Joy Division, Siouxsie & The Banshees, The Slits en PIL – een postpunk natte droom, kortom – en de uitstraling van de ‘all female’ band (vooral zangeres Camille Berthomier) zorgde voor een perfect, bijna te mooi om waar te zijn geheel. Daarna struinde ik het internet af naar andere bandopnames. Niet alleen om meer materiaal te vinden, maar ook was ik erg nieuwsgierig of “City’s full” een eenzame uitschieter was of dat de rest van dezelfde kwaliteit zou zijn. Ik ben namelijk wel vaker op een nieuwe band gestuit die me pakte met bijvoorbeeld een eerste single wat dan ook meteen hun hoogtepunt bleek te zijn. Savages heeft de lakmoesproef met vlag en wimpel doorstaan. Want alles wat ik na “City’s full” van de band vond, maakte me alleen nog maar enthousiaster. De ‘buzz’ rondom Savages werd gelukkig ook in Nederland opgepikt, want enkele maanden na mijn eerste kennismaking vernam ik dat de band was geboekt voor het gratis (!) festival De Affaire in Nijmegen. Bovendien zou dit het eerste optreden van Savages buiten hun thuisland worden.

In de trein op weg naar Nijmegen wordt het naarmate de reis vordert steeds drukker. Geen wonder, want de Vierdaagse feesten vinden nu plaats, en dat trekt een hoop volk. Twee haltes voor het eindstation krijg ik gezelschap voor vier allochtone jongeren die elkaar met verhalen over deelgenomen ruzies waarbij klappen vielen proberen de loef af te steken. Moderne ‘savages’, denk ik niet-politiek correct. Er is eigenlijk maar plaats voor vier personen maar we zitten dus met zijn vijven op twee tegenover elkaar geplaatste banken. Het gangpad staat vol mensen. Zo stoïcijns mogelijk lees ik mijn NME uit. Ik ben blij wanneer de trein eindelijk zijn bestemming heeft bereikt, weg uit de drukte van de coupé. Maar ja, nu wacht weer een andere drukte. Want zoals gezegd, het optreden van Savages valt samen met de Vierdaagse feesten waar je, als je door het centrum loopt, niet aan ontkomt. En ik ontkom er dan ook niet aan, want het concert vindt plaats in het Valkhofpark, als onderdeel dus van festival De Affaire. Het park in kwestie is voor mij als voetganger vanaf het NS station het snelst te bereiken door het stadscentrum te doorkruisen. Onder normale omstandigheden zou het inderdaad snel zijn, maar wie zich een weg moet banen door en langs mensenmassa’s, kermisattracties, podia, eetkramen en wat al niet meer, merkt al gauw dat er van die gehoopte tijdwinst weinig overblijft. Bovendien moet ik onderweg nog zeker twee keer de weg vragen en probeer ik mijn looproute goed te onthouden. Ik heb later deze avond namelijk nog de laatste trein te halen, en die wil ik niet missen door te verdwalen.

Bij het Valkhofpark aangekomen is er nog een minuut of twintig te gaan voordat Savages van start gaat. Op een aangrenzend podium is een andere band bezig. Voor de bühne waar Savages zal optreden is het nog nagenoeg leeg. De band verschijnt om een soundcheck te doen, ik sta als een blij kind in mijn Savages T-shirt – één maat te klein trouwens, maar wie mooi wil zijn moet pijn lijden, nietwaar? – het tafereel gade te slaan. Hoeveel van de aanwezigen de band überhaupt kennen weet ik niet, maar het zullen er vast weinigen zijn. Niet dat het mij iets uitmaakt, want wat telt is dat ik er zelf ben en weet wat te wachten staat. Voor het optreden is drie kwartier ingeruimd, en vanaf minuut één maakt het indruk. In tien songs presenteert Savages zich als een band die dan wel nog geen jaar oud is maar wel al de focus, intensiteit, zelfverzekerdheid en de compleetheid heeft van een groep die al vele malen langer aan de weg timmert. Noem het de ‘x factor’ voor mijn part, maar Savages heeft hét. In overvloed. Want dit is tevens een band waarin de som der delen het geheel overstijgt. Fay Milton hakt erop los alsof ze probeert de drumvellen te penetreren, en samen met de hypnotiserende, aan Peter Hook in zijn beste tijd doen denkende baslijnen van Ayse Hassan, vormt ze de stuwende ritmesectie van de band. Gemma Thompson is verantwoordelijk voor de verraderlijk simpele (lees: tot de essentie teruggebrachte) maar effectieve ‘noisy’ gitaartextuur die zijn wortels heeft in postpunk. En dan is er ‘last but not least’ Camille Berthomier, die zichzelf Jehnny Beth noemt: een frontvrouw met een natuurlijke, aandacht opeisende ‘stage presence’. Ik ken haar al als helft van het (Franse) duo John & Jehn (samen met haar levenspartner Nicolas Congé), dat ik een aantal jaren geleden zag in Paradiso, en ook toen liet ze een blijvende indruk op me achter. In Savages komt ze over als een vrouwelijke Ian Curtis, in houding, beweging – gelukkig niet de epileptische variant – en in haar intense, starende blik. 

