woensdag 17 oktober 2012

Juli 2012

CD’s

MAXÏMO PARK – The national health
De vijf heren uit Newcastle zijn terug met een vierde album en de titel ervan roept bij mij meteen de vraag op: hoe is het gesteld met de muzikale gezondheid van de band? Niet dat MP nou een bedlegerige patiënt is geworden, maar feit is dat de perfect blakende toestand van debuut “A certain trigger” gevolgd werd door platen waar her en der kwaaltjes begonnen op te spelen. Kwalitatief minder dus, niet slecht maar met momenten van stilstand of erger: achteruitgang. Afijn, hoe luidt de diagnose van “The national health”? Na een kort, stemmig, door piano en cello begeleid begin (“When I was wild”), schiet de band met de titeltrack voortvarend uit de startblokken om uiteindelijk overtuigend en met gierende banden (knaller “Waves of fear”) de finish te bereiken. Tussen beide punten treffen we veel compacte, volgens beproefd (dokters)recept voorgeschreven tracks aan, vrijwel zonder uitzondering vlot en uptempo van aard zoals “Wolf amongst men”, “Hips and lips” en “Banlieue”. Conclusie: deze patiënt is volkomen genezen verklaard want “The national health” komt qua impact nog het dichtst in de buurt van genoemd debuut. Op hun gezondheid!  

GAZ COOMBES – Here come the bombs
Supergrass is dood, leve Gaz Coombes! Mag ik dat zo zeggen? Ja, dat mag ik zo zeggen. (copyright Mart Smeets). Want ondanks dat elk Supergrass album wel garant stond voor één of meerdere pakkende singles (koop vooral “Supergrass is 10”, hun hitscompilatie!) , werd met het oplopen van de discografie elke plaat als geheel net weer even wat minder dan de vorige, ook al was er steeds sprake van muzikale groei. Een moedig besluit om in 2010 de stekker eruit te trekken. Nu is zanger / gitarist Gaz (Gareth voor zijn moeder) op het solopad en daar is meteen die frisheid terug die het beste werk van zijn vroegere band kenmerkte. “Here come the bombs” barst van de creativiteit, vormt in al zijn diversiteit een eenheid en is stiekem het beste Supergrass album dat ze nooit maakten. Nou vooruit, na “I should coco” dan. Gaz is als een vis in het water, of het nou electrorock (“Break the silence”), psychedelische pop (“Universal cinema”), syntheziserpop (“Fanfare”), slaapliedjes (“Sleeping giant”) of eigentijdse indie (“Whore”) betreft. Laat die bommen maar vallen, Supergaz!

A PLACE TO BURY STRANGERS – Worship
Wie de vorige twee albums van APTBS heeft aangeschaft, kan met een gerust de aankoop van “Worship” doen. Aan de formule – noiserock volgens het My Bloody Valentine en The Jesus And Mary Chain principe – is namelijk niet zo gek veel gesleuteld. Gelukkig wel voldoende om niet te hoeven spreken van een simpele herhaling van zetten, want een aantal malen wordt het lawaai en/of het tempo teruggeschroefd als bewijs dat de band het niet alleen maar van herrie of snelheid hoeft te hebben om te kunnen overtuigen. Op zulke momenten sijpelen invloeden van The Cure en Joy Division meer door. Voor een stevige bak noise zijn we bij APTBS zoals gezegd nog steeds aan het goede adres. “Alone”, “Revenge” en “Why can’t I cry anymore” bijvoorbeeld zijn van die nummers die, live gespeeld, je rap naar de oordoppen doen grijpen.    

FIXERS – We’ll be the moon
Twee jaar geleden trok Fixers, een kwintet uit Oxford, mijn aandacht met het wonderschone “Amsterdam”. Dankzij YouTube overigens want het nummer werd maar niet officieel uitgebracht. Nu is het dan eindelijk te vinden op dit debuut, bijna ‘verscholen’ op driekwart van de plaat. Jammer, net als het feit dat de techno kant van de band (check “Egyptn aberration cult”, de B-kant van hun eerste single) een eenmalig uitstapje lijkt te zijn geweest. Waarmee niet gezegd is dat “We’ll be the moon” teleurstelt. Want het leeuwendeel van de plaat bestaat uit uitbundige Beach ‘Pet Sounds’ Boys pop via Animal Collective’s doorbraakalbum “Merriweather post pavilion” en dat levert dan niet misschien over de gehele linie iets moois op, maar beslist een aantal fonkeldiamantjes. Zo krijgt iemand met doodsdrift van “Crystals” weer levensvreugd, “World of beauty” doet vol weelderige gelukzaligheid zijn titel meer dan eer aan en wie zin heeft in een potje blijmoedige disco mag beslist “Swimmhaus Johannesburg” niet overslaan. 

FRIENDS – Manifest!
Op het London Calling festival in november 2011 maakte het uit New York afkomstige Friends nou niet de meest vertrouwenwekkende indruk, dus vriendjes worden zat er die avond niet in. Toch was er wel reden toe, vanwege het singles-duo “I’m his girl” en “Friend crush”, voorbeelden van het type punkfunk-disco-pop dat even aanstekelijk werkt op als buiten de dansvloer. Om gemakshalve met wat namen te strooien: Friends is bevriend met de muziek van Tom Tom Club, New Young Pony Club en Luscious Jackson. Genoemde singles zijn in het manifest opgenomen en daar bevinden ze zich in gezelschap van redelijk niveau. Beste maatjes zijn “Home”, “A thing like this”, “Va fan gör du” en postpunk track “Ruins”. Een aantal liedjes komen vriendelijk over, maar meer dan kennissen worden ze niet.

THE ENEMY – Streets in the sky
Na het artistiek mislukte, gezwollen “Music for the people” (2009) heeft The Enemy met album nummer drie iets goed te maken. Dat weet de band zelf als geen ander en dus is voor “Streets in the sky” gekozen voor pittige, Britse ‘working class’ indierock met meezingrefreinen, in de lijn van songs zoals die op het debuut te vinden waren (o.a. “Away from here”, “Pressure” en “Aggro”.) Voorbeelden te over, want luister maar eens naar “Saturday”, “1-2-3-4” (beiden met “Ooh ooh ooh” koortjes, doet het altijd goed) en het met blazers omlijstte “Turn it on”. Het is allemaal net zo vernieuwend, verfijnd en inventief als een gekookte aardappelen met doppertjes en een kipfilet maaltijd uit een bedrijfskantine, maar goed, het stilt de honger als je trek hebt en je eet het gelukkig ook niet iedere dag natuurlijk. “Streets in the sky” valt niet slecht, het is een geslaagde revanche op de voorganger maar om er enthousiast van te worden… nou, nee. 

Met terugwerkende kracht

MY BLOODY VALENTINE – Loveless
Voor een plaat die de titel “Loveless” meekreeg, kreeg het oorspronkelijk in 1991 uitgebrachte album ironisch genoeg alle aandacht en lof. Terecht, want het werd meteen herkend als een mijlpaal, een plaat waarop Kevin Shields, die nagenoeg alle muziek zelf maakte en daarmee de rest van de band in het wordingsproces nagenoeg buitenspel zette, als een ware geluidskunstenaar de grenzen opzocht van ‘shoegaze’. De plaat is als een collage van bewerkte gitaarlagen, in elkaar overvloeiend, smeltend, zweverig, onaards, hypnotiserend. Tijdloos pionierswerk waar anderen dankbaar inspiratie uit hebben geput. De persoonlijke hoogtepunten heten “To here knows when”, “Only shallow”, “I only said” en misschien wel mijn favoriete dansplaat ooit “Soon”.

Singles

OUTFIT – Another night’s dreams reach earth again
Ze waren al genoemd voor deelname aan het London Calling festival in mei jl. maar helaas vielen ze op een gegeven moment om mij onbekende redenen af. Zonde, want ik had ze graag gezien. Debuut “Two islands” was een smaakmaker en met deze uit vier songs bestaande EP worden de verwachtingen van de band uit Liverpool verder opgeschroefd. Vooralsnog staan ze niet zo in de schijnwerpers als collega nieuwkomers Peace, Savages of Palma Violets maar dat verdienen ze wel. Uitschieters zijn de gestroomlijnde, fluwelen, dansbare pop van “Drakes” die als stroop is voor de oren, en “Everything all the time”, een track die Friendly Fires wel had willen maken.

