donderdag 15 maart 2012

Februari 2012

CD’s

THOSE DARLINS – Screws get loose
Met zo’n albumtitel kon je er op zitten wachten, want op moment van schrijven heeft één der Darlins van het eerste uur zich losgeschroefd van de band. Hopelijk vinden ze op tijd een vervang(st)er voor hun aanstaande Europese tournee waarbij ze ook Nederland aandoen. Misschien ben ik wel van de partij want hun (tweede) album is een lekker plaatje dat niet losjes, maar solide in elkaar is geschroefd. De verbindende elementen hebben namen als Blondie, (een ruwe versie van) Bangles, The Gun Club en Ramones. In “Mystic mind” wordt het lichtelijk psychedelisch, en “Waste away” houdt het op country / folk, maar de rest zit op een comfortabel snijpunt van sixties pop, garagerock en indie zoals te horen in “Hives”, “Prank call”, “Fatty needs a fix” en de titelsong.  

KING KRULE – King krule
Een van de eerste namen die werd bevestigd voor het eerstvolgende London Calling festival was King Krule, en dat deed me veel deugd. Want sinds zijn eerste incarnatie als Zoo Kid geniet de nu onder de naam King Krule opererende tiener Archy Marshall mijn warme belangstelling. Een LP volgt later dit jaar maar zijn eerste wapenfeit, een (te) kort durende release (5 songs in 13 minuten slechts), mag dienen als een prima introductie. Zowel de muziek als de stem van Archie intrigeren; spaarzame klanken die het ‘less is more’ principe huldigen. De penseelstreken op het canvas doen denken aan The XX en James Blake, en de zang van Archy kleurt als een minder aardse, wat somberder Billy Bragg die perfect aansluit op de sfeer van elk nummer. Kort maar krachtig. 

FLASH FIKTION – Flash fiktion
In 2010 kocht ik hun eerste ‘double AA side’ single “Leni” / “Science of sleep” op basis waarvan ik de band aanmerkte als eentje met twee gezichten, enerzijds electropunk met een zweem van Klaxons en ‘progpop’ anderzijds. Resultaat: tweemaal geslaagd. Ook de een jaar later verschenen opvolger “Capsules of sun”, een synthesizer popsong à la (wijlen) Late Of The Pier met een Friendly Fires schaduw, kon mijn goedkeuring wegdragen. En nu is er dus het album waarop de drie genoemde nummers te vinden zijn. Gelukkig hoeft de plaat het niet alleen van de singles te hebben, getuige het afsluitende trio “176”, “Nautikal girl” en het ‘Klaxons in goede doen’-achtige “Tomorrow’s people”. Een kleine minderheid wil niet beklijven, maar het merendeel bewijst dat Flash Fiktion heel aardig op koers zit.

ISLET – Illuminated people
Progrock, psychedelica, noise, shoegaze, folk, excentrieke pop, ziehier een korte en waarschijnlijk nog niet eens volledige opsomming van de verscheidene potjes waar het niet voor één gat te vangen kwartet Islet in zit te roeren. En niet alleen van liedje tot liedje, maar vaak ook binnen begin en einde van een nummer. De muziek lijkt vaak bepaald te zijn door intuïtieve ingevingen, sowieso experimenteerdrift en toch weten ze er telkens een goed einde aan te breien. Al moet ik wel bekennen dat het me soms doet duizelen, en mijn brein stiekem wenst dat ze niet alle ideeën ten uitvoer hadden gebracht. Maar de creativiteit van Islet laat zich moeilijk intomen, zoals hun twee eerder verschenen minialbums al aantoonden. Live lijken ze me een interessante beleving, maar dat genoegen heb ik nog niet gehad. Gek dat ze nog niet op London Calling te zien zijn geweest, of zouden ze daar te ‘freaky’ voor zijn? 

Singles

ALABAMA SHAKES – EP
Een hype is het (gelukkig nog) niet, maar aan loftuitingen, aanbevelingen en goede kritieken heeft dit Amerikaanse kwartet geen gebrek. Dan zit je wel gebakken, en gelukkig betreft het geen gebakken lucht, want Alabama Shakes heeft ‘het’ wel degelijk. Dat ‘het’ is niet vernieuwend of vooruitstrevend, maar hun mengsel van soul, klassieke rock en indie met traditionele roots (Otis Redding + Janis Joplin + Kings Of Leon circa 1e album) doet even authentiek als fris aan, met de emotievolle stem van Brittany Howard als ‘X factor’.

DEAF CLUB – Lull EP
Vorig jaar al uitgekomen, doch dit gezelschap uit Wales – echter gezeteld in Londen – is zo gul geweest om hun debuut EP al enige tijd gratis als download aan te bieden. Maak er vooral gebruik van, want het is een cadeau om te koesteren. De vijf sfeervolle tracks herbergen elementen van All About Eve, Slowdive, Siouxsie, Esben And The Witch en folk, met “Hana” en “It/she” als vroege uitschieters. Laat het niet aan dovemans oren gericht zijn…

SISSY & THE BLISTERS – Let her go
Een vijf nummers tellende EP, met “Let her go” als kartrekker. Niet onaardig en meezingbaar, maar The Horrors deden het in hun garagerock fase beter. Dan toch liever de B-kant waar de band lekker van (zwart) leer trekt zoals in het zompige, lawaaierige Cramps-achtige “Mystics” en het energieke “Sleeping around at night”.

BINARY – Prisoner
“Prisoner” is de debuutsingle van deze band uit Londen die, om maar even in te haken op de songtitel, nog enigszins gevangen zit in andermans geluid: The Cure, White Lies, The Bravery en Chapel Club. Wie zich in dat rijtje muzikaal kan vinden, zal zich aan Binary geen bult vallen. Keurig gedaan, iets te keurig zelfs, maar ook voorspelbaar.