Enkele van de gespeelde nummers zijn me al bekend (o.a. “Shut up”, “Give me a gun”), opgesnord via internet, en dat geldt vooral voor het duo “Husbands” / “Flying to Berlin” (laatstgenoemde met van Joy Division’s “Colony” geleend basloopje), uitgebracht op single die in fysieke vorm al snel uitverkocht raakte. Het enerverende “City’s full”, waar het voor mij allemaal mee begon, duikt vroeg op in de set. Ik kan nog net geen vreugdedansje onderdrukken en zing mee, zelfs al ken ik de tekst maar half. Er wordt zelfs een nieuwe song gespeeld getiteld “Another war”, en ook die klinkt opwindend. Dat het een gratis festival betreft – waar overigens John & Jehn in het verleden te zien waren – dat ook mensen trekt die niet perse voor deze of welke band dan ook komen, houdt helaas in dat er soms wat aangeschoten gezelschappen langs komen zwalken – en erger nog: halt houden – die liever aandacht willen dan geven. Gelukkig is dat niet (al te) storend maar ik weet zeker dat Savages in een club of zaal een grotere aanzuigende werking zou hebben gehad. Maar goed, niet vergeten moet worden dat het hier om een nog onbekende band gaat en voor een doorsnee ‘leve de lol’ publiek is het serieuze Savages niet het type band om de feestvreugde te verhogen. Hoe dan ook, Vierdaagse feesten of niet, Savages staat als een huis en je voelt in de lucht hangen dat het hier niet een bandje betreft die volgend jaar om deze tijd alweer vergeten is of hét toch niet blijkt te zijn. Nee, Savages moet tot grootse daden in staat worden geacht. Daar zijn ze bijzonder genoeg voor. Het debuutalbum, waar overigens nog geen enkele sprake van is maar dat er ongetwijfeld – in 2013 – van gaat komen, koester ik in hoopvolle gedachte nu reeds aan mijn borst. Want alleen al met het materiaal dat ze deze avond in handen hebben, maakt dat hoge verwachtingen los. Mijn favoriete nieuwe band van dit jaar zijn ze in ieder geval al. En misschien zelfs ook wel van volgend jaar…

Meer foto’s hier!

 

donderdag 11 oktober 2012

North Sea Jazz (dag 3) - Rotterdam : Ahoy : zondag 14 juli 2012

Doorwerken tot je 67e of langer een gruwel? Niet voor de Amerikaanse crooner Tony Bennett die naar ik vermoed met zijn 85 levensjaren de oudste artiest is die op de laatste dag van deze North Sea Jazz editie in Ahoy te bewonderen valt. En dat zonder rollator of zuurstoffles. Wel bij de hand is zijn dochter Antonia die onaangekondigd het ‘voorprogramma’ verzorgt, voordat ze na drie nummers vaderlief aankondigt. De roodharige Antonia probeert mee te liften op het succes van haar verwekker maar op basis van haar korte, niet bijzondere optreden zal ze nooit uitstijgen boven de vermelding ‘de dochter van’. Aardig voor een bedrijfsfeestje of als liftmuziek maar ik vermoed sterk dat ze nooit op eigen kracht een plek zou hebben veroverd op dit festival. Nee, dan vader Tony, die vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn naam vestigde als crooner. En dat croonen gaat hem, ondanks zijn hoge leeftijd, nog steeds goed af. Niet lang voor haar dood nam hij zelfs een duet op met Amy Winehouse. De door Bennett ten gehore gebrachte songs doen je denken aan de klassieke, gouden jaren van Hollywood (de Brat Pack, Hepburn, Taylor etc.), New York in de jaren vijftig en liefdesvreugde –en leed op Broadway. Hij heeft genoeg materiaal om uit te putten zoals “I left my heart in San Francisco”, “The good life” en “Who cares”. Geen spannend maar wel een aangenaam, relaxed optreden, zoals ik eigenlijk wel had verwacht. Wat de verwachtingen zijn van de vrouw van middelbare leeftijd in de stoelenrij vlak voor me, daar kan ik enkel naar gissen. Ze zit namelijk Wordfeud te spelen, zich weinig bekommerend om wat er op het podium gebeurt. Waarom koopt zo iemand een kaartje, vraag ik me af. Of zou ze het hebben gekregen – een relatiegeschenk wellicht? – en is ze nu hier omdat ze toch niets beters te doen heeft… behalve Wordfeud spelen dan? Het liefst had ik even voorover gebogen en haar een bepaalde woordsuggestie gedaan…