THE DALAÏ LAMA RAMA FA FA FA – You make me crazy
Zeg nou zelf: is bovenstaande bandnaam niet een van de grappigste die u de laatste tijd heeft gelezen? Ik vind althans van wel. En de immer goedlachse Dalai Lama himself zou er vast ook zijn duim voor opsteken. Het ligt misschien voor de hand te denken dat bij die naam grappig bedoelde muziek bij hoort, maar dit in Parijs huizende viertal is geen ‘lollige’ Band Zonder Banaan maar een serieus ingestelde Band Met Spacecake. Of andere geestverruimende middelen. Want zo klinkt “You make me crazy”, evenals B-kant “Sun”. Psychedelische rock met een trippende Eifeltoren. 

TOY – Motoring
Eén van de ontdekkingen van het jaar is het Britse Toy dat vorig jaar sterk debuteerde met single “Left myself behind”. Deze opvolger, Krautrockpop met psychedelische rafels, laat horen dat we niet met het speeltje van de week te maken hebben. 

DIRTY BEACHES – Dune walker
Een wandeling door de duinen met Dirty Beaches. Dan moet je op je hoede zijn. “Dune walker” is donker, onheilspellend en de schaduw van Suicide hangt als een gitzwarte wolk over het smerige, verlaten strand. In de verte wordt een saxofoon gewurgd, een gitaar zwelt aan als een storm die net op tijd gaat liggen maar elk ogenblik weer kan gaan oplaaien.

FLATS – Country
Of schreeuwzanger Daniel Devine nog steeds in de bajes zit vanwege een drugsvergrijp weet ik niet, maar voorlopig hoeven we van anarchopunkkwartet Flats nog geen oversteek van het Kanaal te verwachten richting country The Netherlands. Jammer, want op plaat spuit de woede en energie er vanaf, laat staan live.

DEVIN – You’re mine
Een vlot, met rasperige stem gezongen garagerock nummer dat aan komt gevlogen, met veel bravoure zijn punt maakt en zich weer snel uit de voeten maakt, als een ramkraak op een vinylshop gespecialiseerd in plaatjes gemaakt door snotapen. Het opsporingsbericht gaat uit voor Devin (Therriault).   

MILES KANE – Rearrange
“Rearrange”, dat bekend mag worden geacht van zijn vorig jaar verschenen album “Colour of the trap”, laat ik hier buiten beschouwing ten gunste van “Morning comes”, een snedig, uptempo nummer op het snijvlak van Arctic Monkeys en The Coral. Eigenlijk te goed om als B-kant door het leven te gaan.

THEME PARK – Two hours
Vanaf de begintonen is wel evident van welke band ze gecharmeerd zijn: Talking Heads”, zo schreef ik op dit weblog naar aanleiding van hun eerste single “A mountain we love”. Die omschrijving kan met “Two hours” de prullenbak in, maar ik liet destijds ook de termen ‘pop’ en ‘indie rock’ vallen. Daarmee druk ik me juist heel algemeen uit, en die vlieger gaat dan weer wel op. Want “Two hours” is een leuk liedje, daar niet van, maar als algemeenheid een rechte lijn is, dan gaat Theme Park links noch rechts.  

SHINIES – Shola
“Shola” is de tweede release van dit trio uit Manchester, dat qua sound weinig, zeg maar gerust niets, van doen heeft met de voorlopige muzikale erfenis die hun thuisstad heeft nagelaten. Shinies zou je eerder plaatsen in Amerika met hun bijna op maat gemaakte, door gitaar gedomineerde indie rock voor de radiostations van universiteiten aldaar. Vooralsnog met name geschikt om daar een minuut of drie aan zendtijd te vullen, meer ook niet.

dinsdag 16 oktober 2012

Savages - Nijmegen : Valkhofpark (festival De Affaire) : donderdag 19 juli 2012

Heel af en toe, zo om de paar jaar, dan komt er een band voorbij die me, bijna vanuit het niets, meteen weet te raken en opwindt. De laatste keer dat dit gebeurde was een paar maanden geleden, toen ik – zoals wel vaker – nieuwsgierig geworden door een paar regeltjes in NME, op internet op zoek ging naar muziek van de vanuit Londen opererende band Savages. Op YouTube stuitte ik op een tijdens hun eerste live optreden (in januari jl.) opgenomen nummer getiteld “City’s full”, professioneel gefilmd in zwart/wit. Die avond zou ik als een nieuwbakken verslaafde de clip nog diverse malen opnieuw afspelen. Ik kon er maar geen genoeg van krijgen. De combinatie van gedreven muziek waarin de beste elementen samenkomen van Joy Division, Siouxsie & The Banshees, The Slits en PIL – een postpunk natte droom, kortom – en de uitstraling van de ‘all female’ band (vooral zangeres Camille Berthomier) zorgde voor een perfect, bijna te mooi om waar te zijn geheel. Daarna struinde ik het internet af naar andere bandopnames. Niet alleen om meer materiaal te vinden, maar ook was ik erg nieuwsgierig of “City’s full” een eenzame uitschieter was of dat de rest van dezelfde kwaliteit zou zijn. Ik ben namelijk wel vaker op een nieuwe band gestuit die me pakte met bijvoorbeeld een eerste single wat dan ook meteen hun hoogtepunt bleek te zijn. Savages heeft de lakmoesproef met vlag en wimpel doorstaan. Want alles wat ik na “City’s full” van de band vond, maakte me alleen nog maar enthousiaster. De ‘buzz’ rondom Savages werd gelukkig ook in Nederland opgepikt, want enkele maanden na mijn eerste kennismaking vernam ik dat de band was geboekt voor het gratis (!) festival De Affaire in Nijmegen. Bovendien zou dit het eerste optreden van Savages buiten hun thuisland worden.

In de trein op weg naar Nijmegen wordt het naarmate de reis vordert steeds drukker. Geen wonder, want de Vierdaagse feesten vinden nu plaats, en dat trekt een hoop volk. Twee haltes voor het eindstation krijg ik gezelschap voor vier allochtone jongeren die elkaar met verhalen over deelgenomen ruzies waarbij klappen vielen proberen de loef af te steken. Moderne ‘savages’, denk ik niet-politiek correct. Er is eigenlijk maar plaats voor vier personen maar we zitten dus met zijn vijven op twee tegenover elkaar geplaatste banken. Het gangpad staat vol mensen. Zo stoïcijns mogelijk lees ik mijn NME uit. Ik ben blij wanneer de trein eindelijk zijn bestemming heeft bereikt, weg uit de drukte van de coupé. Maar ja, nu wacht weer een andere drukte. Want zoals gezegd, het optreden van Savages valt samen met de Vierdaagse feesten waar je, als je door het centrum loopt, niet aan ontkomt. En ik ontkom er dan ook niet aan, want het concert vindt plaats in het Valkhofpark, als onderdeel dus van festival De Affaire. Het park in kwestie is voor mij als voetganger vanaf het NS station het snelst te bereiken door het stadscentrum te doorkruisen. Onder normale omstandigheden zou het inderdaad snel zijn, maar wie zich een weg moet banen door en langs mensenmassa’s, kermisattracties, podia, eetkramen en wat al niet meer, merkt al gauw dat er van die gehoopte tijdwinst weinig overblijft. Bovendien moet ik onderweg nog zeker twee keer de weg vragen en probeer ik mijn looproute goed te onthouden. Ik heb later deze avond namelijk nog de laatste trein te halen, en die wil ik niet missen door te verdwalen.