CITIZENS! – True romance
Zoals je de bandnaam Therapy? behoort te schrijven met een vraagteken, zo vraagt Citizens! om ze te voorzien van een uitroepteken. En zo’n teken is een schreeuw om aandacht, en dat is iets wat de band vooralsnog niet echt verdient. De single werd dan wel geproduceerd door Alex Kapranos, maar hij liet na om “True romance” te besprenkelen met het toverpoeder waar menig Franz Ferdinand liedje van is doordrongen. Dit is electropop in medium tempo, zonder uitroepteken.




zondag 4 maart 2012

Rats On Rafts / Harry Merry - Sittard : Fenix : vrijdag 24 februari 2012


Voorprogramma’s wil ik nog wel eens bewust missen. Bijvoorbeeld als ik van tevoren weet of sterk vermoed dat ik er toch niets aan ga vinden. Dankzij internet is het makkelijk om even een band te checken. Wat voor muziek maken ze? Spreekt het me aan? Als dat laatste niet het geval is, kan ik het me veroorloven wat later op de fiets te springen. Zo kan ik ook langer op de bank blijven hangen. En met een goede timing kan ik eenmaal aangekomen bij de zaal, zo goed als meteen ‘aanschuiven’ bij het hoofdprogramma waar het me om te doen is. Afijn, een dergelijke ‘strategie’ paste ik toe in maart 2009, toen ik in de Effenaar te Eindhoven naar een concert van de inmiddels overleden Jay Reatard zou gaan. Toen ik de zaal betrad, was het voorprogramma al voorbij. De naam van die support act: Rats On Rafts. Grappig hoe het kan verkeren, want bijna drie jaar later reis ik speciaal voor RAR af naar Fenix in Sittard om ze daar live aan het werk te zien, in het kader van hun promotietournee voor debuutalbum “The moon is big”. Waarom liet ik ze destijds schieten? Simpel: toen hadden ze ‘het’ nog niet en nu wel. Een kwestie van groei, aanscherping en betere liedjes. 

Zoals ik al zei: voorprogramma’s wil ik nog wel eens bewust missen. Deze keer laten we – commando Billy en ik – ons gewoon verrassen. En verrast worden we zeker. Bij de garderobe horen we al vreemde klanken uit de zaal komen die we niet helemaal kunnen thuisbrengen. Een willekeurige bezoeker komt de zaal uitgelopen, houdt bij de garderobe staande en laat ons ongevraagd weten “nog nooit zoiets te hebben gezien”. Een rake constatering, zo ondervinden we niet veel later, als we op het podium de eenmansband Harry Merry aantreffen. De Rotterdamse veertiger – ietwat fors, haar tot op de schouder, verticaal gestreept overhemd – staat achter een Roland keyboard dat rust op een strijkplank. Op een tafeltje naast het keyboard staat een opengeklapte laptop. Waar de muziek precies vandaan komt is even de vraag, want als een nummer of drie later de strijkplank het begeeft, en het keyboard op de grond klettert, valt er geen verschil te constateren. De muziek gaat gewoon door, net als Harry, die zich nergens iets van lijkt aan te trekken. Dat kan ook niet anders met de liedjes die hij ten gehore brengt. Het heeft nog het meest weg van een op hol geslagen kermiscarousel of een dolgedraaid draaiorgel. Harry zingt daar met een zwaar accent overheen, zet af en toe een gek stemmetje op of trekt een scheve bek à la André van Duin, overigens ook een Rotterdammer. Muzikale malloot of geniale gek?

Mafkees of niet, Harry Merry valt moeilijk in een hokje te plaatsen. Je kunt het een ‘novelty act’ noemen, en toegegeven, na een tijdje geloof je het wel, zeker omdat sommige nummers maar geen einde lijken te kennen, doch je moet er maar op (willen) komen. En het vervolgens doen ook, tegen de stroom in, wetende dat onbegrip en spot je ten deel zullen vallen. Maar dat lijkt Harry niet te deren. “Yeah, well, whatever”, luidt een van zijn vanavond ten gehore gebrachte nummers, en het zou ook best zijn levensmotto kunnen zijn. Ik zie de humor wel in van “Sharki supermachine”, dat vooral de aandacht trekt dankzij een vocaal bruggetje dat klinkt als “Eh-uuh, eh-uuh, eh-uuh”, alsof iemand op het punt staat om te kokhalzen. YouTube het even, zou ik zeggen. “The Panorama paper” wordt opgedragen aan zijn favoriete tijdschrift, en “Clarissa” dat pal na het omvallen van de strijkplank door Harry ‘a capella’ wordt gebracht, is een soort van liefdesverdriet omgeven dronkenmansode aan, naar ik vermoed, ene Clarissa. “Jailbird (keep your hands off miss Hilton)” lijkt te zijn geïnspireerd door het kortstondige gevangenisverblijf van Paris, en “The appetite gets satisfied each bite” noem ik puur alleen vanwege de titel. Harry geeft aan het schema niet te kennen en heeft evenmin een idee hoelang hij al gespeeld heeft, en aangezien niemand hem inseint, gaat hij onverstoorbaar door voor die pakweg 20 mensen in de zaal, waaronder het voltallige hoofdprogramma, dat Harry wel lijkt te kunnen waarderen. De grote doorbraak zal er voor Harry vermoedelijk nooit inzitten, en hoe men verder ook over hem mag denken, ik vind het persoonlijk wel een fijne gedachte dat er artiesten / persoonlijkheden als Harry Merry zijn. Al was het maar als tegenwicht voor al die tv-talentenjacht types, gladde wannabees, pseudo alternatievelingen en mediocre meuk. Dit jaar is de plek al vergeven, dus voor 2013 zou ik Harry Merry willen voordragen als Nederlandse inzending voor het Eurovisiesongfestival. Muzikaal gezien hoeft het daar niet zoveel voor te stellen, opvallen des te meer. En dat doet Harry Merry als geen ander.

Opvallen doen ook Rats On Rafts, maar dan toch dankzij hun door hoekige new wave (o.a. The Fall, The Cure circa “Three imaginary boys”, Gang Of Four) beïnvloedde songmateriaal. In november jongstleden stuitte ik op de videoclip van “Lalalala”, als voorproefje van hun optreden op London Calling, en even dacht ik met een nieuw hip Brits bandje te maken te hebben. Ik was aangenaam verrast toen las dat ze uit Rotterdam kwamen. Helaas was hun concert gepland op een zondagmiddag volgend op twee lange avonden met muziek en twee korte nachten van slaap, en gelijktijdig met een pop quiz. Mijn inschatting dat ik ze wel een keer in een zaal dichterbij huis zou gaan zien blijkt een goede te zijn geweest. Jammer genoeg moet de band het vanavond doen met een bedroevende opkomst. Het is de laatste datum van hun korte tour door Nederland, en een dag eerder werd het concert van The Horrors in de Effenaar afgelast waar ze als voorprogramma zouden fungeren. Je zou het ze niet eens kwalijk hebben kunnen nemen als ze voor die anderhalve man en een paardenkop een gedemotiveerde performance hadden neergezet. Doch niets blijkt minder waar, want de band zet een overtuigend optreden neer die de vele thuisblijvers in het ongelijk stelt.