Geen Wordfeud spelers bij Kyteman Orchestra, ik heb ze althans niet kunnen ontdekken. Wel mag het orkest onder leiding van Kyteman alias Colin Benders zich verheugen op grote belangstelling van het publiek. Van verloop lijkt amper sprake want de zaal blijft tot het einde gevuld. Op Pinkpop, twee maanden eerder, was Kyteman Orchestra een gewaagde, vreemde eend in de bijt maar op NSJ lijkt het met invloeden uit de klassieke muziek stoeiende gezelschap meer op zijn plaats. En misschien komt het daardoor ook meer tot zijn recht. Persoonlijk vond ik Kytecrash, het project van Benders met trompettist Eric Vloeimans, dat een jaar geleden in dezelfde zaal (Maas) te zien was, muzikaal gezien aantrekkelijker (want minder bombastisch en meer ‘groovy’), maar dat is een kwestie van smaak. 

Over smaak gesproken, daar schieten woorden bij tekort Waylon. Of beter gezegd: ik heb er niet zoveel woorden voor, want het raakt me niet. Waylon heeft zeker een goede stem met een rafelige rand, en leuk voor hem dat ‘ie werd getekend door Motown – ook al liggen de gloriejaren van het label al lang achter ons – maar ik kan er zoals gezegd warm noch koud van worden. Wist u trouwens dat Waylon eigenlijk gewoon Willem heet? Maar ja, dat klinkt niet sexy genoeg. In ieder geval niet voor Motown. Zie je het al voor je: Marvin Gaye, The Supremes, Jackson 5… en Willem. Ik wens Willem, pardon: Waylon, verder veel succes en besluit naar buiten te gaan. Een goede keuze, want daar wacht me een aangename verrassing. 

Heerlijk zijn die momenten wanneer je naar een band of artiest gaat kijken die je niet kent, zelfs nooit van hebt gehoord en geen verwachtingen opwekt, maar je onverwachts met de neus in de boter doet vallen. De boter in kwestie is zacht, smeuïg en smaakt naar meer. Geen loze reclameslogan, want je ziet het bij de mensen die er al staan en bij degenen die net als ik terloops voorbijkomen en prompt halt maken wanneer hun aandacht wordt getrokken door de Britse Lianne La Havas. Gezegend met uitstraling en charisma, een innemende glimlach, asymmetrisch kapsel en heel erg blij – ‘a dream come true’, en dat laat ze meer dan eens weten – om op North Sea Jazz te staan. Gelukkig is Lianne niet alleen prettig om naar te kijken, maar ook om naar te luisteren. Het alleen door akoestische gitaar begeleidde “Au cinéma” springt er voor mij meteen uit. Ze heeft een band bij zich, maar wanneer ze puur solo speelt, is ze op haar mooist. Jazz met een beetje pop, of omgekeerd, met als meest naaste verwante Corinne Bailey Rae. Hoe succesvol ze vandaag is, blijkt wel uit haar signeersessie later op de dag. Die duurt op papier slechts twintig minuten doch na anderhalf uur moet haar manager er dringend doch beleefd een einde aan maken want de mensen blijven maar komen, jong en oud. De laatste gelukkige is een fan die op de valreep met een grote albumposter komt aanzetten. Het album zelf is in de shop tegenover het signeertafeltje niet meer te krijgen: uitverkocht… Hier gaan we dus ongetwijfeld meer van horen! 