Bij het Valkhofpark aangekomen is er nog een minuut of twintig te gaan voordat Savages van start gaat. Op een aangrenzend podium is een andere band bezig. Voor de bühne waar Savages zal optreden is het nog nagenoeg leeg. De band verschijnt om een soundcheck te doen, ik sta als een blij kind in mijn Savages T-shirt – één maat te klein trouwens, maar wie mooi wil zijn moet pijn lijden, nietwaar? – het tafereel gade te slaan. Hoeveel van de aanwezigen de band überhaupt kennen weet ik niet, maar het zullen er vast weinigen zijn. Niet dat het mij iets uitmaakt, want wat telt is dat ik er zelf ben en weet wat te wachten staat. Voor het optreden is drie kwartier ingeruimd, en vanaf minuut één maakt het indruk. In tien songs presenteert Savages zich als een band die dan wel nog geen jaar oud is maar wel al de focus, intensiteit, zelfverzekerdheid en de compleetheid heeft van een groep die al vele malen langer aan de weg timmert. Noem het de ‘x factor’ voor mijn part, maar Savages heeft hét. In overvloed. Want dit is tevens een band waarin de som der delen het geheel overstijgt. Fay Milton hakt erop los alsof ze probeert de drumvellen te penetreren, en samen met de hypnotiserende, aan Peter Hook in zijn beste tijd doen denkende baslijnen van Ayse Hassan, vormt ze de stuwende ritmesectie van de band. Gemma Thompson is verantwoordelijk voor de verraderlijk simpele (lees: tot de essentie teruggebrachte) maar effectieve ‘noisy’ gitaartextuur die zijn wortels heeft in postpunk. En dan is er ‘last but not least’ Camille Berthomier, die zichzelf Jehnny Beth noemt: een frontvrouw met een natuurlijke, aandacht opeisende ‘stage presence’. Ik ken haar al als helft van het (Franse) duo John & Jehn (samen met haar levenspartner Nicolas Congé), dat ik een aantal jaren geleden zag in Paradiso, en ook toen liet ze een blijvende indruk op me achter. In Savages komt ze over als een vrouwelijke Ian Curtis, in houding, beweging – gelukkig niet de epileptische variant – en in haar intense, starende blik. 

Enkele van de gespeelde nummers zijn me al bekend (o.a. “Shut up”, “Give me a gun”), opgesnord via internet, en dat geldt vooral voor het duo “Husbands” / “Flying to Berlin” (laatstgenoemde met van Joy Division’s “Colony” geleend basloopje), uitgebracht op single die in fysieke vorm al snel uitverkocht raakte. Het enerverende “City’s full”, waar het voor mij allemaal mee begon, duikt vroeg op in de set. Ik kan nog net geen vreugdedansje onderdrukken en zing mee, zelfs al ken ik de tekst maar half. Er wordt zelfs een nieuwe song gespeeld getiteld “Another war”, en ook die klinkt opwindend. Dat het een gratis festival betreft – waar overigens John & Jehn in het verleden te zien waren – dat ook mensen trekt die niet perse voor deze of welke band dan ook komen, houdt helaas in dat er soms wat aangeschoten gezelschappen langs komen zwalken – en erger nog: halt houden – die liever aandacht willen dan geven. Gelukkig is dat niet (al te) storend maar ik weet zeker dat Savages in een club of zaal een grotere aanzuigende werking zou hebben gehad. Maar goed, niet vergeten moet worden dat het hier om een nog onbekende band gaat en voor een doorsnee ‘leve de lol’ publiek is het serieuze Savages niet het type band om de feestvreugde te verhogen. Hoe dan ook, Vierdaagse feesten of niet, Savages staat als een huis en je voelt in de lucht hangen dat het hier niet een bandje betreft die volgend jaar om deze tijd alweer vergeten is of hét toch niet blijkt te zijn. Nee, Savages moet tot grootse daden in staat worden geacht. Daar zijn ze bijzonder genoeg voor. Het debuutalbum, waar overigens nog geen enkele sprake van is maar dat er ongetwijfeld – in 2013 – van gaat komen, koester ik in hoopvolle gedachte nu reeds aan mijn borst. Want alleen al met het materiaal dat ze deze avond in handen hebben, maakt dat hoge verwachtingen los. Mijn favoriete nieuwe band van dit jaar zijn ze in ieder geval al. En misschien zelfs ook wel van volgend jaar…

Meer foto’s hier!

 

donderdag 11 oktober 2012

North Sea Jazz (dag 3) - Rotterdam : Ahoy : zondag 14 juli 2012

Doorwerken tot je 67e of langer een gruwel? Niet voor de Amerikaanse crooner Tony Bennett die naar ik vermoed met zijn 85 levensjaren de oudste artiest is die op de laatste dag van deze North Sea Jazz editie in Ahoy te bewonderen valt. En dat zonder rollator of zuurstoffles. Wel bij de hand is zijn dochter Antonia die onaangekondigd het ‘voorprogramma’ verzorgt, voordat ze na drie nummers vaderlief aankondigt. De roodharige Antonia probeert mee te liften op het succes van haar verwekker maar op basis van haar korte, niet bijzondere optreden zal ze nooit uitstijgen boven de vermelding ‘de dochter van’. Aardig voor een bedrijfsfeestje of als liftmuziek maar ik vermoed sterk dat ze nooit op eigen kracht een plek zou hebben veroverd op dit festival. Nee, dan vader Tony, die vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn naam vestigde als crooner. En dat croonen gaat hem, ondanks zijn hoge leeftijd, nog steeds goed af. Niet lang voor haar dood nam hij zelfs een duet op met Amy Winehouse. De door Bennett ten gehore gebrachte songs doen je denken aan de klassieke, gouden jaren van Hollywood (de Brat Pack, Hepburn, Taylor etc.), New York in de jaren vijftig en liefdesvreugde –en leed op Broadway. Hij heeft genoeg materiaal om uit te putten zoals “I left my heart in San Francisco”, “The good life” en “Who cares”. Geen spannend maar wel een aangenaam, relaxed optreden, zoals ik eigenlijk wel had verwacht. Wat de verwachtingen zijn van de vrouw van middelbare leeftijd in de stoelenrij vlak voor me, daar kan ik enkel naar gissen. Ze zit namelijk Wordfeud te spelen, zich weinig bekommerend om wat er op het podium gebeurt. Waarom koopt zo iemand een kaartje, vraag ik me af. Of zou ze het hebben gekregen – een relatiegeschenk wellicht? – en is ze nu hier omdat ze toch niets beters te doen heeft… behalve Wordfeud spelen dan? Het liefst had ik even voorover gebogen en haar een bepaalde woordsuggestie gedaan…

Geen Wordfeud spelers bij Kyteman Orchestra, ik heb ze althans niet kunnen ontdekken. Wel mag het orkest onder leiding van Kyteman alias Colin Benders zich verheugen op grote belangstelling van het publiek. Van verloop lijkt amper sprake want de zaal blijft tot het einde gevuld. Op Pinkpop, twee maanden eerder, was Kyteman Orchestra een gewaagde, vreemde eend in de bijt maar op NSJ lijkt het met invloeden uit de klassieke muziek stoeiende gezelschap meer op zijn plaats. En misschien komt het daardoor ook meer tot zijn recht. Persoonlijk vond ik Kytecrash, het project van Benders met trompettist Eric Vloeimans, dat een jaar geleden in dezelfde zaal (Maas) te zien was, muzikaal gezien aantrekkelijker (want minder bombastisch en meer ‘groovy’), maar dat is een kwestie van smaak. 

Over smaak gesproken, daar schieten woorden bij tekort Waylon. Of beter gezegd: ik heb er niet zoveel woorden voor, want het raakt me niet. Waylon heeft zeker een goede stem met een rafelige rand, en leuk voor hem dat ‘ie werd getekend door Motown – ook al liggen de gloriejaren van het label al lang achter ons – maar ik kan er zoals gezegd warm noch koud van worden. Wist u trouwens dat Waylon eigenlijk gewoon Willem heet? Maar ja, dat klinkt niet sexy genoeg. In ieder geval niet voor Motown. Zie je het al voor je: Marvin Gaye, The Supremes, Jackson 5… en Willem. Ik wens Willem, pardon: Waylon, verder veel succes en besluit naar buiten te gaan. Een goede keuze, want daar wacht me een aangename verrassing. 