Logischerwijs komt “The moon is big” royaal aan bod, waarbij vooral het titelnummer indruk maakt. “Lalalala” is opvallend absent, terwijl daar toch, zoals eerder gezegd, een videoclip voor is gemaakt. Ook top: het door een repeterend basloopje gedragen “Sailor”. Het uitgesponnen “The moneyman” is zowel een cover van als een geïnspireerde ode aan de Rotterdamse, in de jaren 80 actief zijnde alternatieve band Kiem, wiens frontman Huub Kentie werd gestrikt om de single te produceren. De gitaren klinken lekker stekelig, terwijl de haardos van de voor een solide ritmische basis zorgende drummer Joris heen en weer zwiept. De band speelt strak, en zanger / gitarist David Fagan, wiens ogen deels verscholen gaan achter een haarlok, houdt zijn aankondigingen kort of laat ze achterwege. En met onvervalst Rotterdams accent, zodat zelfs de laatste twijfelaar ervan overtuigd raakt dat Rats On Rafts echt niet van de overkant van het Kanaal afkomstig is. Klap- en slotstuk van de set is het ook “The moon is big” afsluitende nummer “Jazz” dat na een minuut of tien overgaat in een opwindende cover van Suicide’s “Ghost rider”. Na afloop mag DJ Har een poging wagen om de nog verder uitgedunde zaal te vermaken met new wave plaatjes van weleer. Drummer Joris laat zich een paar nummers op de dansvloer zien en daarna wordt het pijnlijk leeg. Zonde, want Rats On Rafts had een volle zaal verdiend. Als de band dit niveau weet te behouden, dan is dat slechts een kwestie van tijd.

Meer foto’s hier!

donderdag 1 maart 2012

Simple Minds - Amsterdam : Paradiso : zaterdag 18 februari 2012

Een week of drie geleden stond ik in een uitverkocht Paradiso te kijken naar Echo & The Bunnymen die hun eerste twee albums (bijna) in hun geheel ten gehore brachten. Zoals ik in het verslag van dat concert al aangaf, hier te lezen, is het integraal uitvoeren van platen, veelal ‘mijlpalen’, ‘klassiekers’ of ‘het beste uit het oeuvre’, een trend geworden. Met Echo nog vers in het geheugen dient zich de volgende band aan die bij genoemde trend aanhaakt: Simple Minds. Ook zij vierden hun hoogtijdagen in de jaren tachtig en ze werden ooit gerekend tot ‘new wave’. En net als bij EATB resteren van de  oorspronkelijke bezetting nog slechts de zanger en de gitarist, in dit geval Jim Kerr en Charlie Burchill. Maar waar Echo & The Bunnymen het hielden bij hun eerste twee platen, gaan Simple Minds maar liefst voor de eerste vijf albums, van debuut “Life in a day” (1979) tot en met “New gold dream (81/82/83/84)”. Niet in hun totaliteit, want dat zou wel een erg lange avond worden, maar vijf nummers van elke plaat. Vandaar “5x5”, de naam van de Europese tournee waar dit optreden in Paradiso onderdeel van uitmaakt, en die gekoppeld is aan de release van een box met de geremasterde albums.

Met uitzondering van “Life in a day”, waar ik eerlijk gezegd warm noch koud van word, heb ik de uitverkoren albums hoog zitten. Ze markeren dan ook de artistieke hoogtijdagen van Simple Minds. “Real to real cacophony”  had ik aanvankelijk jarenlang slechts op een cassettebandje, opgenomen door iemand die de LP destijds had gekocht. Wat er op de andere kant stond, weet ik niet eens meer, want ik spoelde gewoon weer terug. Aan gort gedraaid dus. Het kopen van een ticket voor deze avond was daarom een ‘no brainer’. Natuurlijk wilde ik er bij zijn. Maar ja, het viel wel samen met carnaval. En dan moet je als fervent vierder een keuze maken. Gelukkig was er ook de mogelijkheid om beide te combineren. En zo sta ik overdag geschminkt en verkleed tussen ongeveer 20.000 anderen bij de Roermondse Sjtasiefestasie te ‘carnavalle’, om ’s avonds – na omkleden, afschminken en een veelal slapend doorgebrachte treinreis – mee te dromen in de muzikale ‘new gold dream’ van Simple Minds. Het vergt enige discipline en omschakeling, maar het is het allemaal meer dan waard.

Een voorprogramma is er niet, al kan de voorafgaande aan het concert  in de bovenzaal optredende singer / songwriter Peter Katz op meer publiek rekenen dan hij misschien zou hebben gedacht. De alleen met een akoestische gitaar gewapende Peter laat weten dat hij een nieuw Nederlands woord heeft geleerd – ‘gezellig’ – maar hoe sympathiek dat ook mag zijn, ik ben meer geïnteresseerd in het confisqueren van een plek met goed uitzicht op het hoofdpodium. Het is half negen geweest als het zaallicht wordt gedempt en een introtape wordt gestart bestaande uit een collage van ultrakorte, maar herkenbare stukjes uit het Simple Minds songoeuvre zoals het gitaarlijntje van “Changeling” of het synthesizerbegin van “Theme for great cities”. Dan valt weer eens temeer op hoe bepalend en belangrijk de bijdrage was van toetsenist Michael MacNeil, en dat alleen al op basis van die piepkleine fragmentjes. Ofschoon het artistieke verval van Simple Minds voor mijn gevoel werd ingezet met het vertrek van bassist Derek Forbes, ging het zowel commercieel als creatief gezien echt bergafwaarts na het ontslag van MacNeil. Overigens hebben Forbes en originele drummer Brian McGee er net een tournee opzitten tijdens welke ze Simple Minds hits ten gehore brachten! Het was mooi geweest als ze voor de gelegenheid met ‘5x5’ hadden meegedaan. Afijn, de partijen van Forbes en MacNeil worden gelukkig goed neergezet door respectievelijk Ged Grimes en Andy Gillespie. De muzikale reis door het verleden begint met het toepasselijk getitelde “I travel” dat de toon zet voor een geslaagd optreden.