Op dit weblog heb ik al vaker verklaard fan te zijn van de Amerikaanse rasartiest Janelle Monáe. Een fascinatie die begon met haar bijdrage aan het tv-programma “Later… with Jools Holland”, ergens in 2010, die ik maar bleef terugkijken. Een aantal malen heb ik haar met eigen ogen kunnen aanschouwen, de laatste keer bijna precies een jaar geleden, op ditzelfde festival. De Maas zaal kreeg ze die dag aan haar voeten, en op basis van die prestatie is ze teruggevraagd én gepromoveerd naar de grotere Nile hal. Ik heb me daar ruim voor het optreden al verzekerd van een plek vooraan. Met de podiumgordijnen nog gesloten, wordt Janelle Monaé en haar veelkoppige band met veel gevoel voor showbizz aangekondigd door een neger in rokkostuum en hoge hoed. Wat daarna volgt is nagenoeg dezelfde show waar Janelle al ruim twee jaar mee over de wereld reist en die haar een flinke schare bewonderaars en fans heeft opgeleverd, van Prince tot Obama, en van Karl Lagerfeld tot Indindo. Vanavond zijn er ongetwijfeld weer een hoop bijgekomen, want opnieuw krijgt Janelle de zaal plat, zelfs letterlijk, in “War of the roses”, wanneer ze iedereen maant tot hurken tijdens het ‘cooling down’ moment van het nummer, in afwachting op de spetterende climax. De combinatie van haar zang-, dans- en performancetalent, haar ‘trademark’ zwart-wit outfit met coole kuif en een repertoire waarin de beste elementen van o.a. Michael Jackson, Stevie Wonder, Prince en James Brown samenkomen laat wederom een onuitwisbare indruk achter. Zoals gezegd is er aan de show en de setlist sinds haar vorige NSJ optreden weinig gesleuteld, ongetwijfeld volgens het principe ‘never change a winning team’. Niettemin kijk ik erg uit naar nieuw materiaal en dat dient zich aan in de gedaante van het swingende en naadloos op haar repertoire aansluitende “Electric lady”, de titelsong van haar volgende album. Iets om naar uit te kijken, want met dit spetterende en spraakmakende optreden heeft Janelle weer de nodige zieltjes gewonnen. 

Na het spektakelstuk van Janelle Monaé in de grote, gevulde Nile hal kan het contrast met de pakweg dertig bezoekers in de bescheiden Volga zaal niet groter zijn. Verscholen in het donker staat een man achter een laptop, terwijl naast hem op een beamerscherm even intrigerende als vervreemding opwekkende filmpjes worden vertoond, ter visuele stimulatie. De man in kwestie heet Daniel Lopatin maar hij is hier onder zijn alias Oneohtrix Point Never. De muziek bestaat uit avontuurlijk en spannend knip- en plakwerk van allerhande, goed geconstrueerde en verrassende sounds; intrigerende geluidsexperimenten die tot de verbeelding spreken. Een contrast met Daniel zelf, een onopvallende man met snor en baard die, wanneer het licht aanfloept na het laatste nummer, eindelijk ‘in volle glorie’ te zien is. Dat hij gedurende het concert amper zichtbaar was doet er verder niet toe, maar het is jammer dat zo weinig mensen hem vanavond hebben gehoord. Want deze geluidskunstenaar had beter verdiend. 

Er wordt veel gewag gemaakt van de terugkeer van soul- en funkzanger D'Angelo die in 2000 naar men zegt een legendarisch optreden gaf op NSJ en vervolgens min of meer in rook opging. Voor veel mensen is het optreden van D’Angelo zodoende iets om naar uit te kijken, maar ik blijf er nuchter onder. Ik was er in 2000 niet bij, ik ken precies één nummer van D’Angelo (“Brown sugar”, de titelsong van zijn gelijknamige album uit 1995) en dat was het wel zo’n beetje. Ik gun hem een paar nummers mijn aandacht maar ik merk dat die vooral zwevende is. Legendarisch wordt het in ieder geval niet, al was het maar omdat hij drie kwartier te laat begint en daarmee een hoop goodwill verspeelt bij het publiek. Van zowel Amos Lee als Mike Stern pik ik slechts een flard op in het voorbijlopen dus daar zal ik u verder niet mee lastigvallen. 

Het is mijn eerste keer dat ik een concert in de Amazon zaal meemaak waar ik niet extra voor hoef te betalen en dankzij tijdig aansluiten in de rij wachtenden zit ik zowaar op de eerste rij voor het optreden van de Britse zangeres Rumer (echte naam: Sarah Joyce). De zaal is niet tot de nok toe gevuld en het duurt nog even voordat het optreden van start gaat. Zodoende maken we de soundcheck mee waarin flarden van Hall & Oates’ “Sarah smile” zitten verwerkt. Een goed begin, want het is mijn favoriete song van het coveralbum dat Rumer recentelijk heeft uitgebracht. Nadat het optreden daadwerkelijk van start is gegaan, valt op dat Rumer een wat onwennige indruk maakt. Haar forse bouw en grote, volle neus zijn geen toonbeeld van elegantie, maar daar kan ze verder niets aan doen. Maar de tentachtige jurk, die haar niet al te flatteus doet uitzien, had ze beter in de kleedkamer kunnen achterhalen. Eh.. en dan wel iets anders aantrekken natuurlijk. Maar laat ik uiterlijkheden verder achterwege – ik ben zelf immers ook geen Brad Clooney – want het gaat om haar stem. Vergelijkingen met Karen Carpenter gaan zeker op, met als mooiste illustratie het wonderschone “Aretha”, afkomstig van haar eerste album “Seasons of my soul”. Zoals gezegd loopt het aanvankelijk stroef, niet het muzikale deel – rustgevende, easy listening pop – als wel de intermezzo’s, gevuld met doodse, pijnlijke stiltes en de bijna hulpeloze blikken van Rumer. “Alles komt goed, meid!” zou je haar haast bemoedigend willen toeroepen. Gelukkig komt het ook goed, want ergens halverwege komt de zangeres los, is er interactie met het publiek en kan ze opgelucht glimlachen. Eind goed, al goed dus, en dat geldt voor deze NSJ editie als geheel, waarbinnen weer de nodige hoogtepunten vielen te noteren en opnieuw doet uitzien naar volgend jaar. Reken maar van jazz!