Heerlijk zijn die momenten wanneer je naar een band of artiest gaat kijken die je niet kent, zelfs nooit van hebt gehoord en geen verwachtingen opwekt, maar je onverwachts met de neus in de boter doet vallen. De boter in kwestie is zacht, smeuïg en smaakt naar meer. Geen loze reclameslogan, want je ziet het bij de mensen die er al staan en bij degenen die net als ik terloops voorbijkomen en prompt halt maken wanneer hun aandacht wordt getrokken door de Britse Lianne La Havas. Gezegend met uitstraling en charisma, een innemende glimlach, asymmetrisch kapsel en heel erg blij – ‘a dream come true’, en dat laat ze meer dan eens weten – om op North Sea Jazz te staan. Gelukkig is Lianne niet alleen prettig om naar te kijken, maar ook om naar te luisteren. Het alleen door akoestische gitaar begeleidde “Au cinéma” springt er voor mij meteen uit. Ze heeft een band bij zich, maar wanneer ze puur solo speelt, is ze op haar mooist. Jazz met een beetje pop, of omgekeerd, met als meest naaste verwante Corinne Bailey Rae. Hoe succesvol ze vandaag is, blijkt wel uit haar signeersessie later op de dag. Die duurt op papier slechts twintig minuten doch na anderhalf uur moet haar manager er dringend doch beleefd een einde aan maken want de mensen blijven maar komen, jong en oud. De laatste gelukkige is een fan die op de valreep met een grote albumposter komt aanzetten. Het album zelf is in de shop tegenover het signeertafeltje niet meer te krijgen: uitverkocht… Hier gaan we dus ongetwijfeld meer van horen! 

Op dit weblog heb ik al vaker verklaard fan te zijn van de Amerikaanse rasartiest Janelle Monáe. Een fascinatie die begon met haar bijdrage aan het tv-programma “Later… with Jools Holland”, ergens in 2010, die ik maar bleef terugkijken. Een aantal malen heb ik haar met eigen ogen kunnen aanschouwen, de laatste keer bijna precies een jaar geleden, op ditzelfde festival. De Maas zaal kreeg ze die dag aan haar voeten, en op basis van die prestatie is ze teruggevraagd én gepromoveerd naar de grotere Nile hal. Ik heb me daar ruim voor het optreden al verzekerd van een plek vooraan. Met de podiumgordijnen nog gesloten, wordt Janelle Monaé en haar veelkoppige band met veel gevoel voor showbizz aangekondigd door een neger in rokkostuum en hoge hoed. Wat daarna volgt is nagenoeg dezelfde show waar Janelle al ruim twee jaar mee over de wereld reist en die haar een flinke schare bewonderaars en fans heeft opgeleverd, van Prince tot Obama, en van Karl Lagerfeld tot Indindo. Vanavond zijn er ongetwijfeld weer een hoop bijgekomen, want opnieuw krijgt Janelle de zaal plat, zelfs letterlijk, in “War of the roses”, wanneer ze iedereen maant tot hurken tijdens het ‘cooling down’ moment van het nummer, in afwachting op de spetterende climax. De combinatie van haar zang-, dans- en performancetalent, haar ‘trademark’ zwart-wit outfit met coole kuif en een repertoire waarin de beste elementen van o.a. Michael Jackson, Stevie Wonder, Prince en James Brown samenkomen laat wederom een onuitwisbare indruk achter. Zoals gezegd is er aan de show en de setlist sinds haar vorige NSJ optreden weinig gesleuteld, ongetwijfeld volgens het principe ‘never change a winning team’. Niettemin kijk ik erg uit naar nieuw materiaal en dat dient zich aan in de gedaante van het swingende en naadloos op haar repertoire aansluitende “Electric lady”, de titelsong van haar volgende album. Iets om naar uit te kijken, want met dit spetterende en spraakmakende optreden heeft Janelle weer de nodige zieltjes gewonnen. 

Na het spektakelstuk van Janelle Monaé in de grote, gevulde Nile hal kan het contrast met de pakweg dertig bezoekers in de bescheiden Volga zaal niet groter zijn. Verscholen in het donker staat een man achter een laptop, terwijl naast hem op een beamerscherm even intrigerende als vervreemding opwekkende filmpjes worden vertoond, ter visuele stimulatie. De man in kwestie heet Daniel Lopatin maar hij is hier onder zijn alias Oneohtrix Point Never. De muziek bestaat uit avontuurlijk en spannend knip- en plakwerk van allerhande, goed geconstrueerde en verrassende sounds; intrigerende geluidsexperimenten die tot de verbeelding spreken. Een contrast met Daniel zelf, een onopvallende man met snor en baard die, wanneer het licht aanfloept na het laatste nummer, eindelijk ‘in volle glorie’ te zien is. Dat hij gedurende het concert amper zichtbaar was doet er verder niet toe, maar het is jammer dat zo weinig mensen hem vanavond hebben gehoord. Want deze geluidskunstenaar had beter verdiend. 

Er wordt veel gewag gemaakt van de terugkeer van soul- en funkzanger D'Angelo die in 2000 naar men zegt een legendarisch optreden gaf op NSJ en vervolgens min of meer in rook opging. Voor veel mensen is het optreden van D’Angelo zodoende iets om naar uit te kijken, maar ik blijf er nuchter onder. Ik was er in 2000 niet bij, ik ken precies één nummer van D’Angelo (“Brown sugar”, de titelsong van zijn gelijknamige album uit 1995) en dat was het wel zo’n beetje. Ik gun hem een paar nummers mijn aandacht maar ik merk dat die vooral zwevende is. Legendarisch wordt het in ieder geval niet, al was het maar omdat hij drie kwartier te laat begint en daarmee een hoop goodwill verspeelt bij het publiek. Van zowel Amos Lee als Mike Stern pik ik slechts een flard op in het voorbijlopen dus daar zal ik u verder niet mee lastigvallen. 

Het is mijn eerste keer dat ik een concert in de Amazon zaal meemaak waar ik niet extra voor hoef te betalen en dankzij tijdig aansluiten in de rij wachtenden zit ik zowaar op de eerste rij voor het optreden van de Britse zangeres Rumer (echte naam: Sarah Joyce). De zaal is niet tot de nok toe gevuld en het duurt nog even voordat het optreden van start gaat. Zodoende maken we de soundcheck mee waarin flarden van Hall & Oates’ “Sarah smile” zitten verwerkt. Een goed begin, want het is mijn favoriete song van het coveralbum dat Rumer recentelijk heeft uitgebracht. Nadat het optreden daadwerkelijk van start is gegaan, valt op dat Rumer een wat onwennige indruk maakt. Haar forse bouw en grote, volle neus zijn geen toonbeeld van elegantie, maar daar kan ze verder niets aan doen. Maar de tentachtige jurk, die haar niet al te flatteus doet uitzien, had ze beter in de kleedkamer kunnen achterhalen. Eh.. en dan wel iets anders aantrekken natuurlijk. Maar laat ik uiterlijkheden verder achterwege – ik ben zelf immers ook geen Brad Clooney – want het gaat om haar stem. Vergelijkingen met Karen Carpenter gaan zeker op, met als mooiste illustratie het wonderschone “Aretha”, afkomstig van haar eerste album “Seasons of my soul”. Zoals gezegd loopt het aanvankelijk stroef, niet het muzikale deel – rustgevende, easy listening pop – als wel de intermezzo’s, gevuld met doodse, pijnlijke stiltes en de bijna hulpeloze blikken van Rumer. “Alles komt goed, meid!” zou je haar haast bemoedigend willen toeroepen. Gelukkig komt het ook goed, want ergens halverwege komt de zangeres los, is er interactie met het publiek en kan ze opgelucht glimlachen. Eind goed, al goed dus, en dat geldt voor deze NSJ editie als geheel, waarbinnen weer de nodige hoogtepunten vielen te noteren en opnieuw doet uitzien naar volgend jaar. Reken maar van jazz!

Meer foto’s hier!

zaterdag 22 september 2012

North Sea Jazz (dag 2) - Rotterdam : Ahoy : zaterdag 13 juli 2012

Vrouwen die bas spelen zijn cool, toch? Zie bijvoorbeeld Kim Deal, Kim Gordon en Suzi Quatro, om er even drie te noemen. Esmeralda Spalding mag aan het rijtje worden toegevoegd, ook al bevindt ze zich dan in een ander genre – jazz in plaats van rock, en tevens een fusie van de twee – dan de genoemde voorbeelden. Overigens is Esmeralda voornamelijk in de weer met een staande bas, maar vanavond hanteert ze ook de basgitaar. Op het podium staat een ghettoblaster afgebeeld, een verwijzing naar haar album “Radio music society, dat dit jaar verscheen. Behalve een getalenteerd bassist is Esmeralda een begenadigde zangeres, die zowel krachtig als zoetgevooisd voor de dag kan komen. Een lekkere start van deze tweede dag van North Sea Jazz

Een presentator kondigt haar aan als ‘het fluistermeisje’. Hij heeft het over Gretchen Parlato, de Amerikaanse zangeres wiens vorig jaar verschenen album “The lost and found” de eerste plaats behaalde in de iTunes Jazz Chart. Dit is dus de plek waar je vanavond moet zijn, zo voert de presentator de spanning nog verder op. Ik ben gelukkig net op tijd om een laatste stoel te bemachtigen in de bescheiden Yenisei zaal. Vele anderen zien zich genoodzaakt in de rij aan te sluiten voor de toegangsdeur, hopend op vertrekkende kijkers, volgens het principe ‘één eruit, één erin’. Als je niet beter zou weten, dan zou je een hype vermoeden. Echter, niets is minder waar.  Want Gretchen Parlato is een talent waarvoor mensen terecht in de rij staan. En ja, haar zang heeft inderdaad iets weg van fluisteren, en toch versta je elk woord. Ze toont zich een meester in beheersing, de aandacht vasthoudend met een stem die laveert tussen troostrijk, sensueel en gewoonweg prachtig. Simply Red’s “Holding back the years” maakt ze zich geheel eigen, vol van verstilde breekbaarheid. Zo’n performance vraagt om stilte die helaas soms wordt doorbroken door geroezemoes van de wachtrij, ofschoon nooit echt storend. Hoe dan ook, de presentator kreeg gelijk, want hier moest je zijn geweest. 