Door de songs van de vijf albums kriskras doorelkaar te spelen wordt voorspelbaarheid voorkomen. Het blijft zo ook de vraag welke nummers van elke plaat zijn geselecteerd, al voelt iedereen op zijn klompen aan dat een aantal zijn verzekerd van een plek op de setlist zoals doorbraaksingle “Promised you a miracle”. Het concert is in drie stukken gehakt: na de eerste tien nummers is het tijd voor een kwartier durende ‘tea break’, vervolgens komen opnieuw tien liedjes aan bod, en tenslotte keert de band terug voor een uitgebreide ‘toegift’, die niet uit vijf maar zes nummers bestaat. Waarbij het totaal dus uitkomt op 26 in plaats van 25, zoals immers de uitkomst luidt van 5x5. Een mooi meegenomen ‘misrekening’ want hoe meer hoe beter. Het middenstuk van het concert is me het dierbaarst maar dat bevat dan ook alle songs van “Real tot real cacophony” met het drieluik “Changeling”, “Factory” en “Premonition” als persoonlijke uitschieters. De songs van “Empires and dance” en “Sons and fascination” / “Sister feelings call” zitten vol vitaliteit, omgeven door een sierlijke grandeur, en de belofte, hoop, positieve energie en verwondering die uit de plaatversies spreekt, komt ook live, na merendeels jarenlang op de plank te hebben gelegen, goed tot hun recht. Het vanavond  boven zichzelf uitstijgende “Love song” is daar misschien wel het beste voorbeeld van. En meesterlijk mooi is “Theme for great cities”, een van de beste instrumentale nummers ooit gemaakt. Dat de albums niet in hun geheel aan bod komen, houdt in dat er songs zijn afgevallen die ik graag op de setlist had zien prijken zoals “Careful in career” en “Boys from Brazil”, maar ik kan er mee leven.

In tegenstelling tot Ian McCulloch die aan zijn microfoonstandaard leek te zijn vastgeplakt en het licht schuwde, beweegt Jim Kerr zich over het podium alsof hij aan een tweede jeugd bezig is. Goed bij stem, dansend, het publiek bespelend, klappend, zwaaiend met zijn armen, gretig uitgestoken handen van het publiek aanrakend en af en toe gaat hij er zelfs bij hurken of liggen. Dat laatste niet uit vermoeidheid maar om het effect. Het publiek heeft er zin in, en het lijkt ook te beseffen waar het deze avond om draait. En ofschoon dit niet te vergelijken valt met carnaval vieren zoals ik enkele uren eerder nog deed, krijg ik er vanavond wel hetzelfde ‘YES!’ gevoel bij. Sommige bezoekers zullen ongetwijfeld verwachten dat de band er nog wat hits tegenaan gooit, stammend uit de periode na “New gold dream”, maar gelukkig houden Simple Minds vast aan het concept en gaan ze niet verder dan 1983. “Celebrate!” zingt Jim Kerr in het gelijknamige nummer, en gelijk heeft hij, want het is een glansrijke viering van de meest relevante, beste en creatief piekende carrièreperiode van de band. De droom mag dan niet meer nieuw zijn, maar het goud blinkt onverminderd. Een new gold dream die vanavond weer even werkelijkheid werd.


Setlist: I travel * Thirty frames a second * Today I died again “* Life in a day * Hunter and the hunted * Wasteland * This fear of gods * Love song * Pleasantly disturbed * Room * (part 2) The American * 70 cities as love brings the fall * Sons and fascination * Calling your name * Changeling * Factory * Premonition * Scar * Promised you a miracle * Someone somewhere in summer time * (toegift) Theme for great cities * Celebrate * Glittering prize * Someone * Chelsea girl * New gold dream (8-82-83-84)

Meer foto’s hier!

woensdag 15 februari 2012

Azari & III - Amsterdam : Paradiso : vrijdag 10 februari 2012



Drie keer is scheepsrecht, zo luidt het gezegde, en dat gaat vanavond op. Want twee keer eerder kreeg ik de kans om Azari & III live te aanschouwen (o.a. op Pukkelpop 2011, maar dat werd om inmiddels bekende reden afgelast), maar pas bij deze derde keer is het raak. En dat ook nog eens ‘gratis’, want met een ticket voor het in de bovenzaal van Paradiso spelende Howler op zak, heb ik vanavond automatisch toegang tot de grote zaal waar Azari & III spelen. De naam staat voor Dinamo Azari en Alphonse Alixander Lanza III, de twee muzikale motoren achter deze band uit Toronto. Ook letterlijk staan ze – Dinamo (zwarte hoodie, bril) en Alphonse (zonnebril, een ska meets Quadrophenia outfit) – op de achtergrond, want de twee flamboyante zangers Cedric Gasaida met zijn tot de grond rijkende hoofdsjaal en Fritz Helder in multicolour broek zijn als blikvangers naar voren geschoven. Een verstandige keuze want enkel de aanblik van Dinamo en Alphonse die de elektronische beats, bliepjes en synthesizerklanken uit hun keyboards, pc’s, ‘drumpads’ en andere apparatuur toveren, is niet erg boeiend. Gelukkig is de muziek dat wel. 

De inspiratie voor hun dansopwekkende muziek heeft Azari & III hoorbaar gehaald uit jaren 80 en 90 house. En dat roept soms bepaalde herinneringen op bij iedereen die het bewust heeft meegemaakt en er destijds voor openstond. Niet dat ik zelf zo’n housekenner ben, en dat hoeft ook niet, om te horen uit welk vaatje Azari & III tapt. Dat vaatje delen ze trouwens met Hercules And Love Affair, met wie ze dan ook de meeste overeenkomsten vertonen. In kwaliteit ontlopen ze elkaar niet eens zoveel, al ben ik zelf van mening dat laatstgenoemde toch net de betere nummers heeft. Een song van het kaliber “My house” bijvoorbeeld, van HALA’s tweede album “Blue songs” (2011), en dat ik de band vorig jaar bij toeval – lang verhaal – in een staat van lichte euforie live zag spelen in Leeds, ontbreekt nog in het oeuvre van Azari & III. Maar laat ik niet flauw doen, want de band die een half jaar of wat geleden in de bovenzaal aantrad en nu is gepromoveerd naar de goed gevulde grote zaal, kan zich beroepen op een aantal aanstekelijke tracks. Wat mij betreft springen “Manic” en “Hungry for the power” eruit, maar welk nummer de band ook speelt, het enthousiasme van het swingende en met soulvolle stemmen gezegende zangduo Cedric en Fritz laat niet af.

Met alleen een uitvergroting van de eerlijk gezegd niet echt aansprekende albumhoes als backdrop is de aankleding van de bühne kaal. Het ‘showelement’ moet komen van Cedric en Fritz en die hebben daar weinig meer voor nodig dan min of meer synchrone danspassen – die op instemmend gejuich van het publiek kunnen rekenen – en aansporingen richting toeschouwers. En ja, die liedjes dus, die zoals eerder aangegeven gedrenkt zijn in housemuziek uit vervlogen tijden, maar toch ook voldoende in het heden staan, al is het maar met een paar tenen, om niet te worden gebrandmerkt als louter pastiche of een klakkeloze herhaling van het verleden. Want daar spreekt uit de nummers en de uitvoering ervan toch teveel oprechte liefde voor het genre. Het publiek, voor zover nog niet uitgedanst, kan in ieder geval na afloop met een goed gevoel naar ‘house’ gaan.