Meer foto’s hier!

zaterdag 22 september 2012

North Sea Jazz (dag 2) - Rotterdam : Ahoy : zaterdag 13 juli 2012

Vrouwen die bas spelen zijn cool, toch? Zie bijvoorbeeld Kim Deal, Kim Gordon en Suzi Quatro, om er even drie te noemen. Esmeralda Spalding mag aan het rijtje worden toegevoegd, ook al bevindt ze zich dan in een ander genre – jazz in plaats van rock, en tevens een fusie van de twee – dan de genoemde voorbeelden. Overigens is Esmeralda voornamelijk in de weer met een staande bas, maar vanavond hanteert ze ook de basgitaar. Op het podium staat een ghettoblaster afgebeeld, een verwijzing naar haar album “Radio music society, dat dit jaar verscheen. Behalve een getalenteerd bassist is Esmeralda een begenadigde zangeres, die zowel krachtig als zoetgevooisd voor de dag kan komen. Een lekkere start van deze tweede dag van North Sea Jazz

Een presentator kondigt haar aan als ‘het fluistermeisje’. Hij heeft het over Gretchen Parlato, de Amerikaanse zangeres wiens vorig jaar verschenen album “The lost and found” de eerste plaats behaalde in de iTunes Jazz Chart. Dit is dus de plek waar je vanavond moet zijn, zo voert de presentator de spanning nog verder op. Ik ben gelukkig net op tijd om een laatste stoel te bemachtigen in de bescheiden Yenisei zaal. Vele anderen zien zich genoodzaakt in de rij aan te sluiten voor de toegangsdeur, hopend op vertrekkende kijkers, volgens het principe ‘één eruit, één erin’. Als je niet beter zou weten, dan zou je een hype vermoeden. Echter, niets is minder waar.  Want Gretchen Parlato is een talent waarvoor mensen terecht in de rij staan. En ja, haar zang heeft inderdaad iets weg van fluisteren, en toch versta je elk woord. Ze toont zich een meester in beheersing, de aandacht vasthoudend met een stem die laveert tussen troostrijk, sensueel en gewoonweg prachtig. Simply Red’s “Holding back the years” maakt ze zich geheel eigen, vol van verstilde breekbaarheid. Zo’n performance vraagt om stilte die helaas soms wordt doorbroken door geroezemoes van de wachtrij, ofschoon nooit echt storend. Hoe dan ook, de presentator kreeg gelijk, want hier moest je zijn geweest. 

En dan eindelijk… Rufus Wainwright. Eindelijk? Ja, want om uiteenlopende redenen kwam het er steeds niet van om een concert van hem bij te wonen, terwijl ik dat toch al jaren van plan was te doen. Gelukkig dat NSJ de muzikale grenzen van het festival al geruime tijd heeft opgerekt tot buiten het jazzgenre want anders had Rufus hier niet gestaan, zeker nu hij zelf met laatste album “Out of the game” zijn eigen grenzen naar een meer popgericht geluid heeft verlegd. Van die plaat komt vrij veel aan bod, te beginnen met “Candles”, de mooie, gedragen ode aan zijn overleden moeder Kate McGarrigle. Na deze plechtstatige start neemt Rufus goedlachs het applaus in ontvangst. De zanger komt tijdens het hele optreden aimabel, opgewekt en praatgraag over. Mijn hoge verwachtingen worden in de vijf kwartier die Rufus zijn gegund moeiteloos ingelost, zelfs wanneer hij het vocale gedeelte overlaat aan anderen zoals in de covers (van moeder Kate en haar zus Anna) “Saratoga summer song” en “I don’t know”, dat respectievelijk wordt gezongen door bandleden Teddy Thompson en Krystle Warren. Persoonlijke ‘highlights’ zijn het gemoedelijke “Out of the game”, het op golvend pianospel dansende “Montauk” en de bijna-disco song “Bitter tears”. Wanneer Rufus een opmerking maakt over de grootte van de zaal die hem doet denken aan een conventiehal zoals gebruikelijk bij Amerikaanse presidentsverkiezingen, en dat hij nooit eerder in zo’n enorme hal heeft opgetreden, kan ik hem maar moeilijk geloven. En als het al zo is, dan verdient hij slechts zalen van deze omvang. “Please buy my record” smeekt Rufus (met brede glimlach). Dat er maar veel gehoor aan mag worden gegeven. 