En dan eindelijk… Rufus Wainwright. Eindelijk? Ja, want om uiteenlopende redenen kwam het er steeds niet van om een concert van hem bij te wonen, terwijl ik dat toch al jaren van plan was te doen. Gelukkig dat NSJ de muzikale grenzen van het festival al geruime tijd heeft opgerekt tot buiten het jazzgenre want anders had Rufus hier niet gestaan, zeker nu hij zelf met laatste album “Out of the game” zijn eigen grenzen naar een meer popgericht geluid heeft verlegd. Van die plaat komt vrij veel aan bod, te beginnen met “Candles”, de mooie, gedragen ode aan zijn overleden moeder Kate McGarrigle. Na deze plechtstatige start neemt Rufus goedlachs het applaus in ontvangst. De zanger komt tijdens het hele optreden aimabel, opgewekt en praatgraag over. Mijn hoge verwachtingen worden in de vijf kwartier die Rufus zijn gegund moeiteloos ingelost, zelfs wanneer hij het vocale gedeelte overlaat aan anderen zoals in de covers (van moeder Kate en haar zus Anna) “Saratoga summer song” en “I don’t know”, dat respectievelijk wordt gezongen door bandleden Teddy Thompson en Krystle Warren. Persoonlijke ‘highlights’ zijn het gemoedelijke “Out of the game”, het op golvend pianospel dansende “Montauk” en de bijna-disco song “Bitter tears”. Wanneer Rufus een opmerking maakt over de grootte van de zaal die hem doet denken aan een conventiehal zoals gebruikelijk bij Amerikaanse presidentsverkiezingen, en dat hij nooit eerder in zo’n enorme hal heeft opgetreden, kan ik hem maar moeilijk geloven. En als het al zo is, dan verdient hij slechts zalen van deze omvang. “Please buy my record” smeekt Rufus (met brede glimlach). Dat er maar veel gehoor aan mag worden gegeven. 

Herinneringen aan vroeger, aan mooie, vervlogen tijden, worden vaak, naarmate de tijd verstrijkt, steeds rooskleuriger. De jaren zeventig bijvoorbeeld, die ik als kind en tiener bewust meemaakte. Ergens op het snijvlak van die twee levensfasen dook George Benson op in de platencollectie van een oudere broer. Op de pick-up van zijn slaapkamer of via de audiocassettespeler in zijn auto kwam George regelmatig voorbij, in het bijzonder de succesvolle albums “Breezin’” (1976) en “In flight” (1977), die van de meest toepasselijke titels waren voorzien. Muziek als een verkoelende bries, een onbekommerde vogelvlucht door een strakblauwe hemel. ‘Smooth jazz’ met een hoofdrol voor het gitaarspel van Benson, zowel tijdloos als voor mij ook sterk verbonden aan prettige gevoelens van nostalgie. Dus ja, Benson kan bij ondergetekende bij voorbaat al niet stuk, wat getuige de opkomst en reacties van het publiek voor meer mensen lijkt te gelden, vooral tijdens sluitstuk “On Broadway”. Na het optreden geeft Benson een radio-interview in een mobiele studio naast de zaal, en slechts een simpel wandje met raam erin scheidt de gitaarvirtuoos van bezoekers die opgewonden naar binnen gluren en hem vastleggen op de gevoelige plaat. Daar kan ik natuurlijk niet bij achterblijven. Thanks for the memories, mister Benson! 

Eén van de hoogtepunten van het afgelopen Pinkpop festival – maar dat is mijn mening – betrof het optreden van Sharon Jones & The Dap Kings, de 56-jarige funk- en soulzangeres die als een vrouwelijke versie van James Brown moeiteloos de aandacht opeiste. Jan Smeets zou er goed aan doen om volgend jaar een vergelijkbare act te boeken in de persoon van Betty Wright. Betty, twee jaar ouder dan Sharon en eveneens een veterane in het soul / funk (en disco en r’n’b) genre, weet namelijk ook hoe ze het publiek aan zich moet binden, en net als Sharon weet ze zich geruggensteund door een meer dan competente band. De in een gouden glitterjurk gestoken diva, getooid met een afro-kapsel groot genoeg om als onderduikadres dienst te kunnen doen, heeft over belangstelling niets te klagen. Je kunt jezelf afvragen of de Congo tent wel de meest geschikte plek was om Betty in te laten optreden, want ook buiten de tent staan mensen zich als haringen in een ton te verdringen. Jezelf de tent inwurmen is een optie, maar geen prettige, en wanneer het begint te regenen, houd ik samen met enkele andere mensen een stuk tentzeil omhoog om onszelf droog te houden. Wanneer Bettys meest bekende song “Clean up woman” aan het gretige gehoor wordt gevoerd, is de regen alweer verdwenen. Net als Sharon Jones – want ook die was in het verleden al eens op NSJ te bewonderen – hoop ik Betty ooit nog eens in Landgraaf te zien opduiken. Dus beste Jan, je weet wat je te doen staat! 

Ach ja, Robert Cray, de sympathieke bluesgitarist die medio jaren tachtig zijn doorbraak beleefde met album “Strong persuader” en de van die plaat getrokken song “Right next door”. In Amerika vergaarde hij een aantal Grammys, scoorde nog wat hits en daarna ben ik hem uit het oog verloren. Niet dat ik hem ooit actief volgde trouwens. Maar goed, hij staat hier vanavond, ik heb niets beters te doen, en dan kijk je een paar nummers zonder dat het echt tot je doordringt. Je gedachten dwalen af naar de notencake die ze in de foyer verkopen, of zou ik de munten die ik nog op zak heb toch maar weer spenderen aan een drankje? Keuzes, keuzes. En Robert Cray, hij speelde voort. 

Ik ben nooit bepaald een liefhebber geweest van Macy Gray en haar krakerig gekke stem maar vooruit, haar collaboratie met David Murray Blues Big Band wil ik wel een kans geven. Macy heeft zich in een opvallende glitterjurk gehesen, gekleed voor een galabal. Macy Gray, Robert Cray, dat rijmt. Niet toevallig, want bij beide concerten voel ik hetzelfde: niet bijster veel. Het ligt niet aan hen, vergoelijk ik maar, want de verse, goede herinneringen aan eerdere optredens deze avond hebben me een verzadigd gevoel gegeven. Alsof je na een smakelijke, vullende maaltijd nog de menukaart met de toetjes onder je neus krijgt, maar je ondanks het aanlokkelijke aanbod weet dat het de ervaren smaaksensatie hoe dan ook niet gaat overtreffen. Het jazz, soul en blues spektakel op de bühne laat ik daarom op een gegeven moment voor wat het is. Geen probleem want ik verlaat Ahoy met een voldaan gevoel. 