Meer foto’s hier!

zondag 12 februari 2012

Howler - Amsterdam : Paradiso : vrijdag 10 februari 2012

Een klein jaar geleden stond ik in de bovenzaal van Paradiso in afwachting van het Nederlandse podiumdebuut van The Vaccines, de band die door de Britse pers, NME voorop natuurlijk, was gekroond tot de redders van de (indie) gitaarmuziek. Een kroon die overigens gedeeld werd met Viva Brother, toen nog Brother geheten, maar die naam mag inmiddels vergeten worden. Die band had wel de grootspraak maar niet de liedjes, en daar gaat het uiteindelijk om. Afijn, The Vaccines konden me die avond niet echt overtuigen. Een valse start die in de loop van 2011 meer dan werd goedgemaakt want The Vaccines loste de belofte in. 2012 moet het jaar van Howler worden, als we diezelfde pers moeten geloven. Is enige scepsis op zijn plaats? Staat Howler een carrièretraject te wachten à la The Vaccines of gaat het de kant op van Viva Brother? Het eerste, zo vermoed ik sterk, ik durf er zelfs een weddenschap op af te sluiten. Het amper een maand oude debuutalbum “America give up” is misschien dan geen klassieker maar wel verdomd smakelijk, fris en to the point. De invloeden druipen er van af maar het is de kunst om die naar je toe te trekken. En dat kunstje heeft kersverse twintiger Jordan Gatesmith, oprichter en songleverancier van Howler, goed onder de knie want de plaat mist zijn uitwerking niet. Dat de band het ook live weet te brengen, bewijzen ze vanavond in Amsterdam.

Het concert is niet uitverkocht, wat je op grond van alle loftuitingen misschien zou mogen verwachten. Tien minuten voor aanvangstijd loop ik moeiteloos naar voren tot ik bij het podium ben gekomen. Daar staan een stuk of vijf meisjes – hooguit een jaar of dertien – die giebelend in blijde opwinding wachten op de komst van de band. Even later treedt de wet in werking die bepaalt dat de in lengte langste toeschouwer vlak voor aanvang pal voor me gaat staan. Hij is niet alleen want vergezeld door eega en twee zoontjes, nog wat jonger dan de al genoemde meisjes. Ik hoor ze praten over The Strokes, terwijl ik een nieuwe positie inneem die voorkomt dat ik naar een rug sta te kijken. Pa waagt zich later aan een dansje, onder goedkeurend oog van vrouwlief. Afijn, Howler, voor jong en oud dus. Zelf zijn ze ook nog redelijk jong: allemaal rond de twintig jaar. Met dik tien minuten vertraging komen ze het trapje opgelopen dat leidt naar de bühne. Drummer Brent Mayes tikt af en weg zijn ze, scheurend over onverharde muzikale ‘backroads’.

De enige keer dat even gas wordt teruggenomen gebeurt met “Too much blood”, dat dezelfde bitterzoete smaak heeft als “Psychocandy”. “Beach sluts” begint relatief rustig, doch dat is slechts stilte voor de storm. Sowieso krijgt het songmateriaal in de live uitvoering extra ‘schwung’ mee bijvoorbeeld in “America”. Opgevoerde surfrock, The Strokes via garagepunk en de rammelrock van The Libertines: het zijn enkele dragende muren waar de liedjes van Howler op zijn gestut, maar die van een fris likje verf zijn voorzien. Behalve de liedjes is er ook de uitstraling. Howler ziet eruit als een jongensclub waar je lid van zou willen worden, altijd een goed teken. Niet eens retecool en minder uniform dan bijvoorbeeld The Strokes in hun begindagen, maar het totaalplaatje klopt. De slungelachtige Jordan, die behoorlijk wat wegheeft van acteur Jon Heder, bassist Jay Simonson met zijn ter kniehoogte grote scheur in zijn spijkerbroek, de ongeschoren toetsenist Max Petrek met zijn kekke petje, de haarlok van gitarist Ian Nygaard en de al genoemde Brent die het presteert om tijdens een nummer lekker nonchalant met één hand te drummen en met de ander een blikje bier aan zijn mond te zetten. Tot hilariteit van de rest natuurlijk.

Over de later op de avond spelende band I Break Horses laat Jordan weten dat hij in eerste instantie de naam verkeerd had verstaan: I Rape Horses. Want ja, ‘break’ en ‘rape’ klinken in het Engels nou eenmaal op elkaar, verontschuldigt hij zich. Het leidt tot een ‘running gag’ wanneer een toeschouwer het woord ‘rape’ te pas en te onpas laat vallen (lees: schreeuwt), en de band daar weer vervolgens op reageert. Howler speelt iets van een half uur, ongeveer net zo lang dus als “America give up” duurt. “I told you once” en de uiterst aanstekelijke single “Back of your neck” – waar vooral die meisjes op lijken te hebben gewacht, en wat dansen ze aandoenlijk – sluiten de boel af. Geen toegift. Het had best iets langer gemogen, maar eigenlijk was dit precies goed. Je moet publiek niet verzadigen, maar hongerig laten blijven. Doen verlangen naar meer. En dat doet Howler deze avond. Gelukkig staat onze volgende ontmoeting al vast, want ze zijn geboekt voor London Calling. Zeker weten doe ik het niet, maar het lijkt me hoogstwaarschijnlijk dat ze op Pukkelpop en Lowlands te zien zullen zijn. En Pinkpop, waarom ook niet? Ik zeg: ga vooral kijken. Want dit is tot nu toe het leukste gitaarbandje van 2012!

Meer foto’s hier!

vrijdag 10 februari 2012

Januari 2012

CD’s

The Internet komt voort en maakt deel uit van het veelbesproken, controversiële rap collectief Odd Future, waar ik overigens tot op heden geen enkele affiniteit mee heb gehad. Voor The Internet, bestaande uit OF leden Sydney ‘Syd Tha Kid’ Bennett en Matthew ‘Matt Martians’ Martin, geldt het tegenovergestelde want het moet raar lopen wil “Purple naked ladies” mijn eindejaarslijst niet halen. Ik noem het – vast als enige – ‘lavalamp soul / hiphop voor de 21e eeuw’; het is hoe de muziek zich lijkt te bewegen: ondoorgrondelijk, vloeiend en fascinerend. En heel erg van nu, eigenzinnig wijzend naar de toekomst. Wat dat betreft zou Odd Future een toepasselijker naam zijn voor The Internet. De songs zijn losjes ineengevlochten, met onverwachte wendingen, zoetgevooisde vocalen met flarden van of verknipte stemmen, van warme tot bewust wankelende keyboardpartijen, experimentele probeersels, en verschuivende tonen en structuren zoals te horen op “C*nt” en “She dgaf”. Leve het internet!