Herinneringen aan vroeger, aan mooie, vervlogen tijden, worden vaak, naarmate de tijd verstrijkt, steeds rooskleuriger. De jaren zeventig bijvoorbeeld, die ik als kind en tiener bewust meemaakte. Ergens op het snijvlak van die twee levensfasen dook George Benson op in de platencollectie van een oudere broer. Op de pick-up van zijn slaapkamer of via de audiocassettespeler in zijn auto kwam George regelmatig voorbij, in het bijzonder de succesvolle albums “Breezin’” (1976) en “In flight” (1977), die van de meest toepasselijke titels waren voorzien. Muziek als een verkoelende bries, een onbekommerde vogelvlucht door een strakblauwe hemel. ‘Smooth jazz’ met een hoofdrol voor het gitaarspel van Benson, zowel tijdloos als voor mij ook sterk verbonden aan prettige gevoelens van nostalgie. Dus ja, Benson kan bij ondergetekende bij voorbaat al niet stuk, wat getuige de opkomst en reacties van het publiek voor meer mensen lijkt te gelden, vooral tijdens sluitstuk “On Broadway”. Na het optreden geeft Benson een radio-interview in een mobiele studio naast de zaal, en slechts een simpel wandje met raam erin scheidt de gitaarvirtuoos van bezoekers die opgewonden naar binnen gluren en hem vastleggen op de gevoelige plaat. Daar kan ik natuurlijk niet bij achterblijven. Thanks for the memories, mister Benson! 

Eén van de hoogtepunten van het afgelopen Pinkpop festival – maar dat is mijn mening – betrof het optreden van Sharon Jones & The Dap Kings, de 56-jarige funk- en soulzangeres die als een vrouwelijke versie van James Brown moeiteloos de aandacht opeiste. Jan Smeets zou er goed aan doen om volgend jaar een vergelijkbare act te boeken in de persoon van Betty Wright. Betty, twee jaar ouder dan Sharon en eveneens een veterane in het soul / funk (en disco en r’n’b) genre, weet namelijk ook hoe ze het publiek aan zich moet binden, en net als Sharon weet ze zich geruggensteund door een meer dan competente band. De in een gouden glitterjurk gestoken diva, getooid met een afro-kapsel groot genoeg om als onderduikadres dienst te kunnen doen, heeft over belangstelling niets te klagen. Je kunt jezelf afvragen of de Congo tent wel de meest geschikte plek was om Betty in te laten optreden, want ook buiten de tent staan mensen zich als haringen in een ton te verdringen. Jezelf de tent inwurmen is een optie, maar geen prettige, en wanneer het begint te regenen, houd ik samen met enkele andere mensen een stuk tentzeil omhoog om onszelf droog te houden. Wanneer Bettys meest bekende song “Clean up woman” aan het gretige gehoor wordt gevoerd, is de regen alweer verdwenen. Net als Sharon Jones – want ook die was in het verleden al eens op NSJ te bewonderen – hoop ik Betty ooit nog eens in Landgraaf te zien opduiken. Dus beste Jan, je weet wat je te doen staat! 

Ach ja, Robert Cray, de sympathieke bluesgitarist die medio jaren tachtig zijn doorbraak beleefde met album “Strong persuader” en de van die plaat getrokken song “Right next door”. In Amerika vergaarde hij een aantal Grammys, scoorde nog wat hits en daarna ben ik hem uit het oog verloren. Niet dat ik hem ooit actief volgde trouwens. Maar goed, hij staat hier vanavond, ik heb niets beters te doen, en dan kijk je een paar nummers zonder dat het echt tot je doordringt. Je gedachten dwalen af naar de notencake die ze in de foyer verkopen, of zou ik de munten die ik nog op zak heb toch maar weer spenderen aan een drankje? Keuzes, keuzes. En Robert Cray, hij speelde voort. 