Meer foto’s hier!

woensdag 12 september 2012

North Sea Jazz (dag 1) - Rotterdam : Ahoy : vrijdag 12 juli 2012

North Sea Jazz bestaat al sinds 1976 en dit jaar beleeft het festival dus zijn 37e editie. Ik ben als bezoeker een relatieve nieuwkomer want dit is pas de zesde keer dat ik van de partij ben. Niettemin is NSJ sinds mijn eerste bezoek een vaste waarde geworden in mijn concertagenda, een evenement waar ik steevast naar uitkijk. Het is bovendien tot een van mijn favoriete festivals gaan behoren, en dat heeft voor een belangrijk deel te maken met de sfeer en het karakter. Die is namelijk anders dan ik gewend ben van de festijnen die ik doorgaans bezoek zoals bijvoorbeeld Pinkpop, Pukkelpop, London Calling en Metropolis. Op NSJ hoef ik me niet druk te maken over regen, modder of schroeiende hitte want de meeste optredens zijn overdekt. Het publiek is over het algemeen wat ouder, ‘beschaafder’ en netter gekleed – een in cocktailparty avondjurk gestoken dame die aan een glas champagne nipt is er niet uitzonderlijk – en schreeuwende dronkenlappen zal je er dan ook niet aantreffen. Je kunt vooraan het podium een artiest kijken zonder dat je geplet wordt, je kunt ervoor kiezen om te gaan staan of te gaan zitten (op een stoel dus) en het eten is er goed. Niet de gebruikelijke frites met kroket kramen – dat kun je er niet eens krijgen trouwens – maar wel bijvoorbeeld een heerlijke, culinair verantwoorde hamburger en dito notencake, om mijn twee persoonlijke favorieten even onder de aandacht te brengen. Het zal vast ook met mijn eigen ouder worden te maken hebben, maar NSJ – als festival – voelt steeds meer aan als op mij toegesneden.  Afijn, de eerste artiest... Hij stond al eerder op NSJ maar ik zie hem nu voor het eerst: Van Morrison alias Van The Man. Hij ziet er nog het meest uit als een oude gangster uit vervlogen tijden, inclusief gleufhoed, lange jas en zonnebril. Dat hij af en toe een saxofoon bespeelt, doet daar verder niets aan af. Van begrijpt niet waarom hij in de pers als ‘grumpy’ wordt neergezet. Want dat is hij niet, net zo min als zijn bandleden, die het eveneens ontkennen. Van komt tot de conclusie dat het de Britse pers is die hem als sikkeneurig betitelt. En niet hij, maar juist zij zijn ‘grumpy’. Het publiek joelt instemmend en Van heeft zijn dolletje gemaakt. Er is hier vanavond niemand die reden heeft om Van The Man ‘grumpy’ te noemen, want de zanger geeft wat het publiek wil horen. Zoals “Moondance” , waar ondergetekende heel erg blij van wordt, maar ja, die stond dan ook bovenaan mijn ‘wat ik hoop dat ‘ie gaat spelen’ lijst. En op zulke momenten begrijp je waarom Van de Man is. 

Michael Kiwanuka is een Britse singer songwriter met Oegandese roots die op plaat griezelig authentiek overkomt in zijn streven – want wat zou het anders moeten zijn – te klinken als een seventies neger die bedachtzame soul maakt. Single “Home again”, goed voor de nodige airplay op de Nederlandse radio en uiteindelijk een hoge hitparadenotering, is daar een treffend voorbeeld van. Het was genoemd plaatje dat ook mijn interesse in eerste instantie wekte, maar een album lang kan Michael mijn aandacht niet vasthouden. Het doet wat braafjes aan, met veel respect voor de voorbeelden uit het verleden, en zonder aandrang om buitensporig of eigentijds te zijn, laat staan iets toe te voegen aan de muziek en artiesten die hem inspireren. Ik besluit dan ook snel om Michael in te ruilen voor een andere neger, met meer ‘body’. En dat bedoel ik zowel letterlijk als figuurlijk. 

Met zijn forse postuur, onafscheidelijke pet en skicap, baard, snor en vriendelijke oogopslag doet Gregory Porter denken aan een knuffelbeer. En vermoedelijk is hij dat ook gewoon. In ieder geval is hij een zanger die gezegend is met een aangename, warmhartige stem die jazz en soul tot een eenheid brengt, en het vermogen heeft om de luisteraar te kalmeren. Zijn vertolking is gepassioneerd, zijn ‘stage presence’ is evident. Wanneer hij met ritmisch handgeklap het afsluitende “1960 what?” inzet, kan het publiek niets anders doen dan meeklappen, en mag saxofonist Yosuke Sato een glansrol vervullen. De Darling zaal zit niet voor niets lekker vol tijdens dit sterke optreden, en zoals Porter de toeschouwers meekrijgt, kan het niet anders dan dat hij bij een volgend bezoek aan NSJ een groter podium krijgt toebedeeld. Dat zou even logisch als gerechtvaardigd zijn.     

Wanneer je als NSJ bezoeker nog een keer extra in de buidel moet tasten – er even van uitgaande dat je alleen over een regulier dag- of weekendticket beschikt – dan is dat voor een optreden in de Amazon, de zaal waar de zgn. ‘plusconcerten’ plaatsvinden. Dan gaat het om artiesten of bands van een bepaalde statuur en/of die iets extra’s (plus dus) te bieden hebben. Melody Gardot stond al twee keer eerder op NSJ – in 2008 en 2009 – maar dit is de eerste keer dat ze als ‘plus artiest’ optreedt. Terecht, want het is een bijzondere performer – wiens nieuwe album “The absence” nog maar net in de winkels ligt – die je verleidt met een subtiel en intrigerend spel van schaduw en (gedempt) licht. Als gevolg van een auto-ongeluk is ze zeer gevoelig geworden voor licht en geluid, en haar muziek is daar een uitvloeisel van. Die zonnebril draagt ze dus niet zomaar. Ze is gekleed in het zwart maar zeker niet somber van toon. Melody maakt grapjes, is spraakzaam, soms té, wanneer ze tussen twee nummers een lange, met veel Frans doorspekte anekdote uit de doeken doet over een voorval in een vliegtuig en op een luchthaven. Op mooie, ingetogen momenten kun je een speld horen vallen, en haar band strekt tot voorbeeld. Naast eigen werk krijgen we als toegift “Somewhere over the rainbow” en het concert, want te laat begonnen, haalt zijn geplande eindtijd niet, maar wie maalt daarom bij deze bijzondere, elegante en intrigerende dame? Nou ja, ik toch wel een beetje, want meer van de één, betekent minder van de ander, zoals hieronder blijkt…

Beduidend meer ‘down to earth’ gaat het eraan toe bij de voluptueuze Jill Scott die geen moeite heeft het publiek voor zich te winnen. Soul, r’n’b en jazz zijn bij haar in goede handen, de muziek is groovy, het swingt, het is gezellig, het is druk, er wordt gedanst en gevoel voor humor is er ook. En dat is slechts de eindspurt, dus wie weet wat ik nog meer heb gemist, want door uit het uitlopen van Melody Gardot zijn me slechts de laatste twee songs van Jill gegund. Dat is jammer, want als daar nou “A long walk” bij had gezeten – een nummer met een persoonlijke, bijzondere lading – dan had ik daar minder moeite mee gehad. Tja, volgende keer beter…  

Gelukkig wordt veel goedgemaakt met het toetje, en dat is Chic (featuring Nile Rodgers). Of beter gezegd Nile Rodgers, want na het overlijden van Bernard Edwards, is hij het enige overgebleven originele groepslid. Maar niet de minste, want de goede man heeft een partij hits, zeg maar gerust klassiekers, op zijn naam staan waar je ‘U’ tegen zegt. Want behalve de man achter Chic knallers “Freak out”, “I want your love” en “Good times”, was hij ook verantwoordelijk voor onder andere “I’m coming out” en “Upside down” (Diana Ross), “We are family” en “He’s the greatest dancer” (Sister Sledge). Een feit dat veel mensen wellicht niet weten, en daar is Nile zich van bewust. “I wrote those songs!” zegt hij met gepaste trots en een bijbehorende brede grijns, nadat hij heeft verklaard te begrijpen waarom het publiek zich ongetwijfeld afvraagt waarom hij andermans nummers speelt. Met zo’n swingende CV staan Nile en zijn band garant voor een discofeest der herkenning waar de zaal wel pap van lust. Een vrolijke, lekkere afsluiter van de eerste NSJ dag. Good times! 