Altijd spannend, wanneer de nieuwste revelatie / sensatie / redders van (gitaar)muziek wordt aangekondigd. De eer valt ditmaal te beurt aan het jonge kwintet Howler met aanjager Jordan Gatesmith als onbetwiste spil. Met zo’n opgelegde druk wordt niet slechts een goed, maar een exceptioneel goed album van je verwacht. Dat is hier teveel gevraagd, maar je hoeft niet uitzonderlijk te zijn om boven het maaiveld te kunnen uitsteken. En dat doet Howler dan weer wel, dankzij elf uptempo liedjes met pit die nooit langer duren dan noodzakelijk is en op smaak zijn gebracht met kloddertjes Strokes, Ramones (“Black lagoon”), The Replacements en The Jesus And Mary Chain (“Back to the grave”).

Hun debuutsingle “X-Ray” (2005) vond ik ooit goed genoeg om aan te schaffen, net als enkele daaropvolgende singles in het verdere verloop van hun carrière. En toch wilde ik maar niet aan de albums. “Given to the wild” brengt daar verandering in, te goed om te laten passeren. Je kunt aan alles horen dat het warme, gloedvolle “Given to the wild” ambitie ademt, hetgeen in het creatieve proces goed tot uitdrukking is gekomen. Het is de plaat die Coldplay na “A rush of blood to the head” had moeten maken. Wat dat betreft maken The Maccabees de grote sprong voorwaarts, ver weg van wat ik ooit als een variant op The Futureheads en Good Shoes etiketteerde, getuige songs als “Child”, “Forever I’ve known”, “Feel to follow” en “Glimmer” die deel uitmaken van de meest sterke, eerste helft. In 2010 stonden ze al eens (voor het eerst) op Pinkpop. Hopelijk vraagt Jan ze terug. 

Carney is een vanuit Los Angeles opererende band vernoemd naar de broers Reeve (zang, gitaar) en Zane Carney (gitaar), gecompleteerd met hun vrienden Aiden Moore en Jon Epcar op resp. bas en gitaar. De invloeden zijn eenvoudig traceerbaar: Jeff Buckley (“Love me chase me”, “Tomorrow’s another day”), Queen (“There she goes”), Led Zeppelin (“Testify”) en The Black Crowes, om er enkele doch belangrijke te noemen. En bijna overal sijpelt wel iets van bluesrock doorheen. Wie bij beluistering van “Mr. Green” het idee krijgt het al eens eerder te hebben gehoord, heeft dan ook gelijk, maar de gretigheid, de frisheid en het charisma dat van het songmateriaal afstraalt en de manier waarop de band ermee aan de haal gaat, doet dat ‘bezwaar’ al gauw verbleken. Reeve eist een natuurlijke hoofdrol op, iets waar zijn parallelle carrière als musicalster vast mee te maken heeft, maar ook zijn broer laat zich niet onbetuigd met krachtig en overtuigend gitaarspel. Reden genoeg om uit te kijken naar volume two.

Een goedmaker want deze LP (geen CD dus, want alleen op vinyl verkrijgbaar, maar je krijgt bij aankoop wel de downloadversie erbij inclusief bonustrack) had ik vorig jaar al aangeschaft doch onterecht vergeten bij mijn luistertips, dus nu alsnog onder de aandacht gebracht.  Verdiende aandacht want dit vind ik momenteel de beste band van vaderlandse bodem, uit Rotterdam om precies te zijn. Inspiratie haalt ROR met hun stekelige, hoekige liedjes uit new wave / postpunk bandjes zoals The Cure circa “Three imaginary boys”, Echo & The Bunnymen anno “Crocodiles”, The Fall en stadsgenoten Kiem. Hoogtepunten zijn de single met eenvoudig meezingrefrein “Lalalala”, “Plastic plaster” en “The moon is big”. Binnenkort in Sittard te zien, dus weet wat je te doen staat!

Dit album werd oorspronkelijk gratis weggegeven als download maar nu is er ook een fysieke versie van te verkrijgen, pas nadat vierde plaat “D” het licht zag. Dit is dus White Denims derde album en persoonlijk veruit te prefereren boven het vermoeiende muzikale gefreak en het gebrek aan echte liedjes waar de opvolger zo onder te lijden heeft. “Last days of summer” mag dan ook wel moeilijk nafluitbare nummers bevatten, maar hun lichtvoetigheid en de bedrieglijke ‘laidback’, uit de losse pols sfeer – want er schuilt een uitstekende technische beheersing en creatief vernuft achter – maakt dit album tot een prettige luisterervaring. Als fraai pastelgetinte vlinders fladderen de songs voorbij, luister bijvoorbeeld naar het instrumentale duo “Incaviglia” en “Light light light” of de verkoelende bris van “I’d have it just the way we were”.

De bandnaam doet suggereren dat we een plaat mogen verwachten met bepaald niet fijnbesnaarde klanken, rudimentair, banaal, beetje fout zelfs. Een misvatting want “Ester” is het resultaat van een eclectische muzikale smaak en kennis en verfijnde creativiteit. De band uit Londen is niet voor één gat te vangen. “Strangling good guys” stroomt tussen Lush, Cocteau Twins en My Bloody Valentine, The Raveonettes en Julee Cruise komen samen op “Wish you were red” en “Candy girl”, “Engelhardt’s Arizona” de zegen van Animal Collective mag verdienen, en “Los angered” zou een mogelijk volgende fase van Dum Dum Girls kunnen zijn. Interessante plaat.

The Men. Het klinkt lekker stoer en simpel. En die naam is goed gekozen, want “Leave home” is muziek voor mannen. Bruut, hard en geen gelul. Wel veel geschreeuw. De noiserock van het viertal uit Brooklyn dendert als een opgevoerde bulldozer door het muzikale landschap heen. “L.A.D.O.C.H.” is een log monster uit de stal van Swans, en op “( )” wordt Spacemen 3 (“Revolution”) geciteerd. In “Night landing” wordt een new wave band op de hielen gezeten door een stel schuimbekkende punkers. De textuur van de plaat bevat ook laagjes Big Black, Scratch Acid en Black Flag. Muziek voor en door mannen dus. Stoere mannen. 