Ik ben nooit bepaald een liefhebber geweest van Macy Gray en haar krakerig gekke stem maar vooruit, haar collaboratie met David Murray Blues Big Band wil ik wel een kans geven. Macy heeft zich in een opvallende glitterjurk gehesen, gekleed voor een galabal. Macy Gray, Robert Cray, dat rijmt. Niet toevallig, want bij beide concerten voel ik hetzelfde: niet bijster veel. Het ligt niet aan hen, vergoelijk ik maar, want de verse, goede herinneringen aan eerdere optredens deze avond hebben me een verzadigd gevoel gegeven. Alsof je na een smakelijke, vullende maaltijd nog de menukaart met de toetjes onder je neus krijgt, maar je ondanks het aanlokkelijke aanbod weet dat het de ervaren smaaksensatie hoe dan ook niet gaat overtreffen. Het jazz, soul en blues spektakel op de bühne laat ik daarom op een gegeven moment voor wat het is. Geen probleem want ik verlaat Ahoy met een voldaan gevoel. 

Meer foto’s hier!

woensdag 12 september 2012

North Sea Jazz (dag 1) - Rotterdam : Ahoy : vrijdag 12 juli 2012

North Sea Jazz bestaat al sinds 1976 en dit jaar beleeft het festival dus zijn 37e editie. Ik ben als bezoeker een relatieve nieuwkomer want dit is pas de zesde keer dat ik van de partij ben. Niettemin is NSJ sinds mijn eerste bezoek een vaste waarde geworden in mijn concertagenda, een evenement waar ik steevast naar uitkijk. Het is bovendien tot een van mijn favoriete festivals gaan behoren, en dat heeft voor een belangrijk deel te maken met de sfeer en het karakter. Die is namelijk anders dan ik gewend ben van de festijnen die ik doorgaans bezoek zoals bijvoorbeeld Pinkpop, Pukkelpop, London Calling en Metropolis. Op NSJ hoef ik me niet druk te maken over regen, modder of schroeiende hitte want de meeste optredens zijn overdekt. Het publiek is over het algemeen wat ouder, ‘beschaafder’ en netter gekleed – een in cocktailparty avondjurk gestoken dame die aan een glas champagne nipt is er niet uitzonderlijk – en schreeuwende dronkenlappen zal je er dan ook niet aantreffen. Je kunt vooraan het podium een artiest kijken zonder dat je geplet wordt, je kunt ervoor kiezen om te gaan staan of te gaan zitten (op een stoel dus) en het eten is er goed. Niet de gebruikelijke frites met kroket kramen – dat kun je er niet eens krijgen trouwens – maar wel bijvoorbeeld een heerlijke, culinair verantwoorde hamburger en dito notencake, om mijn twee persoonlijke favorieten even onder de aandacht te brengen. Het zal vast ook met mijn eigen ouder worden te maken hebben, maar NSJ – als festival – voelt steeds meer aan als op mij toegesneden.  Afijn, de eerste artiest... Hij stond al eerder op NSJ maar ik zie hem nu voor het eerst: Van Morrison alias Van The Man. Hij ziet er nog het meest uit als een oude gangster uit vervlogen tijden, inclusief gleufhoed, lange jas en zonnebril. Dat hij af en toe een saxofoon bespeelt, doet daar verder niets aan af. Van begrijpt niet waarom hij in de pers als ‘grumpy’ wordt neergezet. Want dat is hij niet, net zo min als zijn bandleden, die het eveneens ontkennen. Van komt tot de conclusie dat het de Britse pers is die hem als sikkeneurig betitelt. En niet hij, maar juist zij zijn ‘grumpy’. Het publiek joelt instemmend en Van heeft zijn dolletje gemaakt. Er is hier vanavond niemand die reden heeft om Van The Man ‘grumpy’ te noemen, want de zanger geeft wat het publiek wil horen. Zoals “Moondance” , waar ondergetekende heel erg blij van wordt, maar ja, die stond dan ook bovenaan mijn ‘wat ik hoop dat ‘ie gaat spelen’ lijst. En op zulke momenten begrijp je waarom Van de Man is. 

Michael Kiwanuka is een Britse singer songwriter met Oegandese roots die op plaat griezelig authentiek overkomt in zijn streven – want wat zou het anders moeten zijn – te klinken als een seventies neger die bedachtzame soul maakt. Single “Home again”, goed voor de nodige airplay op de Nederlandse radio en uiteindelijk een hoge hitparadenotering, is daar een treffend voorbeeld van. Het was genoemd plaatje dat ook mijn interesse in eerste instantie wekte, maar een album lang kan Michael mijn aandacht niet vasthouden. Het doet wat braafjes aan, met veel respect voor de voorbeelden uit het verleden, en zonder aandrang om buitensporig of eigentijds te zijn, laat staan iets toe te voegen aan de muziek en artiesten die hem inspireren. Ik besluit dan ook snel om Michael in te ruilen voor een andere neger, met meer ‘body’. En dat bedoel ik zowel letterlijk als figuurlijk. 