Meer foto’s hier!

woensdag 15 augustus 2012

Juni 2012

CD’s

OBERHOFER – Time capsules II
Eén van de hoogtepunten op het London Calling festival in mei jl. was zonder twijfel Oberhofer, dat zijn naam dankt aan de 21-jarige frontman / zanger / componist Brad Oberhofer. De begintwintiger toont zich een kundig maker van aanstekelijke popliedjes die zich comfortabel in je hoofd nestelen om zich daar vervolgens niet te laten wegjagen. Grote kans dat hetzelfde hoofd en minstens één van je voeten al gauw mee knikken op de maat en het ritme van de muziek waar vrijwel steeds een xylofoon bij is betrokken. Op een totaal van tien songs valt er geen misser te noteren, en ook dat is knap. In combinatie met de productionele tips van veteraan Steve Lillywhite (o.a. U2, Siouxsie & The Banshees, Morrissey, The Rolling Stones) overstijgen de afzonderlijke liedjes – allemaal leuk dus, maar “oOoO”, “Away frm U” en “Landline” draai ik zelf nog het meest – de som der delen. Een onderhoudend album van een jong, fris talent.

NEW LOOK – New look
Reeds uitgekomen in september 2011, maar daarom niet minder het vermelden waard. Op het laatste London Calling festival maakte dit zowel muzikale als romantische koppel uit Canada, bestaande uit Sarah Ruba en Adam Pavao, op ondergetekende indruk met hun ruimtelijke en delicate electropop. The XX zijn fan, en het is te horen waarom. In sfeer en gevoel zit “New look” er niet zo ver vanaf, ook in de spaarzame en effectieve toepassing van het instrumentarium. Naast electropop is ook (acid) house een belangrijk bestanddeel: niet ten behoeve van euforische dansvloerkrakers – ofschoon er zeker op te swingen valt – maar voor intieme, onder de huid kruipende synthpop liedjes. Ruba heeft een stem die zich het best laat omschrijven als sensueel afstandelijk, voor zover dat logisch klinkt. “New look” staat vol met glinsterende gletsjers, zoals het prachtige duo “Nap on the bow” en “Teen need”. Jammer dat deze plaat nog niet de aandacht heeft gekregen die het verdient.

2:54 – 2:54
De in november verschenen EP “Scarlet” liet een enorme sprong voorwaarts horen ten opzichte van de eerder dat jaar verschenen debuutsingle “On a wire” en die lijn wordt doorgetrokken op het eerste album van de zusters Hannah en Colette Thurlow. Laatstgenoemde is in het bezit van een zwoele, zinnelijke stem die vrijwel elk nummer van een smachtende, verleidelijke atmosfeer voorziet. Er hangt een ‘air’ van romantische gotiek over de plaat heen, een zekere broeierigheid die je ook bij Warpaint aantreft, en daarnaast zou “2:54” bepaald geen gek figuur hebben geslagen op 4AD anno eind jaren 80, begin jaren 90. Dit is een plaat die het best werkt als een geheel, al springen er zeker een aantal individuele tracks uit: “Scarlet”, “You’re early” en “Revolving”.

ZULU WINTER – Language
Wanneer een band zijn (debuut)album ‘Language’ meegeeft, dan is het wel zo interessant te horen welke muzikale voertaal gehanteerd wordt, toch? Zulu Winter zal het best verstaanbaar zijn voor degenen die Coldplay als moedertaal hebben, en enige idioomkennis van Keane – ze namen Zulu Winter niet voor niets mee tijdens hun Britse tournee – is mooi meegenomen. Dat maakt ZW tot een kanshebber om bij fans van beide genoemde bands in de smaak te vallen, alsmede ‘door te breken’. Met sterke liedjes als “We should be swimming”, “Silver tongue”, “Never leave” – niet toevalligerwijs ook alle drie als single uitgebracht – albumstarter “Key to your heart” en voormalige B-kant (!) “Let’s move back to front” zou dat moeten lukken. Niet alles op dit debuut haalt dat niveau, en de productie had best wat minder gepolijst mogen zijn. Weet de goede verstaander van deze “Language” dan genoeg?

LAST DINOSAURS – In a million years
In hun thuisland Australië is dit jeugdige kwartet uit Brisbane al succes en populariteit ten deel gevallen, nu de rest van de wereld nog. Ik leerde ze pas kennen sinds het laatste London Calling festival in mei jl. waar ze met lekker ongecompliceerde indiepop voor een aangenaam en onderhoudend half uur garant stonden. Frisse, koolzuurhoudende liedjes, zo dacht ik er destijds over, en die mening blijft overeind na het beluisteren van dit debuutalbum. Zomervakantiepop, zo zou je het ook kunnen noemen, en dat is bedoeld als compliment, met aanwezige, maar nooit te nadrukkelijk ingebakken invloeden van bands als Franz Ferdinand, Friendly Fires, Vampire Weekend, The Kooks en Phoenix. Deze priklimonade smaakt het best na teugen van “Weekend”, “Honolulu” en “Zoom”.

RUMER – Boys don’t cry
Het tweede album van Rumer, het alias van de Britse zangeres Sarah Joyce, bestaat uit louter covers, of interpretaties zo u wil, van singer-songwriters uit de jaren zeventig. Het is een intuïtieve keuze geweest om voor deze aanpak te kiezen, zo las ik in een interview, en de individuele liedjes behoren bovendien tot haar persoonlijke favorieten. Het is jammer dat alle songs qua tempo en arrangement zo homogeen zijn, dat je al snel snakt naar variatie. Ofschoon de gecoverde artiesten vrij bekend zijn zoals bijvoorbeeld Todd Rundgren, Isaac Hayes en Hall & Oates, zijn hun gekozen liedjes eerder obscuur, met uitzondering van “Sara smile” (Hall & Oates) misschien, waarmee we meteen de meest geslaagde cover te pakken hebben. Als luisteraar ben je niet snel geneigd om je na beluistering van “Boys don’t cry” (helaas geen versie van het gelijknamige Cure nummer trouwens) te gaan verdiepen in de originelen. “Boys don’t cry” is hooguit een tussenstop, een rustpauze op weg naar een volgend Rumer album met eigen materiaal.

KEANE - Strangeland
Anders dan de albumtitel doet suggereren keert Keane met hun vierde plaat juist terug naar vertrouwde grond, zeker na de muzikale uitstapjes op het vorige album “Perfect symmetry” (2008) en de EP “Night train” (2010). Dat komt er in de praktijk op neer dat de band is aangemeerd bij de thuishaven waar het ooit allemaal begon: het vooralsnog onovertroffen debuut “Hopes & fears”. Een veilige keuze, waarin het pianotoetsenwerk van songleverancier Tim Rice-Oxley weer centraal staat, en die in ieder geval een aantal prima songs oplevert in de vorm van single “Silenced by the night”, “You are young” en het vrolijke, zelfverzekerde “Open road”. Wie de bonusversie van het album heeft, mag daar “The boys” aan toevoegen. Zet genoemd viertal bij elkaar en je hebt een uitstekende EP die als aanrader binnen het Keane oeuvre mag gelden. Maar helaas, “Strangeland” bevat beduidend meer songs, en die zijn van het type ‘het ene oor in, het andere oor uit’, en even risico- als bloedeloos, of ze nu episch zijn bedoeld of klein gehouden. 

OFF! – OFF!
“OFF!” moet worden beschouwd als het eerste album van de gelijknamige punkband, maar de in 2010 uitgebrachte compilatie van vier eerder verschenen EP’s (het derhalve zo getitelde “First four EP’s”), samen goed voor 16 nummers, zou je feitelijk als het echte debuut kunnen bestempelen. Wie bekend is met die verzameling, zal op “OFF!” meer van hetzelfde aantreffen. Ex-Black Flag zanger Keith Morris zingt niet minder vurig, en zijn musicerende kompanen knallen er opnieuw lustig op los, maar ze deden het eerder en beter op hun EP’s. OFF! is op zichzelf beschouwd een solide punkplaat maar binnen het oeuvre van de band is het niet meer dan een herhalingsoefening.

Met terugwerkende kracht

MY BLOODY VALENTINE – Isn’t anything
En toen was er ‘shoegaze’… Want als startschot / vertrekpunt van het genre mag dit in 1988 uitgebrachte album van MBV als zodanig worden aangeduid, inmiddels uitgegroeid tot een ‘must have’ indie classic die voor veel navolging zorgde en de carrières van diverse bands in het leven riep. Het is levendige plaat met dissonante, uit behandelde gitaarlagen kolkende noise die, ofschoon beïnvloed door Sonic Youth, op niets leek wat er aan voorafging, meestal gekoppeld aan jachtige drumpartijen en dromerige vocalen. “Isn’t anything” inderdaad, want met niets te vergelijken, of het nu een explosieve track betreft als “Sueisfine” of de smeltende violen in een gedroomde storm “All I need”. Essentieel. 