Welke toekomst ziet The Big Pink voor zichzelf in het verschiet met hun tweede plaat? In ieder geval een ruk naar rechts want “Future this” is beduidend meer popgericht, opgewekter en minder zwaar dan zijn voorganger. Maar je kunt ook doorschieten natuurlijk, en dat is hier aan de hand. De twee songs waar de plaat mee opent ,“Stay gold” en “Hit the ground (Superman)”, zijn duidelijk geënt op “Dominos”, maar blijven minder lang hangen. “Give it up” en “Rubbernecking” hadden voor een boyband geschreven kunnen zijn, en uitgezonderd het gruizige “1313” slaagt de rest van “Future this” er niet in om echt te willen beklijven. Het album heeft zijn momenten, aardig genoeg om een song in eerste instantie het voordeel van de twijfel te geven, doch niets van dien aard dat je het anderen zou durven aanraden. En dat zal vast niet ‘the future’ zijn die TBP voor ogen moet hebben gehad.

Singles

Oorspronkelijk was  “Hookworms” alleen verkrijgbaar op audiocassette in een oplage van 150 stuks! Heel erg indie, exclusief en DIY maar daar bereik je natuurlijk niet veel mensen mee, ook al raakte de cassette uitverkocht. Gelukkig heeft dit kwintet uit Leeds dat ook ingezien, dus nu is er deze op vinyl uitgebrachte EP, en je krijgt er een code bij voor de digitale, gratis te downloaden versie. Een goede zet want dat biedt extra passagiersruimte voor een reis door het spacerock – Krautrock – drone universum, waar nog steeds het licht van dode sterren schijnt met namen als Spacemen 3 en Loop en we de relatief nieuwe planeet Wooden Shjips aandoen. “Medicine cabinet” maakt de titel waar, alsof iemand teveel uit het medicijnkastje heeft gesnoept, net als “I have some business out west”.

Net als het hierboven besproken Hookworms is Younghusband door NME over het hoofd gezien in hun maar liefst 100 tellende muzikale tips voor 2012. Dan doe ik dat maar want na een eerste, prima single (“Carousel”) laat de band dit keer van zich horen met een opnieuw kwalitatief sterke release. Het betreft een EP met vier nummers, waar The Stone Roses in Strawberry Fields rondwaren (“Tropic of cancer”), The Horrors een stevige hand wordt gegeven in “Reunion message” en we lichtelijk bedwelmd raken dankzij de zweverige, psychedelische popwalmen van “Neon heartbreak”.

De oorspronkelijke 300 stuks tellende uitgave van het debuut van Toy, een 12” op het Heavenly label, is al uitverkocht. Een tweede persing biedt uitkomst, net als de gratis, legale download. Zeker doen, want het kwintet uit Londen maakt indruk met het bijna acht minuten klokkende “Left myself behind”, met de primaire Krautrock kleuren van The Horrors op het canvas aangebracht, toewerkend naar een climax. B-kant “Clock chime” mag er ook wezen, met zijn zo nu en dan aanzwellende S.C.U.M.-achtige synthesizerklanken. Een beloftevolle band.

Eveneens een goedmaker (zie hierboven bij Rats On Rafts) want ook op deze release moet de spotlight worden gevestigd. De zusjes Hannah en Colette Thurlow, want zij zijn 2:54, brachten in 2011 hun niet onaardige debuutsingle uit doch ze wisten me live niet te overtuigen op London Calling. Overtuigen doen ze nu wel met deze 10” EP die vier songs die niet voor elkaar onder doen, al genieten “Wait/awake” en “Got a hold” een lichte voorkeur. Dit is zwoele en verleidelijke indierock – denk in de richting van een alliantie tussen Warpaint, shoegazepop en de broeierige momenten van The Duke Spirit – met bijpassende sensuele zang (dankzij Colette). 

Het race circuit van Little Racer bevindt zich in Brooklyn, en achter het stuur zitten drie mannen. Ze zijn op weg naar de kust, zoals de songtitel al aangeeft, hebben er zin in en zo klinkt het liedje ook. Met een jengelend gitaartje dat de richting aangeeft, zorgeloos tuffend naar een bestemming waar lo-fi garagepop met de zilte geur van Beach Boys op ze wacht.                    

Verse melk, want pas de tweede single, van Theme Park, maar als je de ingrediënten op het pak bekijkt dan is goed te lezen is het hoofdbestanddeel wordt gevormd door een band die al een jaar of twintig niet meer bestaat: Talking Heads. Voor melkverzuring hoeft echter niet te worden gevreesd, want “Milk” smaakt funky, dansbaar en fris. Een imitatie van de neurotische stem van David Byrne blijft wijselijk achterwege.

Voor zover mij bekend is “Teen jamz”, een EP met vijf nummers, het eerste wapenfeit qua fysieke output van deze band uit Brighton, gecentreerd rondom Sam McGarrigle. Qua productie is gekozen voor een lo-fi aanpak, die onder meer tot uitdrukking komt in de taperuis die je aan het begin en einde hoort van de glamrock / indie poprock liedjes met trekjes psychedelica en chillwave. Een aparte mix waarin The Flaming Lips het doen met T-Rex, en Ariel Pink met Mott The Hoople. De stem van Sam klinkt vreemd en vrouwelijk, lichtelijk vervormd denk (en hoop) ik toch. Zolang het intrigerende liedjes oplevert als “Sweetest touch”, vind ik het best.

Deze band heeft zich vernoemd naar de gelijknamige, door Syd Barrett gepende, Pink Floyd song, en net zoals de eigenzinnige artiest dat ooit deed, verkent dit viertal uit Londen liever kronkelige wegen dan gebaande paden. Ik houd ze al een tijd in de gaten, en dat valt niet mee omdat ze onder de radar opereren en slechts sporadisch opduiken. “Spindle”, eigenlijk alweer voorbij eer je er erg in hebt, hoort thuis in een niet gesubsidieerde ‘art punk’ omgeving. Alsof je The Slits twee nummers door elkaar hoort spelen.

zondag 22 januari 2012

Echo And The Bunnymen / Coves - Amsterdam : Paradiso : zaterdag 21 januari 2012


Ooit was het integraal spelen van ‘klassieke’ albums door de makers ervan een noviteit, maar in de loop der jaren is het een bijna vertrouwd onderdeel geworden van de concertagenda. Zeker voor bands die hun topjaren al lang en breed achter zich hebben liggen, is het een doorgaans lucratieve manier geworden om zichzelf weer in de schijnwerpers te zetten en tegelijkertijd het publiek, meestal behorend tot de oudere jongeren of een tandje hoger, een nostalgietrip te bezorgen. De afgelopen jaren heb ik er  dankbaar gebruik van gemaakt, met uitvoeringen van onder andere de eerste twee albums van Buzzcocks, Killing Joke, Joy Division en “Love” van The Cult. Vanavond is het de beurt aan Echo And The Bunnymen die in een uitverkocht Paradiso hun debuut “Crocodiles” (1980) en de magistrale opvolger “Heaven up here” (1981) ten gehore brengen. Jammer genoeg niet in de originele bezetting wat overigens ook niet mogelijk was geweest aangezien drummer Pete De Freitas in 1989 omkwam tijdens een motorongeluk. En oud-bassist Les Pattinson maakt al jaren liever boten. Gelukkig heb ik ze in de jaren tachtig nog in de oorspronkelijke line-up mogen meemaken. E&TB is anno 2012 op de planken uitgegroeid tot een sextet, met zanger en frontman Ian McCulloch en gitarist Will Sergeant als enige originele bandleden.