Met zijn forse postuur, onafscheidelijke pet en skicap, baard, snor en vriendelijke oogopslag doet Gregory Porter denken aan een knuffelbeer. En vermoedelijk is hij dat ook gewoon. In ieder geval is hij een zanger die gezegend is met een aangename, warmhartige stem die jazz en soul tot een eenheid brengt, en het vermogen heeft om de luisteraar te kalmeren. Zijn vertolking is gepassioneerd, zijn ‘stage presence’ is evident. Wanneer hij met ritmisch handgeklap het afsluitende “1960 what?” inzet, kan het publiek niets anders doen dan meeklappen, en mag saxofonist Yosuke Sato een glansrol vervullen. De Darling zaal zit niet voor niets lekker vol tijdens dit sterke optreden, en zoals Porter de toeschouwers meekrijgt, kan het niet anders dan dat hij bij een volgend bezoek aan NSJ een groter podium krijgt toebedeeld. Dat zou even logisch als gerechtvaardigd zijn.     

Wanneer je als NSJ bezoeker nog een keer extra in de buidel moet tasten – er even van uitgaande dat je alleen over een regulier dag- of weekendticket beschikt – dan is dat voor een optreden in de Amazon, de zaal waar de zgn. ‘plusconcerten’ plaatsvinden. Dan gaat het om artiesten of bands van een bepaalde statuur en/of die iets extra’s (plus dus) te bieden hebben. Melody Gardot stond al twee keer eerder op NSJ – in 2008 en 2009 – maar dit is de eerste keer dat ze als ‘plus artiest’ optreedt. Terecht, want het is een bijzondere performer – wiens nieuwe album “The absence” nog maar net in de winkels ligt – die je verleidt met een subtiel en intrigerend spel van schaduw en (gedempt) licht. Als gevolg van een auto-ongeluk is ze zeer gevoelig geworden voor licht en geluid, en haar muziek is daar een uitvloeisel van. Die zonnebril draagt ze dus niet zomaar. Ze is gekleed in het zwart maar zeker niet somber van toon. Melody maakt grapjes, is spraakzaam, soms té, wanneer ze tussen twee nummers een lange, met veel Frans doorspekte anekdote uit de doeken doet over een voorval in een vliegtuig en op een luchthaven. Op mooie, ingetogen momenten kun je een speld horen vallen, en haar band strekt tot voorbeeld. Naast eigen werk krijgen we als toegift “Somewhere over the rainbow” en het concert, want te laat begonnen, haalt zijn geplande eindtijd niet, maar wie maalt daarom bij deze bijzondere, elegante en intrigerende dame? Nou ja, ik toch wel een beetje, want meer van de één, betekent minder van de ander, zoals hieronder blijkt…

Beduidend meer ‘down to earth’ gaat het eraan toe bij de voluptueuze Jill Scott die geen moeite heeft het publiek voor zich te winnen. Soul, r’n’b en jazz zijn bij haar in goede handen, de muziek is groovy, het swingt, het is gezellig, het is druk, er wordt gedanst en gevoel voor humor is er ook. En dat is slechts de eindspurt, dus wie weet wat ik nog meer heb gemist, want door uit het uitlopen van Melody Gardot zijn me slechts de laatste twee songs van Jill gegund. Dat is jammer, want als daar nou “A long walk” bij had gezeten – een nummer met een persoonlijke, bijzondere lading – dan had ik daar minder moeite mee gehad. Tja, volgende keer beter…  

Gelukkig wordt veel goedgemaakt met het toetje, en dat is Chic (featuring Nile Rodgers). Of beter gezegd Nile Rodgers, want na het overlijden van Bernard Edwards, is hij het enige overgebleven originele groepslid. Maar niet de minste, want de goede man heeft een partij hits, zeg maar gerust klassiekers, op zijn naam staan waar je ‘U’ tegen zegt. Want behalve de man achter Chic knallers “Freak out”, “I want your love” en “Good times”, was hij ook verantwoordelijk voor onder andere “I’m coming out” en “Upside down” (Diana Ross), “We are family” en “He’s the greatest dancer” (Sister Sledge). Een feit dat veel mensen wellicht niet weten, en daar is Nile zich van bewust. “I wrote those songs!” zegt hij met gepaste trots en een bijbehorende brede grijns, nadat hij heeft verklaard te begrijpen waarom het publiek zich ongetwijfeld afvraagt waarom hij andermans nummers speelt. Met zo’n swingende CV staan Nile en zijn band garant voor een discofeest der herkenning waar de zaal wel pap van lust. Een vrolijke, lekkere afsluiter van de eerste NSJ dag. Good times! 

Meer foto’s hier!