Singles

2:54 – You’re early
Wat ik hier had willen zeggen, is grotendeels terug te vinden bij mijn bevindingen met betrekking tot het 2:54 album zoals hierboven te vinden. Inzoomend op deze van die plaat getrokken single, is de keuze voor “You’re early” absoluut gerechtvaardigd. Het is een song waar het verlangen vanaf druipt, smacht gevangen in de groeven van het vinyl waarop het is geperst. Eh…. tenzij je de digitale versie hebt gekocht of gestolen natuurlijk. 

THE CROOKES – Afterglow
Ze zijn weer terug, met een nieuwe gitarist weliswaar, maar dat valt er niet aan af te horen: de sympathieke band uit Sheffield die vorig jaar een goede indruk achterliet met het heel aardige album “Chasing ghosts”, waarop invloeden van Orange Juice en The Smiths doorsijpelden, en als zodanig een geestverwant van Frankie & The Heartstrings. Het vlotte “Afterglow” met aanstekelijk ‘woo woo woo woo ooh ooh ooh ooh’ koortje, afkomstig van hun tweede plaat “Hold fast”, trekt de lijn door. Welcome back!  

RAISED ON REPLICAS – OMG
De tweede release op het nieuwe Louder Than War label, dat dit jaar zo sterk van start ging met Deadbeat Echoes. Deze single mag er ook zijn, lekker scherp en snedig, ietwat hoekige indie noisepop. Raised On Replicas is een kwartet uit Brighton die voor zover ik weet met “OMG” hun eerste fysieke output mogen noteren. Dat het hierbij maar niet mag blijven. 

ARCTIC MONKEYS – Black treacle
De vierde single van het vorig jaar uitgekomen “Suck it and see” is een solide en volwassen nummer van een band die zich al lang en breed heeft bewezen. Draaien we het plaatje om, dan treffen we daar Richard Hawley & The Death Ramps aan, laatstgenoemde een grappig alias van Arctic Monkeys, die zich in “You and I” even lekker het imago van een rock’n’roll band kunnen aanmeten, zoals ze voor het eerst deden op “Humbug”. 

CITIZENS! – Reptile
Nee, tussen mij en Citizens! gaat weinig liefde verloren. “Reptile” is, als je het mij vraagt, hun leukste / beste liedje, maar een aantal luisterbeurten later kan ik er weinig meer mee. Hoofdverantwoordelijke is en blijft de zanger wiens stemgeluid me op den duur begint te irriteren. Dat Alex Kapranos van Franz Ferdinand de productie deed, is daarbij niet meer dan een voetnoot.

zaterdag 11 augustus 2012

Cerebral Ballzy - Eindhoven : Area 51 : vrijdag 29 juni 2012

Ik moet hem thuis nog ergens hebben liggen, de documentaire “Punk, lange leve de lol” uit 1996, over de punkscène in Amsterdam anno eind jaren 70, begin jaren 80. Eén van de thema’s die erin voorkomen is de tegenstelling tussen twee groepen punks: enerzijds de serieuze, politiek-correcte, maatschappijkritische idealisten en anderzijds degenen die alleen maar lol willen trappen, bier drinken, drugs gebruiken en herrie maken, al dan niet via het medium muziek. Het uit New York afkomstige hardcore punk kwintet Cerebral Ballzy behoort duidelijk tot de laatste categorie. Hun debuutalbum staat vol met liedjes over hun voornaamste hobby’s en liefhebberijen: skateboarden (“Sk8 all day”), drugs (“Drug myself dumb”), drank (“Puke song”), meisjes (“Junkie for her”), spijbelen (“Cutting class”), zwartrijden (“Insufficient fare”) en fast food (“Fast food”). Nee, van deze band hoeven we geen opgeheven vingertje, politieke manifesten of kritische opinies te verwachten. Maar dat geeft helemaal niets, want daar zijn andere bands voor. En bovendien kan iedereen zich op zijn minst wel met een paar van hun bovenstaande tekstuele onderwerpen identificeren. Toch?

Net als drie weken eerder, toen punk bands Trash Talk en Off! hier optraden, is Area 51 in Eindhoven de uitgelezen locatie om Cerebral Ballzy aan het werk te zien, al was het maar vanwege de skate hal waarvan ik me zo voorstel dat de band er al gebruik van heeft gemaakt. Dat CB het concert aftrapt met “Sk8 all day” zal dan ook geen toeval zijn. Voordat het zover is, krijgen we een voorprogramma. Eigenlijk zijn het er twee, maar de eerste daarvan, Toxic Shock, missen commando Billy en ik. We kunnen ons wel een idee vormen hoe dat ongeveer zou hebben geklonken. Nummer twee zien we dus wel, een Nederlandse band namens Cracks In The Wall met een voorliefde voor het snelle jaren 80 hardcore punk werk, en daarmee een ideale opwarmer voor de hoofdact. Met elkaar in hoog tempo opvolgende, korte nummers is het in een vloek en een zucht voorbij (hooguit een kwartier), maar het is lang genoeg om te overtuigen. Een singletje scoren na afloop – uiteraard op vinyl – is wel het minste wat ik kan doen om deze jongens een hart onder de riem te steken. Na ongeveer een dik half uur is het de beurt aan Cerebral Ballzy. Nadat ze bezit hebben genomen van het lage podium, valt me op dat ze een andere drummer hebben. Niet dat het verder iets uitmaakt, want hij mept en hakt er net zo lustig op los als voorganger ‘Crazy Abe’. Zoals gezegd wordt het startschot gegeven met “Sk8 all day” en vanaf dat moment is er geen houden meer aan.

Er zijn talloze bands die in dezelfde vijver vissen als Cerebral Ballzy dus de vraag is wat deze vijf New Yorkers boven de rest doet uitstijgen. Daar is, zoals ook bij andere bands het geval is, niet altijd de vinger op te leggen. Het is naast een combinatie van goede, pakkende songs, attitude en charisma vaak ook een kwestie van de juiste band op het juiste moment zijn. CB koppelt fun aan furie, wat dus neerkomt op korte, explosieve songs over al eerder genoemde thema’s zoals skateboarden, alcohol, meiden en gewoon lol maken. Zeker niet onbelangrijk is dat de band de uitstraling heeft van een ‘gang’ waar je deel van uit wil maken, en het valt goed te begrijpen waarom NME zanger Honor Titus een derde plek toebedeelde in hun ‘Cool List’ van 2011. Honor is één brok energie die behalve op ook voor het podium staat, en hét moment doet zich voor wanneer hij opeens met een ferme sprong van de vloer op de bar springt, en zijn benen pal voor mij en commando Billy staan. Even snel is hij weer verdwenen, op zoek naar de van zijn hoofd gevallen pet, die iemand al voor hem heeft opgeraapt. Gitarist Mason klimt af en toe van de bühne naar de vensterbank van een raam aan de zijkant van de zaal, om daar gewoon verder te spelen. De lange haren van zijn collega Jason – ook gitarist – zwiepen mee met de adrenaline verhogende, zelden boven de twee minuten klokkende snelheidsduivels. “Causing havoc” heet een van de gespeelde songs, en zo is het maar net. Lekker snel, niet lullen maar poetsen, de beuk erin en vol gas geven, zo hoor ik hardcore punk het liefst. En dat is waar Cerebral Ballzy voor staat. Inclusief toegift, met een voor de tweede keer gespeeld “Sk8 all day”, staat de teller tenslotte op ongeveer een half uur. Het was minder druk dan gedacht – en zeker niet zo vol als bij Trash Talk en Off! – doch daarop kan ik alleen maar zeggen dat de thuisblijvers ongelijk hebben gekregen, want: Cerebral Ballzy kicked ass! 

Setlist: Sk8 all day * Swallow the suds * Puke song * Return of the slice * Drug myself dumb * Cutting class * Junkie for her * City’s girl * Causing havoc * Insufficient fare * Don’t tell me what to do * Fast food * Office rocker * Anthem * (toegift) Don’t look my way * Sk8 all day

Meer foto’s hier en hier!