Voordat de tijdmachine in werking wordt gesteld, blijven we nog even in het heden met een voorprogramma namens Coves, die een half uur later dan aangekondigd – dat belooft niet veel goeds – h
un opwachting maken. Coves is een duo bestaande uit vocalist Beck Wood (lang haar, tamboerijn, heeft iets 60er jaren over zich) en zingende gitarist John Ridgard die graag een ‘twang’ uit zijn instrument mag halen . De rest van de muziek komt uit een doosje. Het doet me nog het meest denken aan Raveonettes waar ze derhalve een geschikte support act voor zouden zijn geweest. Of ze de status van support act gaan overstijgen is de vraag, want echt opmerkelijk is het allemaal niet. “Cast a shadow” is bijvoorbeeld een aardige song, maar het wil uiteindelijk niet beklijven.

Ondanks het te laat gestarte voorprogramma, beginnen E&TB met slechts tien minuten vertraging. Het licht wordt gedimd, de introtape wordt gestart en één voor één komen de bandleden de bühne op, Ian uiteraard als laatste. Als backdrop is, wat voor de hand had gelegen, niet gekozen voor de albumhoezen van de te spelen twee platen. In plaats daarvan bestaat de aankleding uit camouflagenetten, precies zoals de band dat ruim dertig jaar geleden deed. De belichting is spaarzaam: zo blijft Ian gedurende het hele concert vaak niet meer dan een zwarte silhouet. Heel af en toe verschijnt ter hoogte van zijn gezicht een rood lichtpuntje van een aangestoken sigaret, want op het podium geldt blijkbaar geen rookverbod.  Ian blijft achter zijn microfoon staan en maakt tussen de nummers door vaker niet dan wel verstaanbare opmerkingen. Ik krijg in ieder geval mee dat hij oprecht blij is weer terug te zijn in Paradiso, en zo is ook zijn dank gericht aan het publiek dat “The disease” van ritmisch geklap voorziet. Qua show valt er weinig te beleven maar dat geeft niets, want de concerten moeten het van de songs hebben en die hebben zich al lang en breed bewezen. Ze mogen dan wel drie decennia oud zijn, maar voor mij zijn ze tijdloos gebleven.


Debuutalbum “Crocodiles” wordt zonder oponthoud uitgevoerd. Geen onnodig rekken of andere fratsen, en trouw aan de plaatversies zoals iedereen ze kent. Alleen in “Villiers terrace” neemt de band een kort uitstapje naar “Roadhouse blues” van The Doors, als een soort eerbetoon aan een van hun invloeden. Single “Rescue” wordt met veel gejuich onthaald, zelf kick ik nog het meest op “Monkeys” en “Crocodiles”. Overigens wordt de samenstelling van het oorspronkelijke album gehandhaafd, want op sommige latere uitgaven is “Do it clean” opgenomen, dat dus vanavond niet wordt gespeeld. Hoe dan ook, ik geniet met volle teugen. Nadat de plaat met “Happy death men” is geëindigd, kondigt Ian aan dat “Heaven up here” gaat worden gespeeld… en vervolgens marcheert de band het podium af! Wat volgt is een kwartier durende pauze, kennelijk nodig omdat “Heaven up here” wat technische aanpassingen in de setup vergt. Ik zie een paar roadies wat andere gitaren neerzetten, iets met de setlist doen, een handdoek of fles water verversen, en begin me af te vragen of dit onverwachte intermezzo, wat de vaart uit het concert haalt en de roes doet oplossen in vol zaallicht, wel echt nodig is. Of zouden vijftigers Ian en Will het soms fysiek niet meer trekken om zo’n twee uur non-stop op te treden?  Het zal niet het enige vraagtekens oproepende moment van de avond blijken te zijn…

Hoogtepunt van new wave klassieker “Heaven up here” is “Over the wall”, waarvan de titel door sommigen al driftig wordt geschreeuwd voordat het goed en wel begonnen is. Het is dan ook een van hun beste nummers, zo niet hét beste wat ooit uit E&TB is voortgekomen. Imponerend, mysterieus, overweldigend. Ik zal het zelf meer als tien jaar geleden voor het laatst live gehoord hebben. Eveneens sterk is “Show of strenght” en “All my colours”, ook wel “Zimbo” geheten, wordt met enthousiast gejoel onthaald. Maar na de uitvoering van laatstgenoemde gebeurt er iets merkwaardigs: de band verlaat opnieuw het podium. Weer een technische dan wel plaspauze? Hoe dan ook is de timing vreemd, want “Heaven up here” telt nog drie nummers: “No dark things”, “Turquoise days” en “All I want”. Komen die dan als toegift aan bod? Het antwoord stelt teleur: ze worden simpelweg genegeerd en overgeslagen. Naar het waarom kan alleen gegist worden, maar als je een album integraal gaat uitvoeren, dan verwacht ik dat het van A tot Z wordt gespeeld, en niet van A tot P. De band komt weliswaar terug, tweemaal zelfs, maar de toegiften vallen onder de categorie ‘hits’ en hebben verder geen relatie tot “Crocodiles” en “Heaven up here”. Dan zouden “Do it clean”, “Read it in books” en “The puppet” toch logischer zijn geweest. En zo eindigt de avond toch een beetje verwarrend en met een kleine teleurstelling, wat overigens niet wegneemt dat het over de gehele linie erg de moeite waard is geweest en ik het niet had willen missen. En ach, vierde album “Ocean rain” (1985) is enkele jaren geleden ook al eens in zijn geheel gespeeld, zij het incidentele keren, dus als ze die in de toekomst nou op tournee nemen, dan wil ik die missers van vanavond best door de vingers zien.


Setlist: Going up * Stars are stars * Pride * Monkeys * Crocodiles * Rescue * Villiers Terrace *  Pictures on my wall * All that jazz * Happy death men * Show of strength * With a hip * Over the wall * It was a pleasure * A promise * The disease * All my colours * (toegift 1) The killing moon * The cutter * (toegift 2) Nothing lasts forever * Lips like sugar

Meer foto’s !